Duitse herder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Duitse herder
Hondenras
Deutscher Schäferhund- portrait.JPG
Basisinformatie
Andere namen Duitse herder, Elzasser
Oorsprong Duitsland
Classificatie FCI: Groep 1 Sectie 1 #166
Zie ook de lijst van FCI-nummers
Lijst van hondenrassen
het blaffen van een Duitse herder
Vista-kmixdocked.png
(download·info)

De Duitse herder is een herdershond die - zoals de naam al doet vermoeden - van oorsprong uit Duitsland komt. Het is een echte gebruikshond voor diverse doeleinden, maar ook geschikt als gezinshond.

Uiterlijk[bewerken]

De Duitse Herdershond is middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed gespierd, de knoken zijn droog en de totaalstructuur is vast. Belangrijke verhoudingen in maat: De schofthoogte bedraagt voor reuen 60 tot 65 cm, bij teven 55 tot 60 cm. De romplengte overtreft de maat van de schofthoogte met ongeveer 10 tot 17%.

Aard[bewerken]

De Duitse herdershond moet in zijn karakterbeeld evenwichtig, zenuwvast, zelfverzekerd, absoluut onbevangen en (zonder prikkeltoestand) volkomen goedaardig zijn. Daarbij is hij opmerkzaam en handelbaar. Hij moet moed, strijddrift en hardheid bezitten om als geleide-, waak-, verdedigings-, dienst-, en herdershond geschikt te zijn. Hij kan echter wel dominant overkomen, daarom moet hij goed getraind worden. De hond is erg trouw aan zijn baas.

Training[bewerken]

De Duitse herder wordt vaak gebruikt als blindengeleidehond, speurhond, waakhond en politiehond. Omdat de Duitse herders zo goed kunnen leren en gehoorzaam zijn, zijn ze ook voor de trainer tijdens de training een plezier om mee te werken. De Duitse herder kan prima overweg met soortgenoten, andere dieren en kinderen. Hij is trouw en heeft niet de neiging om weg te lopen. Een Duitse herder was de eerste hond die blindegeleidenhond werd. Ze heette Buddy en werd door een Zwitserse vrouw opgeleid met een hondentrainer.

Beweging[bewerken]

De hond moet veel beweging krijgen, want anders wordt hij of zij dik. Zo'n drie keer per dag uitlaten is genoeg, maar het kan natuurlijk ook vaker. Net als bijna alle andere door mensen gehouden dieren mogen ze tijdens de groei niet overbelast worden door te zware werkzaamheden. Duitse herders zijn erg sterk en dol op spelen.

Erfelijke ziekten[bewerken]

In dit hondenras komt vaak de erfelijke ziekte heupdysplasie voor, waardoor de dieren spontaan letsels rond de heupkop (caput femoris) en het heupgewricht (acetabulum) ontwikkelen. Hierdoor gaan deze honden al op jonge leeftijd manken, waardoor dierenartsen ontstekingsremmers moeten voorschrijven. In een poging deze erfelijke ziekte weg te selecteren, worden röntgenfoto's gemaakt van de heupgewrichten van die dieren die als fokdier ingeschreven worden in een stamboek. De landelijke rasvereniging kent dan ook de fokgeschiktheidskeuring; dit is het belangrijkste evenement binnen de V.D.H. (Vereniging van Fokkers en Liefhebbers van Duitse Herdershonden).

Hier worden de honden, door speciaal opgeleide keurmeesters, beoordeeld op onder meer karakter, exterieur, onbevangenheid etc. Alvorens men met de hond op een fokgeschiktheidskeuring voor kan brengen moet deze aan een aantal toelatingseisen voldoen. Het is de taak van de rasvereniging zorgvuldig te waken tegen alle overdrijvingen in de fokkerij, africhting en het omgaan met Duitse herdershonden als het gaat om het gedrag en de aard en het karakter van deze dieren. Alle keurmeesters die met dit ras te maken hebben, hebben een zeer grote verantwoordelijkheid;

a. naar het ras b. naar de vereniging en leden c. naar de maatschappij.

Dit geldt in nog grotere mate voor de verenigingen zelf. Een speciale verantwoordelijkheid hebben ook de fokkers. In alle gevallen waarin het beeld dat de Duitse herdershond een volkomen goedaardige, absoluut onbevangen, handelbare en opmerkzame hond is geweld wordt aangedaan dient ingegrepen te worden. Hierbij dienen alle verantwoordelijken: verenigingen, keurmeesters, fokkers, instructeurs en helpers, africhters en eigenaren zich bewust te zijn van de zorgvuldigheid die hen in het maatschappelijke verkeer betaamt.

Zo moet de hond met goed gevolg geröntgend zijn, een uithoudingsvermogen diploma bezitten, een africhtingskenteken hebben (bijvoorbeeld IPO 1) en in het bezit zijn van minimaal de exterieur kwalificatie goed.

Voldoet de hond aan deze eisen dan kan de keurmeester de hond in keurklasse l (aanbevolen voor de fok) of keurklasse II (geschikt voor de fok) plaatsen. Ook kan de keurmeester de hond ongeschikt vinden.

Externe links[bewerken]