Gewoon sneeuwklokje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gewoon sneeuwklokje
Sneeuwklokjes.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: Eenzaadlobbigen
Orde: Asparagales
Familie: Amaryllidaceae (Narcisfamilie)
Geslacht: Galanthus (Sneeuwklokje)
soort
Galanthus nivalis
L. (1753)
Gewoon sneeuwklokje op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Het gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis) is een bolgewas uit de narcisfamilie (Amaryllidaceae).[1] Het is een algemeen voorkomende stinsenplant, die ook veel wordt aangeplant, en dan verwildert. De plant is afkomstig uit Zuid-Europa en is in Nederland sinds de achttiende eeuw ingeburgerd.

De geslachtsnaam “Galanthus” is afgeleid van het Griekse “gala” (melk) en “anthos” (bloem), “nivalis” betekent: in of bij de sneeuw groeiend.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

Gewone sneeuwklokjes kunnen tot 20 cm hoog worden; de bollen zijn 1,5 tot 2,5 cm. groot. De bloemen hebben elk een eigen bloemstengel en hangen van de top van deze stengel naar beneden (een knikkende bloem).

De planten groeien vaak in pollen.

Bladeren[bewerken]

Meestal met twee blauwachtig groene, lijnvormige bladeren. De jonge bladeren zijn vlak en worden half zo klein als de volwassen bladeren van 1,4 - 1,8 cm breed.

Bloemen[bewerken]

bloemdiagram

Sneeuwklokjes bloeien in februari en maart, soms in april.[2] De planten zijn tweeslachtig (een bloem heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Elke bloeistengel draagt vroeg in het voorjaar één  knikkende bloem. De bloem van het gewoon sneeuwklokje heeft zes bloemdekbladeren. De buitenste drie bloembladen zijn wit, langwerpig en 1,4-1,8 cm lang. De binnenste drie zijn half zo lang, omgekeerd hartvormig-eirond, uitgerand en met een groene vlek aan de top. Aan de binnenkant ziet men groene hoogtestrepen. De stijl is priemvormig met een niet gedeelde stempel.

De bloem lijkt wit doch is feitelijk kleurloos. Een fijngeknepen bloemblad blijkt glashelder te zijn, doordat de luchtbelletjes tussen de bladcellen dan weggeperst zijn. Het is deze lucht die het invallende licht in alle richtingen weerkaatst, waardoor het als wit wordt waargenomen.

Sneeuwklokjes zijn bloeiend te vinden van januari tot in april. De bloei vroeg in het jaar lijkt ongunstig voor insectenbezoek en dus voor kruisbestuiving, maar het blijkt niet onmogelijk. Honingbijen en hommels halen bij gunstig weer al vanaf februari uit de sneeuwklokjes een licht oranjekleurig stuifmeel en zelfs een kleine hoeveelheid nectar.

Bloemformule[bewerken]

Bloemformule van Sneeuwklokje (Galanthus): * P3+3 A3+3 G(3)

Zaad en vrucht[bewerken]

De doosvrucht van het gewoon sneeuwklokje is eivormig en vlezig. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

De zaden worden door mieren versleept, omdat er een mierenbroodje aan zit. Maar de veruit belangrijkste vorm van vermeerdering gaat via de ongeslachtelijke voortplanting: de vermeerdering van de bollen. Hieruit slaat de plant heel snel en gemakkelijk op. Waar zij eenmaal groeit kan zij zich gemakkelijk handhaven. Mogelijk treedt er in de Benelux soms ook vruchtzetting op. In Midden- en Zuid-Europa vliegen zo vroeg in het jaar mogelijk meer insecten vanwege de hogere temperaturen en zou er wel vruchtzetting kunnen optreden.

Ecologie[bewerken]

Gewoon sneeuwklokje is een vaste plant, die zich vooral voortplant door bolletjes. De plant bloeit vroeg in het voorjaar - in februari of maart.

Bodem: Licht beschaduwde of soms zonnige plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak zure tot iets kalkhoudende, humeuze grond (klei, leem, zavel, laagveen en zand).

Groeiplaats: Bossen (loofbossen, landgoedbossen, parkbossen en beek- en rivierbegeleidende loofbossen), hakhout, boomgaarden, hagen, struwelen, tuinen (o.a. oude tuinen en boerentuintjes), grasland, waterkanten (beekoevers) en dijken.

Verspreiding[bewerken]

Oorspronkelijk uit Zuidwest-Azië, Zuidoost-, Zuid- en Midden-Europa, westelijk tot in Noordwest-Spanje, noordelijk tot in Normandië (Frankrijk).

Nederland: vrij algemeen als stinsenplant.

Vlaanderen: vrij zeldzaam (al sinds lang) ingeburgerd, maar plaatselijk zeer zeldzaam of ontbrekend.

Wallonië: vrij zeldzaam tot zeldzaam, maar (vrijwel) niet in de Ardennen.

Taxonomie[bewerken]

Er worden door de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden twee variëteiten onderscheiden:

  • Galanthus nivalis var. nivalis waarvan alleen de binnenste drie bloemdekbladen een groene of gele vlek aan het uiteinde hebben.
  • Galanthus nivalis var. scharlockii waarvan alle bladen een groene of gele vlek hebben.

Plantengemeenschap[bewerken]

Sneeuwklokjes in de sneeuw

Het sneeuwklokje is een kensoort voor het onderverbond Ulmenion carpinifoliae van het verbond van els en gewone vogelkers (Alno-padion).

Eli Heimans over het sneeuwklokje[bewerken]

"Geen mens groot of klein, die niet weet dat er sneeuwklokjes in de wereld zijn..."
[3]

In 1896 begon Eli Heimans zijn eerste artikel in De Levende Natuur met deze introductie. Het plantje dat de lente inluidt is "een dankbaar voorwerp om te bedichten". En de versjes waarin de naam van de plant genoemd worden, hebben zeker bijgedragen aan de populariteit in de bloemenhandel. Heimans riep dan ook op om zelf te gaan zoeken. Hij beschreef allerlei eigenschappen van de plant en de bol, en hij verklaarde hoe het plantje zich weet te handhaven in het vroege voorjaar. Hij beschreef hoe uit de bolletjes, die in september nog "dor en droog en dood" leken, al in januari groene blaadjes tevoorschijn komen en hoe in februari de bloemknop zich vertoont. Ook vertelde hij dat er al vroeg bijen en vliegen op de tere en sierlijke bloempjes afkomen en beschrijft hij ook de bevruchting en de vorming van zaad.

Gebruik[bewerken]

Sneeuwklokjes worden veel toegepast als tuinplant in een heel groot deel van de tuinen in West-Europa. Het geldt hier als een vroege voorjaarsbode. De teelt van sneeuwklokjes duurt een aantal jaren en daarom werd het verbouwd in sneeuwklokjesbossen, waar ze van tijd tot tijd werden geoogst. Dit gebeurde onder meer op Texel, waar ook nu nog veel sneeuwklokjes in de bossen te vinden zijn. Voor de sneeuwklokjesbossen op Texel werden de bolletjes uit bossen in Frankrijk gehaald. Met deze bolletjes zijn ook andere soorten meegekomen die zich hebben weten te handhaven, zoals de fertiele vorm van gewoon speenkruid.

Sneeuwklokjesbollen zijn giftig.

Ten opzichte van diverse cultivars is het oorspronkelijke gewoon sneeuwklokje aan de smalle, grijsgroene bladeren goed te herkennen. De wilde vorm groeit vaak samen in tuinen met gecultiveerde vormen. Ook andere soorten uit het geslacht Galanthus worden toegepast in tuinen.

Stinsenplant en bijgoed
Kenmerkende stinsenplanten: adderwortel · blauwe anemoon · blauwe druifjes · bosanemoon · boerenkrokus · bonte krokus · bosgeelster · daslook · gele anemoon · gevlekt longkruid · gevlekte aronskelk · gewone vogelmelk · gewoon sneeuwklokje · grote bosaardbei · holwortel · herfsttijloos · Italiaanse aronskelk · Haarlems klokkenspel · knikkende vogelmelk · kievitsbloem · kraailook · lelietje-van-dalen · lenteklokje · mansoor · oosterse sterhyacint · trompetnarcis · vingerhelmbloem · vroege sterhyacint · wilde hyacint · wilde narcis · winterakoniet
Bijkomende soorten: alpenbes · armbloemig look · beemdooievaarsbek · bergbeemdgras · blauwe anemoon · bloedzuring · bosvergeet-mij-nietje · daglelies · donkere ooievaarsbek · dikkemanskruid · elfenbloempje · fluitenkruid · gele dovenetel · gevlekte dovenetel · grote sneeuwroem · gebroken hartje · gulden sleutelbloem · Japans hoefblad · Japanse duizendknoop · maarts viooltje · monnikskap · Kaukasisch sneeuwklokje · keizerskroon · kleine maagdenpalm · kleine sneeuwroem · kruipend zenegroen · lievevrouwebedstro · leverbloempje · oosterse anemoon · overblijvende ossentong · prachtframboos · pastinaak · robertskruid · roomse kervel · salomonszegel · slanke sleutelbloem · sneeuwbes · speenkruid · stinkend nieskruid · struisvaren · stengelloze sleutelbloem · Turkse lelie · tuinkamperfoelie · voorjaarszonnebloem · voorjaarshelmkruid · wilde akelei · wit hoefblad · wrangwortel · zevenblad · zomerklokje