Zaad (plant)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Pronkboonzaad met pluimpje (opengesneden)
Pronkboon

Een zaad is het belangrijkste overlevingsorgaan bij zaadplanten. Het zaad is een uitgegroeid zaadbeginsel of zaadknop. Bij naaktzadigen staan de zaadknoppen vrij, bij bedektzadigen staan 1 of meer zaadknoppen in het vruchtbeginsel. Een vruchtbeginsel kan bij veel soorten verder uitgroeien tot een vrucht.

Zaden en vruchten[bewerken]

Vaak wordt in het spraakgebruik gesproken van zaden, terwijl het eigenlijk vruchten zijn. Zo wordt bij de composietenfamilie vaak gesproken van zaden (andijviezaad, zonnebloempitten enz.), terwijl het vruchten zijn waarin één zaad zit. Bij grassen heeft men vaak het over "graszaad". Bij bonen, erwten en linzen heeft men het over peulvruchten, wat slaat op op de peulen, terwijl men de zaden zaait.

Anatomie[bewerken]

Het zaad ontwikkelt zich uit een zaadknop (ovulum), dat op een placenta staat. De zaadknop bestaat uit een nucellus, die door twee integumenten is omgeven en waarbij de kiemopening(micropyle) openblijft. In de nucellus bevindt zich de embryozak, met daarin een eicel of een eicelkern.

Na de bevruchting groeit de zaadknop verder uit. Bij rijpheid laat het zaad los van de zaadstreng (funiculus), wat op het zaad zichtbaar is als navel (hilum). In kenmerkende gevallen bestaat het zaad uit de zaadhuid (testa), een kiempje (embryo) en meestal ook met reservevoedsel voor het kiempje.

Het kiempje bestaat uit:

Reservevoedsel[bewerken]

Reservestoffen van een plant in het zaad[1]
    • zaadknop (ovulum) (2n)
      • 1-2 integumenten = zaadvliezen
      • nucellus = macrosporangium
        • perisperm (2n)
        • kiemzakmoedercel = embryozakmoedercel =
           macrosporemoedercel (macrosporocyt)
           meiose
          • macrosporetetrade (1n)
            • 3 macrosporen
            • 1 functionele macrospore =
               kiemzakkern (≈ embryozak)
              • macroprothallium (≈ embryozak)
                • 3 antipoden,
                • 2 synergiden
                • eicel of eikern (ovum)
                  bevruchting ( ♂ gamete)
                  • zygote (2n)
                    • embryo
                      • kiemdrager (suspensor)
                      • worteltje (radicula)
                      • 2 kiemlobben (cotylen)
                      • spruit (plumula)
                • 2 polaire celkernen
                  • secundaire embryozakkern (2n)
                    dubbele bevruchting ( ♂ gamete)
                    • secundair endosperm (3n)
            • primair endosperm (1n)
    • zaadmantel of zaadrok
  • 1rightarrow blue.svg Zie ook Reservestof.

    Bij de eenzaadlobbigen (monocotylen) zit het reservevoedsel, vaak in vorm van zetmeel, opgeslagen in amyloplasten) in het endosperm (kiemwit) en wordt het pluimpje omgeven door een pluimschede (coleoptyl).

    Bij de tweezaadlobbigen (dicotylen) is het reservevoedsel uit het endosperm meestal overgegaan in de beide zaadlobben (cotylen), maar bij sommige plantensoorten kan het ook nog in het endosperm zitten. Het endosperm is vaak rijk aan zetmeel (maïs), olie (koolzaadolie) en eiwitten (erwt, boon). Het zaad wordt omgeven door een meer of minder dikke zaadhuid en is afkomstig van de beide integumenten uit het vruchtbeginsel. De zaadhuid bij appel is leerachtig, maar bij braam of rode bes versteend. Verder heeft het zaad een navel (hilum), waarmee het aan de zaadlijst heeft vastgezeten en een kiemopening (poortje of micropyle)(op de foto van de pronkboon boven de navel), waardoor het worteltje van het kiempje bij de kieming naar buiten komt. Aan de andere kant van de navel (op de foto van de pronkboon onder de navel) zit de plaats waar de vaatbundel (chalaza) eindigt.

    Aan sommige zaden zit een zaadmantel of zaadrok, een vlezig (fruitachtig) omhulsel of aanhangsel. Het gaat hier om een uitgroeisel van het zaad of de zaadsteel. De wetenschappelijke term is "arillus".

    Natuurlijke verspreidingswijze van zaden[bewerken]

    Zaden kunnen op een natuurlijke wijze worden verspreid door de plant zelf, door wind, water, dieren of de mens. Ook kunnen de zaden mechanisch verspreid worden.

    Wind[bewerken]

    Verspreiding door de wind wordt anemochorie genoemd, echter deze term is niet algemeen bekend. Door speciale aanhangsels aan de vrucht, het zaad of zaadvormen kan de wind het zaad verspreiden. Zo zit bijvoorbeeld aan de vrucht van de paardenbloem een soort parapluutje, het vruchtpluis of pappus. De pappus is in feite de bloemkelk en kan de vorm van pluis, een kransje van schubben of een soort kroontje aannemen. Het vruchtpluis zit vast op een steeltje (het rostrum), daaronder zit de piramide en het vruchtlichaam. Dit laatste heeft ribben en bevat veelal stekels aan de bovenkant.

    Ook zijn er veel soorten gevleugelde vruchten zoals bij de Hollandse linde (Tillia europea (x)).
    Zeer fijn zaad zoals bij tabak, orchideeën of bremraap wordt ook door de wind verspreid.

    Dieren[bewerken]

    Verspreiding door dieren wordt zoöchorie, door de mens anthropochorie en door mieren myrmecochorie genoemd, echter ook deze termen hebben geen algemene bekendheid.

    Vogels dragen in belangrijke mate bij aan de verspreiding van zaden door het eten van bessen en andere soorten vruchten en door het verslepen van noten. Er zijn zelfs zaden van sommige plantensoorten die eerst door het maag-darmkanaal van een vogel gegaan moeten zijn alvorens te kunnen kiemen.

    Ook zoogdieren en reptielen verspreiden zaden door het eten van bessen, het verslepen van noten of het in hun vacht meenemen van klitten of zaden. De zaden van kleefkruid hechten zich makkelijk aan veel materialen.

    Doordat aan sommige zaden een mierenbroodje zit worden deze door mieren versleept. Een voorbeeld zijn de zaden van holwortel.

    Opengesprongen vrucht met zaden van reuzenbalsemien.

    Door de plant zelf[bewerken]

    Verspreiding door de plant zelf wordt ook wel autochorie genoemd.

    • Mechanisch. Bij de reuzenbalsemien, ooievaarsbek en het springzaad (Impatiens) springen de vruchten bij aanraking zodanig open dat de zaden weggeschoten worden. Bij viooltjes, Euphorbia's springt de doosvrucht open bij droogte en worden de zaden weggeslingerd.
    • Fysiologisch. Bij de springkomkommer worden (bij aanraking) de zaden weggespoten.

    Water[bewerken]

    Verspreiding door water ofwel hydrochorie.

    • Nautohydrochoren. Sommige zaden kunnen makkelijk blijven drijven door luchtholten in de wand of een waterdichte wand en kunnen langs oevers tot ontkieming komen. Bij overstromingen komen de zaden verder landinwaarts terecht. Dit komt voor bij de zaden van de els en kokosnoot.
    • Ombrohydrochoren. De verspreiding gebeurt door spatwater van opvallende regendruppels.

    Wateropname[bewerken]

    Zaad kan actief en passief water opnemen. Bij sommige zaden kan door de gehele zaadhuid water opgenomen worden. Bij andere zaden zijn er speciale plekken in de zaadhuid. Soms moet de zaadhuid eerst beschadigd worden alvorens het zaad water kan opnemen (scarificeren). In deze fase is de wateropname passief. Met de opname van water (imbibitie) begint de kieming en gaat het zaad als het nog kiemkrachtig is actief water opnemen.

    Culinair[bewerken]

    Sommige zaden zijn eetbaar en worden gebruikt voor het verfraaien van onder andere salades, broodjes zoals pistolets en kaiserbroodjes. Ook wordt er soms olie onttrokken van deze zaden. Enkele bekende eetbare zaden zijn:

    Echte zaden:

    "Peulvruchten" zijn zaden:

    "Graanvruchten" zijn vruchten:

    Verdere vruchten:

    Externe link[bewerken]

    Plantkunde en deelgebieden
    Bijzondere plantkunde:algologie · bryologie · dendrologie · fycologie · lichenologie · mycologie · pteridologie
    Paleobotanie:archeobotanie · dendrochronologie · fossiele planten · gyttja · palynologie · pollenzone · varens · veen
    Plantenmorfologie & -anatomie:beschrijvende plantkunde · adventief · apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · intercellulaire ruimte · kelk · kroonblad · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sclereïde · sclerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
    Plantenfysiologie:ademhaling · bladzuigkracht · evapotranspiratie · fotoperiodiciteit · fotosynthese · fototropie · fytochemie · gaswisseling · geotropie · heliotropisme · nastie · plantenfysiologie · plantenhormoon · rubisco · stikstoffixatie · stratificatie · transpiratie · turgordruk · vernalisatie · winterhard · worteldruk
    Plantengeografie:adventief · areaal · beschermingsstatus · bioom · endemisme · exoot · flora · floradistrict · floristiek · hoogtezonering · invasieve soort · Plantengeografie · status · stinsenplant · uitsterven · verspreidingsgebied
    Plantensystematiek:taxonomie · botanische nomenclatuur · APG I-systeem · APG II-systeem · APG III-systeem · APG IV-systeem · algen · botanische naam · cladistiek · Cormophyta · cryptogamen · classificatie · embryophyta · endosymbiontentheorie · endosymbiose · evolutie · fanerogamen · fylogenie · generatiewisseling · groenwieren · hauwmossen · kernfasewisseling · korstmossen · kranswieren · landplanten · levenscyclus · levermossen · mossen · roodalgen · varens · zaadplanten · zeewier
    Vegetatiekunde & plantenoecologie:abundantie · associatie · bedekking · biodiversiteit · biotoop · boomlaag · bos · Braun-Blanquet (methode) · broekbos · climaxvegetatie · clusteranalyse · concurrentie · constante soort · differentiërende soort · ecologische gradiënt · ecologische groep · Ellenberggetal · gemeenschapsgradiënt · grasland · heide · kensoort · kruidlaag · kwelder · minimumareaal · moeras · moslaag · ordinatie · pioniersoort · plantengemeenschap · potentieel natuurlijke vegetatie · presentie · regenwoud · relevé · ruigte · savanne · schor · steppe · struiklaag · struweel · successie · syntaxon · syntaxonomie · Tansley (methode) · toendra · tropisch regenwoud · trouw · veen · vegetatie · vegetatielaag · vegetatieopname · vegetatiestructuur · vegetatietype · vergrassing · verlanding