Groeivorm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Groeivorm[bewerken]

Planten kunnen in groeivormen worden ingedeeld op grond van hun habitus: hun algemene uiterlijke morfologische kenmerken. Bij de zaadplanten wordt dan bijvoorbeeld gekeken naar de mate van verhouting van de stengel (stam) en de mate en plaats van vertakking, naar het al of niet afvallen van de bladeren en hun algemene vorm.

Zaadplanten[bewerken]

De indeling in groeivormen naar morfologische kenmerken voor zaadplanten is grotendeels verwerkt in de indeling in levensvormen volgens Raunkiær. De verschillende literatuur over definities van groeivormen en levensvormen is vaak verwarrend en tegenstrijdig. Een min of meer gebruikelijke indeling, waarop naar behoefte variaties worden gemaakt, volgt hieronder.

 Indeling van zaadplanten naar levensduur 

Bij "hogere" planten kunnen worden onderscheiden:

Korstmossen[bewerken]

Een gebruikelijke indeling bij korstmossen:

  • Korstvormige korstmossen
  • Bladvormige korstmossen
  • Struikvormige korstmossen
  • Baardvormige korstmossen
  • Haarvormige korstmossen
  • Geleivormige korstmossen

Mossen[bewerken]

Een indeling bij mossen is:

  • Eenjarige mossen
  • Alleenstaande mossen
  • Lage zoden
  • Kussens
  • Waaiers
  • Matten
  • Hoge zoden
  • Weefsels
  • Hangende mossen
  • Boomvormige mossen


Raunkiær[bewerken]

Christen Christiansen Raunkiær heeft de meest gebruikte de indeling van zaadplanten in levensvormen gemaakt. Deze wordt toegepast in de beschrijvende plantkunde en in de vegetatiekunde. De indeling is gebaseerd op de plaatsing van de organen (zoals knoppen en zaden) die van belang zijn voor het overleven van het ongunstige seizoen (zoals koude winters, droge zomers). Deze indeling is veelvuldig aangepast.

  • Therofyten zijn eenmaal bloeiende (hapaxanthe of monocarpische), kruidachtige soorten die hun levenscyclus voltooien in minder dan een jaar, en geen organen voor overwintering vormen. De overwintering vindt plaats door zaden.
  • Fanerofyten (→ 1) hebben een houtige stengel of stam met de knoppen meer dan 30 cm boven de grond
    • bomen hebben een stam, die zich niet direct boven de bodem vertakt
    • struiken vertakt zich reeds vlak boven de bodem
  • Epifyten leven vastgehecht op andere planten (niet afgebeeld)
  • Chamaefyten zijn rechtopstaande en kruipende planten met de knoppen tussen de één en 30 cm boven de grond. Dit betekent dat de knoppen meestal beschermd door de sneeuw en genieten van een gelijkvloerse microklimaat; deze omvatten dergelijke dwergstruiken en kussenplanten)
  • Hemikryptofyt (→ 4) hebben hun knoppen direct op de bodem, zodat ze worden beschermd door de strooisellaag. De knoppen bevinden zich vaak in basale delen van scheuten van het voorgaande jaar.
  • Geofyten vormen ondergrondse in de organen voor overwintering en knoppen die bijzonder goed worden beschermd.
    • bolgeofyten (→ 6) (overwintering met bollen)
    • knolgeofyten (→ 6) (overwintering met wortelknollen)
    • wortelstok-geofyten (→ 5) (overwintering met wortelstokken)
  • Helofyten (→ 7) en Hydrofyten (→ 8+9).