Hauwmossen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
hauwmossen
Phaeoceros laevis
Taxonomische indeling
Rijk:Viridiplantae
Cavalier-Smith (1981)
Onderrijk:Embryophyta
Stam
Anthocerotophyta
Stotler & Crandall-Stotler (1977)
Levenscyclus van hauwmossen
Synoniemen
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
hauwmossen op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Hauwmossen (Anthocerotophyta[1]) zijn kleine thalleuze planten, die gerekend worden tot de Embryophyta. Vroeger vormden de hauwmossen (historische naam: Anthecerotae) samen met de levermossen (Marchantiophyta, historische naam: Hepaticae) en de (blad)mossen (Bryophyta, historische naam: Musci) samen de stam van de mossen (in wijdere zin).

Bouw[bewerken | brontekst bewerken]

Thallus[bewerken | brontekst bewerken]

Hauwmossen lijken in de gametofytfase op thalleuze levermossen, maar als zij zonder concurrentie kunnen groeien zijn de planten vaak bijna cirkelrond. De bouw van het thallus van hauwmossen is eenvoudig, veel eenvoudiger dan dat van de levermossen parapluutjesmos en halvemaantjesmos. Kenmerkend is een epidermis en luchtkamers.

Sommige soorten gaan een symbiotische relatie aan met Nostoc (een blauwwier), die de luchtkamers binnenkomt via scheuren in het oppervlak aan de onderzijde. De vrije gametofyt ziet er vettig uit. Een ander uniek kenmerk van deze stam is dat de plastiden een pyrenoïde bevatten en groot zijn in vergelijking met die van andere landplanten, die kleiner en lensvormig zijn.

Geslachtelijke voortplanting[bewerken | brontekst bewerken]

De archegonia en antheridia bevinden zich op het bovenoppervlak van het thallus. De archegonia en antheridia zijn echter niet goed afgescheiden van het thallus: zo is het archegonium gereduceerd tot de halskanaalcellen, die ingebed liggen in ongedifferentieerde thallusweefsel. Voor de antheridia is de situatie vergelijkbaar.

Sporofyt[bewerken | brontekst bewerken]

De sporofyt is vrij complex, in tegenstelling tot de eenvoudige bouw van de gametangia. De sporofyt ontstaat door de groei van een intercalair meristeem (dat wil zeggen niet aan de groeitop liggend meristeem) vlak boven de voet van de sporofyt. Het sporekapsel heeft de vorm van een hoorn en heeft relatief weinig sporenvormend weefsel. Het kapsel heeft fotosynthetische weefsels en huidmondjes. Het kapsel is enigszins onbepaald, waarbij de sporen zich in verschillende ontwikkelingsstadia bevinden, en opent zich voortdurend langs de overlangse spleten. De sporen worden verspreid met behulp van pseudo-elateren.

Fylogenetische stamboom van de Embryophyta
naar Holt & Iudica [2][3][4][5]
  • niet-monofyletische groep
    (→ behoort tot de ...) wordt ook gerekend tot een polyfyletische groep

    Vergelijking met mossen en levermossen[bewerken | brontekst bewerken]

    Verschillen tussen mossen, levermossen en hauwmossen.
    Generatie &
    Kernfase
    Kenmerken Marchantiophyta
    Levermossen
    Bryophyta
    Mossen
    Anthocerotophyta
    Hauwmossen
    Gametofyt,
    Haploïde fase
    protonema thalleus draadvormig bolvormig
    mosknoppen slecht 1 mosknop op protonema veel mosknoppen op protonema slecht 1 mosknop op protonema
    mosplant is thallus
    of bebladerde spruit
    of bebladerde spruit meestal dorsivetraal,
    of eenvoudig thallus,
    of thallus met luchtkamers
    bebladerde spruit,
    zelden duidelijk dorsivetrale bouw,
    (stengel en takken met blaadjes)
    eenvoudig thallus
    blad rangschikking 3 rijen of niet van toepassing verspreid, spiralen (n.v.toep.)
    bladvorm 2- tot meerlobbig of n.v.toep. zelden gelobd
    bladnerven geen / n.v.toep. 0, 1 of 2; meer cellen dik
    olielichaampjes aanwezig geen geen
    chloroplasten per cel veel kleine chloroplasten veel kleine chloroplasten 1 enkele grote chloroplast
    met een pyrenoïde
    watertransporterende
    cellen
    alleen bij enkele eenvoudige
    thalleuze vormen
    in stengel gametofyt (en in sporofyt) geen
    rizoïden hyalien, eencellig bruin, meercellig hyalien, eencellig
    gametangia
    plaatsing
    in clusters aan de top van bebladerde tak
    of op oppervlak van thallus
    in clusters aan de
    top van bebladerde tak
    verzonken in het thallus, verspreid
    huidmondjes soms ademopeningen geen huidmondjes aanwezig
    Sporofyt,
    Diploïde fase
    kapselsteel (seta)
    ontwikkeling
    strekt zich pas vlak voor het
    loslaten van de rijpe sporen
    strekt zich al voor de sporenrijping,
    soms een pseudopodium
    afwezig
    kapselsteel kleur hyalien, niet fotosynthetisch fotosynthetisch en groen (n.v.toep.)
    kapsel bouw ongedifferentieerd; bolvormig of verlengd met peristoom, operculum, theca en nek ongedifferentieerd; langwerpig
    kapsel groei beperkte groei, vaste grootte beperkte groei, vaste grootte continue groei door basaal meristeem
    columella geen aanwezig aanwezig
    steriele cellen
    tussen de sporen
    eencellige elateren
    met spiraalverdikkingen
    nooit meercellige pseudo-elateren, vertakt
    kapsel rijping opent met tanden of 4 kleppen opent bij operculum en peristoom,
    opent zelden met spleten
    opent met 2 kleppen
    huidmondjes geen op sporenkapsel aanwezig

    Families en geslachten[bewerken | brontekst bewerken]

    De familie Anthocerotaceae omvat de geslachten:

    De familie Dendrocerotaceae omvat de geslachten:

    De familie Leiosporocerotaceae omvat het geslacht:

    Familie Notothyladaceae omvat de geslachten:

    Plantkunde en deelgebieden
    Geobotanie (planten als onderdeel van de biosfeer)
    Plantengeografie:adventief · areaal · beschermingsstatus · bioom · endemie · exoot · flora · floradistrict · floristiek · hoogtezonering · invasieve soort · Plantengeografie · status · stinsenplant · uitsterven · verspreidingsgebied
    Paleobotanie:archeobotanie · dendrochronologie · fossiele planten · gyttja · palynologie · pollenzone · varens · veen
    Vegetatiekunde & plantenoecologie:abundantie · associatie · bedekking · biodiversiteit · biotoop · boomlaag · bos · Braun-Blanquet (methode) · broekbos · climaxvegetatie · clusteranalyse · coenocline · concurrentie · constante soort · contactgemeenschap · differentiërende soort · dwergstruweel · ecologische gradiënt · ecologische groep · Ellenberg-indicatorwaarde · gemeenschapsgradiënt · grasland · heide · kensoort · kruidlaag · kwelder · minimumareaal · moeras · moslaag · ordinatie · pioniersoort · plantengemeenschap · potentieel natuurlijke vegetatie · presentie · regenwoud · relevé · ruigte · savanne · schor · steppe · struiklaag · struweel · successie · syntaxon · syntaxonomie · Tansley (methode) · toendra · tropisch regenwoud · trouw · veen · vegetatie · vegetatielaag · vegetatieopname · vegetatiestructuur · vegetatietype · vergrassing · verlanding
    Idiobotanie (planten onder gecontroleerde omstandigheden)
    Plantenmorfologie & -anatomie:beschrijvende plantkunde · adventief · apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · intercellulaire ruimte · kelk · kroonblad · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sclereïde · sclerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
    Plantenfysiologie:ademhaling · bladzuigkracht · evapotranspiratie · fotoperiodiciteit · fotosynthese · fototropie · fytochemie · gaswisseling · geotropie · heliotropisme · nastie · plantenfysiologie · plantenhormoon · rubisco · stikstoffixatie · stratificatie · transpiratie · turgordruk · vernalisatie · winterhard · worteldruk
    Plantensystematiek:taxonomie · botanische nomenclatuur · APG I-systeem · APG II-systeem · APG III-systeem · APG IV-systeem · algen · botanische naam · cladistiek · Cormophyta · cryptogamen · classificatie · embryophyta · endosymbiontentheorie · endosymbiose · evolutie · fanerogamen · fylogenie · generatiewisseling · groenwieren · hauwmossen · kernfasewisseling · korstmossen · kranswieren · landplanten · levenscyclus · levermossen · mossen · PPG I-systeem · roodwieren · varens · zaadplanten · zeewier
    Overig
    Bijzondere plantkunde:algologie · bryologie · dendrologie · fycologie · lichenologie · mycologie · pteridologie
    Sjablonennavigatie biogeografisch · navigatie bloeiwijzen · navigatie plantenhormonen · navigatie plantkunde · navigatie stinsenplanten · navigatie fytografie bloemplanten · navigatie fytografie mossen · navigatie fytografie varens · navigatie vegetatiekunde