Diploïdie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een genoom of een cel heet diploïde als deze in de celkern van elk chromosoom twee exemplaren bevat, door een bevruchting afkomstig van twee haploïde geslachtscellen.[1] Het aantal chromosomen wordt weergegeven met 2n. Elk gen zal dus ten minste tweemaal voorkomen.

Levenscyclus[bewerken]

In de levenscyclus van een organisme zijn de geslachtscellen haploïde. Een haploïde cel heeft van elk chromosoom één exemplaar in de celkern. Bij de bevruchting versmelten de kernen van twee geslachtscellen en ontstaat dan weer een diploïde cel, de zygote. Op deze wijze treedt er een kernfasewisseling op: een diplofase (2n) wisselt af met een haplofase (1n).

Bij dieren zijn de gameten de enige haploïde cellen. Het menselijk lichaam bestaat grotendeels uit diploïde cellen, elk met 2 x 23 = 46 chromosomen. De geslachtscellen hebben ieder 23 chromosomen.

Voor planten en veel andere organismen kan dit anders liggen, afhankelijk van de kernfase.

Polyploïdie[bewerken]

Vooral bij planten kunnen door genoommutaties ook levensvatbare polyploïden optreden. Zo zijn er in het wild onder andere tetraploïde, hexaploïde en octoploïde planten bekend. Kunstmatig worden bijvoorbeeld ten behoeve van de groenteteelt steriele triploïde planten gekweekt, die geen zaad vormen.

Bij dieren zijn de polyploïde nakomelingen gewoonlijk niet of verminderd levensvatbaar, of zwakker ontwikkeld in bepaalde kenmerken.

Tetraploïde planten worden in de loop van de evolutie weer diploïde door het proces van fractionatie en diploïdisatie.[2][3] Niet het aantal chromosomen wordt daarbij verminderd, maar de genen die in de verdubbelde genomen aanwezig zijn kunnen hun functie verliezen. In het algemeen is er geen mechanisme om de genetische kenmerken in het duplicaat te behouden.

Zie ook[bewerken]