Naar inhoud springen

Viridiplantae

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Viridiplantae
Fossiel voorkomen:
Mesoproterozoïcum[1]heden
Diversiteit van de Viridiplantae
Taxonomische indeling
Domein:Eukaryota
Clade:Diaphoretickes
Clade:Archaeplastida
Clade
Viridiplantae
Cavalier-Smith, 1981
Synoniemen
  • Chloroplastida (Adl, 2005)[2]
  • Chlorobionta (Kendrick & Crane, 1997)
  • Plantae (Copeland, 1938)[3]
Viridiplantae op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De Viridiplantae (groene planten), in sommige classificaties Chloroplastida genoemd, is een clade van eukaryoten. De groep bestaat uit ongeveer 450.000–500.000 soorten, waaronder alle landplanten en vele groepen groene algen. Alle vertegenwoordigers halen hun energie, althans in beginsel, uit fotosynthese. Het plantenrijk (Plantae) wordt in de moderne biologie vaak gelijkgesteld aan deze clade.

Alle soorten in de Viridiplantae hebben chloroplasten in hun cellen, die vroeg in de evolutie ontstaan zijn uit de endosymbiose van cyanobacteriën (primaire chloroplast). De chloroplasten bevatten chlorofyl a én b, een combinatie die enkel binnen deze groep voorkomt. De fotosyntheseproducten worden opgeslagen als zetmeel in de chloroplasten of andere plastiden. Als primaire producenten staan Viridiplantae aan de basis van de wereldwijde ecosystemen, zowel op het land als in het water.

Binnen de Viridiplantae worden doorgaans twee hoofdlijnen onderscheiden: de Chlorophyta (groenwieren) en de Streptophyta, een clade waartoe onder meer landplanten en verwante algengroepen behoren. De Chlorophyta zijn zeer divers in bouw en levenswijze, variërend van beweeglijke eencelligen zoals Chlamydomonas tot meercellige vormen zoals zeesla (Ulva). De Streptophyta bevat algen zoals kranswieren die complexe celstructuren en weefselorganisatie vertonen; binnen deze lijn kwamen evolutionaire innovaties tot stand die de overgang naar het land mogelijk maakten.[4]

De naam Viridiplantae werd geïntroduceerd door Thomas Cavalier-Smith in 1981.[5] Hij verenigde hierin de groene algen en de landplanten, op basis van gedeelde kenmerken zoals chlorofyl a en b, opslag van zetmeel in de plastiden en celwandstructuur. Aanvankelijk werd de Viridiplantae als rijk geclassificeerd. Het traditionele plantenrijk (Plantae), dat destijds alleen de landplanten (embryofyten) omvatte, werd hiermee verruimd met groene algen.

Met de verdere uitbouw van eukaryote fylogenie in de late 20e eeuw werd duidelijk dat Viridiplantae deel uitmaken van een grotere supergroep: de Archaeplastida. In 2005 werd term Chloroplastida geïntroduceerd voor alle fotosynthetische organismen met primair, endosymbiotisch ontstane chloroplasten (afkomstig van een cyanobacterie).[2] In veel moderne classificaties worden Viridiplantae en Chloroplastida als synoniemen gebruikt,[6] waarbij Viridiplantae vaker in botanische context voorkomt en Chloroplastida in bredere eukaryote fylogenie.

Zie Planten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Viridiplantae worden gekenmerkt door een aantal gedeelde afgeleide eigenschappen (synapomorfieën) die deze clade onderscheidt van andere eukaryoten. Het meest opvallend is het bezit van chloroplasten met chlorofyl a en chlorofyl b, een combinatie die uitsluitend binnen deze groep voorkomt. De chloroplasten hebben een dubbel membraan, en de fotosynthetische machinerie is georganiseerd in zogeheten thylakoïden (grana).[7] Deze pigmentensamenstelling geeft de Viridiplantae hun kenmerkende groene kleur. Groene planten vormen zetmeel en slaan dit op binnen hun plastiden, niet in het cytoplasma zoals in sommige andere algengroepen. Alle groene planten hebben celwanden bestaande uit cellulose, een polysacharide die aan de buitenzijde van de cel wordt afgezet. De celluloseketens worden gesynthetiseerd door sterk geconserveerde cellulose-synthasecomplexen. De evolutie van de celwand was een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van complexere groeivormen.[7]

De geslachtelijke voortplanting bij primitieve groene planten verloopt door middel van twee haploïde, geflagelleerde gameten die isomorf zijn (er hetzelfde uitzien).[7] Deze geslachtscellen versmelten met elkaar tijdens de bevruchting en vormen samen een diploïde zygote. De zygote is een vrijlevend stadium en deelt zich via meiose, waarbij vier haploïde sporen ontstaan. Elke spore kan uitgroeien tot een nieuw haploïd individu dat opnieuw gameten vormt. Deze levenscyclus heet haplont, waarin het grootste deel van de levenscyclus haploïd is en alleen de zygote diploïd. De haplontische cyclus wordt gezien als de basale voortplantingscyclus van de Viridiplantae, maar bij de evolutie naar landplanten is er een verschuiving opgetreden naar cycli met een steeds grotere rol voor het diploïde stadium.

Indeling en evolutie

[bewerken | brontekst bewerken]
[bewerken | brontekst bewerken]
Paardenstaarten (Equisetum) vertegenwoordigen een oude afsplitsing binnen de varenachtige planten. Ze behoren tot de vroegste plantengroepen met echt vaatweefsel (xyleem en floëem).

De gemeenschappelijke voorouder van alle planten is endosymbiotisch geëvolueerd uit een heterotrofe, eencellige eukaryoot die een cyanobacterie opnam en daarmee een stabiele symbiose vormde. Deze gebeurtenis, die vermoedelijk zo'n 1,2 miljard jaar geleden in het Paleoproterozoïcum plaatsvond, markeerde een grote stap in de evolutie van de eukaryoten. Vanuit dit punt ontwikkelden zich drie fotosynthetische groepen: de Glaucophyta, Rhodophyta en Viridiplantae – samen de Archaeplastida genoemd. De Viridiplantae hebben zich als enige in vergaande mate aangepast aan het leven op land. Het is qua soortenrijkdom dan ook verreweg de meest succesvolle groep van de drie.[8]

Groene planten vormen tegenwoordig de belangrijkste groep zuurstofproducerende fotosynthetische eukaryoten en omvatten de groenwieren en al hun afstammelingen: de streptofyt-algen (waaronder kranswieren) en de landplanten (embryofyten). Binnen de groenwieren onderscheidt men twee grote groepen: de goed bestudeerde Chlorophyta en de recentelijk erkende Prasinodermophyta. De Streptophyta, waartoe zowel landplanten als enkele daaraan verwante algengroepen behoren, bezitten verschillende evolutionaire innovaties die de overgang naar het land mogelijk maakten, zoals robuustere celdelingsmechanismen en gespecialiseerde voortplantingsstructuren.[8]

De landplanten zijn geëvolueerd uit een voorouder verwant aan de Zygnematophyceae (een groep eenvoudige, eencellige of filamenteuze streptofyt-algen). Meer complexe streptofyt-algen zoals kranswieren (Characeae) vertonen vernieuwende weefselorganisatie zoals rizoïden en stengelachtige structuren.[9]

Omdat Viridiplantae een zeer oude clade is, en er een aantal belangrijke evolutielijnen zijn uitgestorven, was het lange tijd ingewikkeld om onderlinge verwantschappen met zekerheid vast te stellen. Dankzij sterke vooruitgangen in fylogenomisch en paleobotanisch onderzoek hebben evolutiebiologen vanaf de jaren 2010 echter een steeds scherpere fylogenie kunnen reconstrueren.[4]

In 2019 werd een fylogenie voorgesteld die gebaseerd is op uitgebreide genoom- en transcriptoomgegevens van ruim duizend plantensoorten, hieronder samengevat.[10] De plaatsing van de verschillende algengroepen werd in de jaren daarna ondersteund door genoomanalyses van onder meer Mesostigmatophyceae en Chlorokybophyceae.[11][12] De kranswieren (Charales) werden met andere verwante algen in het verleden ondergebracht onder de Charophyta, maar deze indeling is parafyletisch, aangezien de landplanten zijn ontstaan binnen deze groepen. De positie van de mossen was lange tijd onduidelijk, maar wordt ondersteund door genoomgegevens van recent gesequencede hauwmossen.[13][14]

Archaeplastida
Streptofyt-algen
(algen verwant
aan de landplanten)