Hoekse verbondsakte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Hoekse verbondsakte was een schriftelijke tegenreactie, aangaande de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De term "Hoek" werd pas metaforisch gebruikt bij de verbondsbrief door 19e en 20e eeuwse geleerde en historici als "Nieymeier, H.P.H. Jansen en H.M. Brokken" om de aktes te kunnen duiden.

Ontstaan[bewerken]

De tegenverbondsakte werd op 5 september 1350 in Geertruidenberg getekend door Willem van Duvenvoorde, Jan II van Polanen en Dirk III van Brederode. Dezelfde avond nog werd dit verbond gesteund en bezegeld door Margaretha van Beieren[1], die op dat moment nog steeds de landsvrouw van Holland, Zeeland en Henegouwen was. Het verbond werd verder ondertekend door 29 edelen waaronder de heren Jacob en Herbaren van der Binkhorst, Arend III van Duvenvoorde, Herbaren van Riede, Floris van der Boekhorst, Gerard van Heemstede, Dirk van Raaphorst, Gerard en Reinier Dever, Dirk IV van Wassenaer en Ogier van Kralingen[2]. Ook ondertekende een priester genaamd Matthijs van der Burch de akte, hij was een voormalig rentmeester in Noor-Holland en vazal van Willem van Duvenvoorde, die bedreigd was door "Kabeljauwen".

Het schrift was een reactie op de Kabeljauwse verbondsakte die uitgevaardigd werd in augustus 1350, waarschijnlijk na de moord op Klaas van Zwieten.

In 1391-92 werd in het geheim een nieuwe verbondsakte opgesteld door de Hoeken en bezegeld door Willem van Oostervant, in de tekst luidde een zin "grave van Oostervant ende sine vriende". De moord op Aleid van Poelgeest volgde in september 1392 en de Hoeken werden verdacht van dit complot. Op 30 december 1392 werd de uitspraak gedaan dat 55 Hoekse edelen verbannen werden uit Holland en hun bezittingen voor verbeurt werden verklaart[3]

In de Zoen van Delft (uit 1428) werd voor het eerst schriftelijk gesproken over het dispuut van de Hoeken en Kabeljauwen als: dat niemand mag worden uitgesloten "noch Houck, noch Cabeljau"[4]