Japanse tuin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het uitzicht vanaf de Symbolic-berg in Cowra laat veel typische elementen zien van een Japanse tuin
Een Japanse tuin met water, brug en lantaarn
Zentuin bij het Adachi Museum of Art
Deze tuin heeft een overvloed aan planten, waaronder de seizoensbloemen
De Kinkaku-jitempel in een vijver in een Japanse tuin
Mos-tuin bij de Saihō-ji-tempel in Kioto. Deze tuin bestaat al sinds 1339.
Moderne tuin in het complex Awaji Yumebutai in Awaji.

Een Japanse tuin (Kanji 日本庭園, nihon teien) is een tuin in traditioneel Japanse stijl. Ze komen voor bij privé stukjes grond, wijken, stadsparken, Boeddhistische tempels en bij landschapskenmerkende gebouwen zoals oude kastelen.

Het concept van de Japanse tuin is afgeleid van de Chinese tuin en werd samen met het Taoïsme in Japan geïntroduceerd. De eerste Chinese tuinen werden rond 700 na Chr. in Japan aangelegd. In de eeuwen hierna maakte deze manier van tuinontwerpen haar eigen ontwikkeling door. Het idee van hoe een zo'n tuin eruit zou moeten zien bereikte haar huidige vorm in de Edoperiode.

Het idee achter de Japanse tuin is dat een natuurlijk landschap wordt aangelegd maar dan wel in perfectie. Je ziet dus heuvels, bomen, mos, watervallen, rotsen, een eiland en bruggen. In het water zijn vaak koi-vissen en schildpadden te vinden. De tuinen stralen rust uit en zijn bedoeld voor wandelingen en contemplatie. In veel tuinen zijn lantaarns geplaatst, die meestal van steen zijn en verdekt opgesteld. De bezoeker maakt een wandeling waarbij deze zich steeds over andere onderdelen van de tuin kan bewonderen. De reis is net zo belangrijk als het doel. Japanse tuinen vergen veel onderhoud maar dit mag nooit te veel benadrukt worden. Een essentiëel onderdeel van het ontwerp is dat de plek van elke steen en boom perfect uitgedacht is maar tegelijkertijd lukraak geplaatst lijkt. De tuin moet er dus uitzien alsof de natuur het zelf zo gemaakt heeft. In veel tuinen is een theehuis te vinden.

Principes[bewerken]

Ookal zijn er verschillende tuinsoorten, toch zijn een aantal principes hetzelfde:

  • miniaturisering: Ook het miniaturisering van de natuur speelt vaak een rol en daarom worden nogal eens bonsaibomen geplaatst. Miniaturisering wordt toegepast om de tuin groter te laten lijken of om grote dingen, zoals bergen en de zee, in het landschap op te kunnen nemen.
  • miegakure: Oftewel verbergen en ontdekken In veel tuinen is het niet de bedoeling dat je het gehele landschap in één keer kunt overzien. Tijdens de wandeling ontdek je steeds nieuwe delen van het landschap die vanaf andere plekken verborgen blijven.
  • Shakkei: Oftewel het lenen van een landschap. De tuin moet harmonisch overlopen in het omringende landschap waardoor de tuin groter lijkt. Bij kleine tuinen wordt vaak gebruik gemaakt van doorkijkjes.
  • Geluid: Ook geluid speelt een rol in de Japanse tuinen. Zo is er de shishi-odoshi. Dit is een bamboe houder die gevuld wordt door een waterstraal. Elke als keer deze vol is valt deze om en slaat tegen een steen. Oorspronkelijk diende de shishi-odoshi als vogelverschrikker. Een ander voorbeeld is de Suikinkutsu. Dit is een klein ondergronds waterreservoir waar water in druppelt. Doordat er een aardewerken pot overheen geplaatst is is er een zacht gegalm in de tuin te horen. Deze wordt zo afgedekt dat deze niet meer zichtbaar is en alleen nog hoorbaar.
  • Assymetrie: In tegenstelling tot veel Europese tuinontwerpen is de tuin nooit symmetrisch.

Soorten tuinontwerpen[bewerken]

  • De watertuin: Hierin staat de vijfer centraal. Deze is groot, bevat vaak een eiland met één of meerdere bruggen ernaar toe. De gebouwen grenzen vaak aan het water of zijn zelfs over het water heen gebouwd.
  • De Paradijstuin: Waarin een perfect landschap wordt gecreëerd, geïnspireerd op het paradijs uit het Boeddhisme. In deze tuinen is vaak een Boeddhabeeld en een Lotusvijfer te vinden.
  • Zentuinen of rotstuinen: Deze tuinen zijn bedoeld voor meditatie. Ze werden populair door het werk van de monnik Musō Soseki (1275 - 1351). Deze tuinen bestaan voor het grootste deel uit een vlak landschap met kiezelstenen waarin grote rotsblokken zijn geplaats. De kiezelstenen zijn in een patroon geharkt. Ook dit harken is bedoeld als voorbereiding op de meditatie. De tuinen stralen rust uit. Alleen de Zentuin mag je in één keer kunnen overzien. Ze zijn vaak omgeven door een glooiend grasland.
  • De theetuin: Bedoeld voor de Japanse theeceremonie. Deze tuinen bestaan uit een buitenste, een binnenste tuin en een theehuis. Beide tuinen hebben een toegangspoort. In de buitenste tuin worden de gasten ontvangen en wachten ze om binnengelaten te worden. Vervolgens komen ze in de binnenste tuin waar ze zich voorbereiden op de theeceremonie. Hierna gaan ze het theehuis binnen.
  • De wandeltuin: Bedoeld om een wandeling door een landschap te maken. Hier is het principes van miegakure: (verbergen en ontdekken) en Shakkei: (lenen van het landschap) heel belangrijk.
  • De Binnenplaatstuin: Dit is een vreemde eend in de bijt. Doordat de tuin omsloten wordt, worden de principes op een hele andere manier toegepast.
  • De kluizenaarstuin: Deze zijn bedoeld om je in terug te kunnen trekken. Ze werden o.a. aangelegd bij mensen die verstoten waren. De tuinen hebben veel bomen en slingerpaden en zijn omgeven door een heg.

Planten[bewerken]

In een Japanse tuin groeit vooral:

Voorbeelden[bewerken]

In Nederland bevinden zich meerdere Japanse tuinen, bijvoorbeeld:

In België:

In Frankrijk:

  • Jardin Albert-Kahn
  • Parc Botanique de Haute Bretagne
  • Parc oriental de Maulévrier

In de Verenigde Staten: