Kanoet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kanoet
IUCN-status: Gevoelig[1] (2015)
zomerkleed
zomerkleed
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Charadriiformes (Steltloperachtigen)
Familie: Scolopacidae (Strandlopers en snippen)
Geslacht: Calidris (Strandlopers)
Soort
Calidris canutus
(Linnaeus, 1758)
Verspreidings gebied van de kanoet en de diverse ondersoorten
Verspreidings gebied van de kanoet en de diverse ondersoorten
winterkleed
winterkleed
ei
ei
Afbeeldingen Kanoet op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Kanoet op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels
Foeragerende kanoetstrandloper
Grote groep vliegende en lopende kanoeten

De kanoet of kanoetstrandloper (Calidris canutus) is de tweede in grootte van het geslacht Calidris. Het is een forse, vrij gedrongen vogel met korte hals en poten en een middellange snavel.

Beschrijving[bewerken]

De kanoetstrandloper is 23 tot 26 cm lang. De kanoet heeft in zomerkleed een dieporanje gekleurde kop, borst en buik.[2] Het winterkleed is veel minder spectaculair. De vogel is dan grijs van boven, hoewel iedere veer is afgezet door een smal wit randje. Van onder is hij wit, de snavel is donker en de poten grijsgroen. Een goed kenmerk is een wat gestreepte flank.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

De kanoet broedt in het hoge noorden rond de gehele Noordelijke IJszee. Daar kan men hem aantreffen in zijn zomerkleed met dieporanje onderdelen. De broedparen houden onderling veel afstand, gemiddeld broedt er minder dan een paar per vierkante kilometer.[3][4]

's Winters is de vogel te vinden langs de kusten van West-Europa, Noord-Amerika en Zuid-Amerika tot op de zuidpunt, West- en Zuid-Afrika, Australië Nieuw-Zeeland. De vogel zoekt zijn voedsel op stranden en in modder, bijvoorbeeld in waddengebieden en riviermondingen met slikgebieden.

De soort telt 6 ondersoorten:

  • C. c. canutus: het noordelijke deel van Centraal-Siberië.
  • C. c. piersmai: Nieuw-Siberië.
  • C. c. rogersi: Tsjoekotka (oostelijk Siberië).
  • C. c. roselaari: Wrangel (noordoostelijk Siberië) en noordwestelijk Alaska.
  • C. c. rufa: van Zuid-Amerika tot noordelijk Canada.
  • C. c. islandica: de eilanden nabij noordelijk Canada en noordelijk Groenland.

Status[bewerken]

De kanoet heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven gering. De grootte van de populatie werd in 2015 geschat op 891 tot 979 duizend exemplaren; dit aantal gaat achteruit door inpolderingen, verstedelijking, intensieve schelpdiervisserij, olierampen en toenemende recreatie in kustgebieden. Om deze redenen staat deze strandloper als gevoelig op de rode lijst van de IUCN.[1]

Noodzaak tot migratie[bewerken]

De kanoet migreert elk seizoen over grote afstanden, vermoedelijk door de behoefte aan een steriele omgeving.[5]

Koos van Zomeren: "... moeten zich vervolgens hun hele leven verre houden van infectiegevaar. 's Zomers de hygiëne van het koude noorden, 's winters de hygiëne van zout water, zeewater."[6]

Ondersoorten[bewerken]

Er zijn zes ondersoorten, naast de nominaat die in Noord- en Midden-Siberië broedt en aan de kusten van West- en Zuid-Afrika overwintert, zijn er vijf ondersoorten met eigen broedgebieden, trekroutes en overwinteringsgebieden. Zo zijn er de ondersoorten C. c. rogersi en C. c. rufa (westelijk Noord-Amerika) en C. c. islandica (Noordoost-Canada en Groenland) die voornamelijk verschillen in de intensiteit van de rode kleur en verder C. c. roselaari (Noordoost Siberië, vernoemd naar Cees Roselaar, een Nederlandse ornitholoog). Pas in 2001 werd de ondersoort C. c. piersmai beschreven door de Russische onderzoeker Pavel Tomkovitsj. Tomkovitsj vernoemde deze ondersoort naar zijn collega-onderzoeker, de Nederlander Theunis Piersma. Deze ondersoort overwintert in Noordwest-Australië en de Bohaibaai, een waddengebied in China.[7]

Foerageergedrag[bewerken]

Kanoeten hebben op hun trektochten verschillende diëten. Aan de Amerikaanse oostkust eten zij voornamelijk eitjes van degenkrabben, maar eerst en vooral zijn de trekvogels gespecialiseerd in het eten van allerlei schelpdieren. Hun maag is daarop aangepast. Uit studies aan kanoeten die de Waddenzee aandoen om "bij te tanken" bleek dat hun maag zo sterk en gespierd is, dat nonnetjes met schelp en al opgegeten worden om ze daarna te kraken. De verteerde eiwitten worden in lichaamsvet omgezet en dienen als reserve als de kanoetstrandlopers hun lange reis naar Siberië vervolgen.[8]

Externe links[bewerken]