MTU Aero Engines

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
MTU Aero Engines AG
MTU Aero Engines
MTU hoofdkantoor in Munchen
MTU hoofdkantoor in Munchen
Beurs Deutsche Börse: MTX
Oprichting 22 december 1934
Sleutelfiguren Reiner Winkler (CEO)
Klaus Eberhardt (voorzitter RvC)
Hoofdkantoor Vlag van Duitsland München
Werknemers 10.660, waarvan 8935 in Duitsland (31 december 2019)[1]
Producten productie en onderhoud van civiele en militaire vliegtuigmotoren
Omzet/jr 4,6 miljard (2019)[1]
Winst/jr € 488 miljoen (2019)[1]
Marktkapitalisatie € 13,5 miljard (31 dec. 2019)[1]
Website (en) MTU
Portaal  Portaalicoon   Economie

MTU Aero Engines, kortweg MTU, is een Duitse onderneming die zich bezighoudt met de productie en onderhoud van motoren voor civiele en militaire vliegtuigen. De onderneming is gevestigd in München.

Activiteiten[bewerken | brontekst bewerken]

MTU Aero Engines houdt zich bezig met ontwerp, ontwikkeling, productie, marketing en ondersteuning van commerciële en militaire vliegtuigmotoren en stationaire gasturbines. MTU is wereldwijd actief.

Met betrekking tot de vliegtuigmotoren werkt het bedrijf nauw samen met alle grote spelers zoals General Electric, Pratt & Whitney en Rolls-Royce. Het biedt ook MRO-services (Engelse afkorting voor onderhoud, reparatie en revisie) aan voor commerciële vliegtuigmotoren. Het is een belangrijke partner voor de Luftwaffe en onderhoud vrijwel alle vliegtuigmotoren die het Duitse leger gebruikt.

In 2019 werkten er 10.660 mensen verdeeld over vestigingen in 15 landen.[1] In 2019 was de totale omzet 4,9 miljard euro. Hiervan was 1,5 miljard euro gerelateerd aan nieuwe civiele vliegtuigmotoren en € 0,5 miljard voor motoren voor militaire toestellen.[1] De MRO-diensten hebben een aandeel van bijna 60% in de totale jaaromzet. Jaarlijks geeft het bedrijf zo’n 5% van de omzet uit aan R&D.

De aandelen van het bedrijf zijn genoteerd aan de Deutsche Borse. Kort na de beursintroductie werd het aandeel een onderdeel van de MDAX-index, maar in september 2019 verhuisde het naar de belangrijke Duitse aandelenindex, de DAX.[2]

Resultaten[bewerken | brontekst bewerken]

in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven
Jaar[3] Total inkomsten Netto-resultaat Order-portefeuille Medewerkers (×1)
2010 2707 142
2015 4435 218 12.500 8334
2016 4733 313 13.200 8368
2017 3897 359 14.900 8846
2018 4567 453 17.600 9731
2019 4628 488 19.800 10.660

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

In 1913 werd Rapp Motorenwerke door Karl Rapp opgericht met het doel vliegtuigmotoren te produceren. In 1917 werd het overgenomen en ging verder als Bayerische Flugzeugwerke, het latere BMW. In 1934 stootte BMW de fabriek af die zelfstandig verder ging als BMW Flugmotorenbau GmbH. Twee jaar later verhuisde de fabriek naar Allach, een buitenwijk van München. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog produceerde het motoren voor vliegtuigen van de Duitse Luftwaffe (Wehrmacht), waaronder de BMW 801 die werd gebruikt in het Focke-Wulf Fw 190 jachtvliegtuig. In total werden zo’n 30.000 motoren van dit type gefabriceerd.

Aan het einde van de oorlog bezetten Amerikaanse troepen het fabrieksterrein in Allach en werd de productie van vliegtuigmotoren voor een periode van 10 jaar stopgezet. De fabriek werd gebruikt als een reparatiewerkplaats voor voertuigen en artillerie van het Amerikaanse leger.

Op 22 januari 1954 werd de ontwikkeling van vliegtuigmotoren door BMW hervat. In 1957 keerde de BMW-motorproductie terug naar Allach met de productie van Amerikaanse motoren in licentie. Twee jaar later werd de General Electric J79-11A-motor voor de Lockheed F-104 Starfighter voor de Duitse luchtmacht onder licentie geproduceerd. In de jaren zestig volgde de Rolls Royce Tyne-motor voor het Duitse maritieme patrouillevliegtuig Breguet Atlantic en de C-160 Transall militair transportvliegtuig. Het bedrijf ging verder dan de licentieproductie in 1969, toen de ontwikkeling begon van de Turbo-Union RB199-vliegtuigmotor voor de Panavia Tornado gevechtsvliegtuigen in samenwerking met Rolls-Royce en FiatAvio.

Begin jaren zestig kocht MAN de helft van de aandelen in de vliegtuigmotorenfabriek. In 1965 nam MAN de rest van de aandelen ook over en de combinatie ging verder als MAN Turbo GmbH. Voor BMW betekende dit het definitieve afscheid van deze activiteit. In 1969 volgde een volgende stap, met Daimler-Benz Entwicklungsgesellschaft für Turbomotoren GmbH werd een 50/50 joint venture opgericht. De joint venture Motoren- und Turbinen-Union GmbH (MTU) nam alle activiteiten op het gebied van vliegtuig- en dieselmotoren van MAN Turbo en Daimler-Benz over. MTU München bleef verantwoordelijk voor vliegtuigmotoren, terwijl MTU Friedrichshafen zich ging richten op dieselmotoren en gasturbines. De combinatie had in totaal zo’n 11.000 medewerkers.

In 1985 kocht Daimler-Benz het 50%-belang van MAN. MTU München ging daarna onderdeel uitmaken van haar dochteronderneming voor lucht- en ruimtevaart DASA. In 2000 ging DASA op in een samenwerkingsverband met het Europese luchtvaartconcern EADS als resultaat. MTU was hierbij niet betrokken en bleef een onderdeel van inmiddels DaimlerChrysler. In 2003 werd MTU verkocht aan private equity-investeerder Kohlberg Kravis Roberts & Co. (KKR). Twee jaar later bracht KKR al zijn aandelen in MTU naar de Duitse aandelenbeurs. De introductiekoers was 21 euro en de totale opbrengst voor KKR was €1,5 miljard.[2]

In december 2005 verkocht DaimlerChrysler ook de dieselactiviteiten gegroepeerd in MTU Friedrichshafen voor €1,6 miljard aan de Zweedse private-equity groep EQT. Medio 2006 werd het ondergebracht in Tognum, al bleef het onder de eigen naam bekend staan. In juli 2007 ging Tognum naar de aandelenbeurs. In 2011 namen Rolls-Royce plc en Daimler samen Tognum over.[4] Op 26 augustus 2014 had Rolls-Royce alle aandelen in handen.[5] MTU Friedrichshafen werd een onderdeel van de divisie Rolls-Royce Power Systems.

Vanwege de coronapandemie in 2020 wordt er minder gevlogen waardoor het bedrijf een deel van haar omzet zag verdwijnen. In juni 2020 maakte MTU bekend dat een deel van de werkgelegenheid zal verdwijnen. Het bedrijf verwacht per jaareinde 2021 een reductie van het aantal arbeidsplaatsen met 10-15%.[6]