Natiestaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Natie-staat)
Ga naar: navigatie, zoeken

De term natiestaat wordt wel gebruikt om aan te geven dat binnen een staat één natie (dominant) aanwezig is en dient om een soeverein territorium te bieden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit. Binnen deze staat leven mensen met een andere nationale of etnische identiteit als een minderheid; en buiten de staatsgenzen vormen degenen die tot de eigen natie behoren op hun beurt minderheden. Het bereiken van een natiestaat wordt meestal gezien als het einddoel van een nationale staatsordening zoals in het 19de eeuwse nationalisme nagestreefd werd. Dit nationalisme was tevens een uitdrukking van de politieke emancipatie van 'het volk' tegenover de macht van de toenmalige, deels nog feodale, bovenlaag. Deze maatschappelijke bovenlaag nam, toen de aantrekkingskracht van de emancipatiebeweging bleek, en vooral na de democratische revoluties in het jaar 1848, gaandeweg het voortouw over in de nationalisering van de door hen gedomineerde samenleving.

Over de vraag wat de natiestaat primair bepaalt, worden grofweg twee visies aangehangen waarin verschillend gedacht wordt over de oorsprong en vorm van de natiestaat

  1. Natiestaat als culturele gemeenschap, een visie die zich in Midden-Europa heeft verwezenlijkt;
  2. Natiestaat als politieke gemeenschap, een visie die berust op de vestiging van de Franse Republiek, na de Grote Revolutie (1790-1810).

Hedendaagse natiestaten[bewerken]

Volwaardige natiestaten[bewerken]

In de hedendaagse wereld zijn slechts weinig landen die volledig aan de voorwaarden voldoen om een natiestaat te zijn. Eilandnaties, zoals IJsland, komen hier meestal het dichtst bij, aangezien zij een natuurlijke grens hebben en er geen andere bevolkingsgroepen op hetzelfde eiland leven.
Nederland en Vlaanderen zijn wat de autochtone bevolking betreft een twijfelgeval; sommigen menen dat de Vlamingen taalkundig, historisch en cultureel met de Nederlanders in één historische natie verbonden zijn.

'Halve' natiestaten[bewerken]

De nationale staten die na de Eerste Wereldoorlog in Midden-Europa werden gevestigd, waren halve natiestaten in die zin dat zij zeer grote minderheden van een andere etnische, of pregnanter een andere nationale, signatuur omvatten. De daaruit voortvloeiende instabiliteit droeg bij tot de Tweede Wereldoorlog die in de regelingen van Potsdam (1945), omwille van een blijvende vrede, werd besloten met een massale etnische en nationale zuivering van die bevolkingsgroepen welke niet pasten bij het nationale karakter van de betrokken staten. Zie daarvoor etnische zuivering. Nog steeds streven halve of zwakke natiestaten naar een versterking van het nationale verband met een assimilatiepolitiek ten aanzien van hun minderheden.

Geen natiestaat?[bewerken]

Veel landen op de wereld voldoen niet aan de strikte definitie-eisen om een natiestaat te zijn; China of Rusland bijvoorbeeld hebben vele minderheden binnen hun grenzen wonen die zeer verschillen van de in die landen dominante volken. Niettemin streven ook die staten naar een dominante nationale cultuur, zoals blijkt uit hun assimilatiepolitiek. Dichterbij zijn er de spanningen in België waar drie, met verschillende nationaliteiten verbonden, culturen en talen (Nederlands, Frans en Duits) in één staat functioneren. Die spanningen worden voorlopig gereguleerd met een federalisering waarin de eenheidstaat is opgelost in autonome gebieden (pseudo-natiestaten) elk met zijn eigen dominerende taal en cultuur. Die spanningen groeien recentelijk ook in natiestaten welke lage tijd nationaal betrekkelijk homogeen waren maar waarbinnen dat dominante nationale karakter tengevolge van immigratie, internationalisering en globalisering onder druk komt te staan.

Zie ook[bewerken]