Nederlanders

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: Zie overlegpagina
Dit sjabloon is geplaatst op 14 januari 2016.
Vraagteken
Nederlanders
Bekende Nederlanders
Bekende Nederlanders
Verspreiding Vlag van Nederland Nederland:
   > 15.717.024 (2008)[1]

  (waarvan 1.047.331 tevens met een andere nationaliteit) (2007)[2]

Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten:
   5.087.191 (2004[3])
Vlag van Zuid-Afrika Zuid-Afrika:
   ± 5.000.000
Vlag van Canada Canada:
   923.310 (2001[4])
Vlag van Australië Australië:
   268.754 (2001[5])
Vlag van Duitsland Duitsland:
   ± 200.000
Vlag van België België:
    137.780 (2011)[6]
Vlag van Noorwegen Noorwegen:
   ± 100.000
Vlag van Frankrijk Frankrijk:
   ± 100.000-1.456.937
Vlag van Nieuw-Zeeland Nieuw-Zeeland:
   ± 50.000
Vlag van Spanje Spanje:
   ± 45.000
Vlag van Denemarken Denemarken:
   ± 27.000
Vlag van Turkije Turkije:
   ± 20.000
Vlag van Marokko Marokko:
   ± 500 - 1.500
Rest van de wereld:
   ± 500.000

Taal Nederlands
Geloof Rooms-katholiek, protestants, onkerkelijk.
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken
Europese geschiedenis in Zuid-Afrika

Charles Bell - Jan van Riebeeck se aankoms aan die Kaap.jpg

Van
VOC Tussenstation (1652)
tot en met de
Republiek Zuid-Afrika (heden)


Vlag van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie Vlag van Nederland Vlag van de Bataafse Republiek Vlag van Republiek Natalia Vlag van Oranje Vrijstaat Vlag van Transvaal
Vlag van Kaapkolonie Vlag van kolonie Oranjerivier Vlag van kolonie Transvaal Vlag van Zuid-Afrika 1912-1928
Vlag van Zuid-Afrika 1928=1994 Vlag van Zuid-Afrika
..Naar chronologie
  • Brits Zuid-Afrika (1806-1910)
  • Onafhankelijkheid (1931-heden)

Portaal  Portaalicoon  Zuid-Afrika
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Nederlanders (Nederlander, het Nederlandse volk) zijn de inwoners van Nederland. Zij vormen sinds 1795 toen de Nederlandse staat ontstond een Europees volk. Het begrip Nederlands kent meerdere definities. Sommige hiervan staan los van elkaar, andere zijn verwant of deels overlappend. Hieronder worden deze verschillende begrippen gedefinieerd, waarna het artikel zich meer verdiept in de Nederlandse etniciteit.

Nederlandse nationaliteit[bewerken]

De Rijkswet op het Nederlanderschap regelt wie Nederlander is. Gelijkwaardige termen zijn Nederlands staatsburger, Nederlands onderdaan (maar zie ook onder), en iemand met de Nederlandse nationaliteit.

In de meeste andere landen (bijvoorbeeld België of Spanje) wordt het woord nationaliteit, of een vertaling van dat woord, meer gebruikt voor een begrip dat dichter bij etniciteit ligt. In Nederland wordt het staatsburgerschap in de regel verkregen door geboorte. Hoofdregel van de Rijkswet op het Nederlanderschap is een beperkte toepassing van jus sanguinis: iemand is Nederlander, als op het moment van geboorte een van de ouders Nederlander is. Daarnaast kan het staatsburgerschap ook door naturalisatie worden verkregen. Men kan het Nederlands staatsburgerschap verliezen wanneer men vrijwillig het staatsburgerschap van een ander land aanneemt. Dienst nemen in een vreemde krijgsmacht kan eveneens tot verlies van de Nederlandse nationaliteit leiden, indien daarbij tevens krijgshandelingen tegen het Nederlandse belang zijn gericht. Dat men bij een veroordeling tot een gevangenisstraf het staatsburgerschap zou kunnen verliezen was een misverstand, dat berustte op verwarring met de straf van ontzetting uit het kiesrecht, waartoe men wél veroordeeld kan worden. Door veranderde wetgeving kan in het geval van zware misdrijven (of zelfs bij verdenking daarvan) het staatsburgerschap wel worden ontnomen; dit geldt in de praktijk voor Nederlanders die bij de strijd in Irak/Syrië aan de kant van Islamitische Staat meevechten.

Onderdaanschap[bewerken]

Nederlanders zijn tevens Nederlands onderdaan. Het omgekeerde geldt tegenwoordig ook, maar in het verleden waren er Nederlandse onderdanen die geen Nederlander waren.

In voormalig Nederlands-Indië gold dit voor inlanders. Dit was geregeld in de Wet op het Nederlands onderdaanschap (Wet van 10 februari 1910, Stb. nr. 55). In 1927 werd deze ook van toepassing op Suriname en Curaçao en Onderhorigheden. Vanaf 1949 was deze niet meer van toepassing op het zelfstandig geworden Indonesië, maar nog wel op Nederlands-Nieuw-Guinea. Na de invoering van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in 1954 waren er alleen nog onderdanen-niet-Nederlanders in Nederlands-Nieuw-Guinea. Na de overdracht aan Indonesië in 1962/'63 was er geen apart begrip "onderdaan" meer.

Na de politionele acties en de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 kreeg Nederland te maken met een grote groep Molukkers die staatloos waren. Doordat zij in het KNIL gediend hadden aan de zijde van de Nederlanders, konden zij niet in Indonesië blijven. In Nederland echter wilden zij de Nederlandse nationaliteit niet aannemen, omdat zij wilden vasthouden aan een terugkeer naar de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken. In 1976 werd door middel van een speciale wet (Wet betreffende de positie van Molukkers) geregeld dat de Molukkers recht hadden op een Nederlands paspoort, maar zij hun staatloosheid niet hoefden op te geven.

Het begrip onderdaan wordt nog wel gebruikt in internationaal verband, bijvoorbeeld in de term gemeenschapsonderdaan.

1rightarrow blue.svg Zie ook: Nationaliteit

Nederlandse volk[bewerken]

Met volk kan, afhankelijk van context, zowel naar de Nederlandse natie (dat wil zeggen de gehele bevolking van Nederland) of mensen met de Nederlandse etniciteit verwijzen. Hoewel het woord in de omgangstaal vrij vaak voorkomt wordt de term in het wetenschappelijk veld doorgaans gemeden vanwege de onduidelijke en vaak vage betekenis.

Nederlandse natie[bewerken]

Het begrip natie is abstract, en werd geïntroduceerd tijdens het tijdperk van het Romantisch Nationalisme aan het eind van de 18e eeuw. Een natie kan bestaan uit vrijwel één enkele etniciteit, Japan en IJsland zijn moderne voorbeelden, of meerdere, waarbij gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de Volksrepubliek China of de Verenigde Staten. Vaak is het zo dat één ethnos cultureel (vaak inclusief taal) dominant is.[7] Ook in Nederland bestaat de natie uit meerdere etniciteiten, waarbij de Nederlandse het meest dominant is. Voor een persoon behorende tot de dominante etniciteit binnen een natie zijn de scheidslijnen tussen zijn of haar natie en etniciteit vaak moeilijk te onderscheiden, wat voor begripsverwarring kan zorgen. In tegenstelling tot etniciteit, legt het begrip natie meer de nadruk bij een land of staat. Een Fries bijvoorbeeld, voelt zich doorgaans een volwaardig lid van het Nederlandse volk (natie), maar kan zich tegelijkertijd ook tot het Friese volk (etniciteit) rekenen.

Naties zijn een betrekkelijk nieuw verschijnsel. De sleutel tot natievorming is de stabiliteit van een staat, en de (mogelijkheid tot) interactie tussen zijn inwoners. Het Europa van de middeleeuwen, waar gebieden constant van eigenaar wisselden en de interactie tussen de verschillende onderdanen ontbrak, was bijvoorbeeld ongeschikt voor het ontstaan van naties.

Autochtone Nederlanders[bewerken]

Soms wordt met de term Nederlander gedoeld op een autochtone inwoner van Nederland, dus een persoon die in Nederland geboren is. Dit gebruik van het woord komt zowel onder allochtone als autochtone Nederlanders voor. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze betekenis eigenlijk meer verwantschap heeft met het begrip (Nederlandse) etniciteit en deze term wordt dan ook in de omgangstaal ook wel gebruikt in zin van mensen behorende tot de Nederlandse etniciteit, hoewel dit niet geheel correct is. De termen autochtoon en allochtoon zijn politiek van aard; en een autochtoon is niet per se een etnisch Nederlander, en omgekeerd.

Nederlandse etniciteit[bewerken]

De Nederlandse etniciteit is in de loop der eeuwen voortgekomen uit het opbouwen van een gezamenlijke cultuur op ruwweg het huidige grondgebied van de Nederlandse staat. Doorgaans worden mensen met de Nederlandse etniciteit simpelweg Nederlanders genoemd. Dat kan verwarring scheppen met de term in de zin van 'Nederlands staatsburgers'.

Nederlanders (in etnische zin) zijn onderling verbonden door een vermeende gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, taal en afstamming, al moet worden opgemerkt dat gemeenschappelijk hierin geen synoniem is van identiek. Etniciteit is niet aan de Nederlandse landgrenzen gebonden. Problematisch is in dit verband de vraag of de Nederlandse etniciteit zich ook uitstrekt tot de Nederlandstalige inwoners van het huidige België dat sinds 1839 een apart land vormt maar waar wel het Nederlands een van de standaardtalen is.

Geschiedenis[bewerken]

Vorming Nederlandse etniciteit[bewerken]

Prehistorie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie relatieve verwantschap tussen volken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Een voorbeeld van genetische variatie in Nederland

Al in de Oude Steentijd is Nederland door mensen bevolkt geraakt. De oudste mensen waarvan op Nederlands grondgebied vondsten zijn gedaan, waren de Neanderthalers. Het is omstreden in hoeverre de huidige bevolking hiervan nog afstamt. Nog in dit Paleolithicum kwam 35.000 jaar geleden de moderne mens West-Europa binnen, vermoedelijk als kleine groepen jager-verzamelaars. Zo'n zevenduizend jaar geleden, in de Nieuwe Steentijd, drong de landbouw in onze streken door, wellicht van Klein-Azië uit. Het is een wetenschappelijk twistpunt of dit slechts gebeurde door cultuuroverdracht, of dat in het Neolithicum de Klein-Aziatische boeren zelf meekwamen. Meestal wordt aangenomen dat beide verschijnselen zich voordeden. Vooral aan de kusten van Noordzee en Oostzee zouden de jager-verzamelaars zich hebben weten te handhaven. Dat blijkt namelijk door genetisch onderzoek naar haplogroepen. In oktober 2008 is bij voorbeeld een onderzoek onder diverse groepen scholieren naar de genetische oorsprong van de huidige Nederlanders gedaan: "Het Genoom van Nederland". Daaruit bleek dat ongeveer driekwart een noordelijke groep vertegenwoordigde en een kwart een zuidelijke groep.[8] Dat geeft een mogelijke indicatie voor het aandeel van de jager-verzamelaars en de immigrerende boeren in het voorouderschap van de huidige populatie Nederlanders.

Oudheid en vroege middeleeuwen[bewerken]

De vorming van de Nederlandse etniciteit, zoals bij alle etniciteiten, was er een van geleidelijke ontwikkeling. Vaak laat men dit proces aan het einde van de Grote Volksverhuizing beginnen, met de komst van de Franken in, en hun kolonisering van, de Lage Landen. Ze vermengden zich met de eerdere bewoners van de Lage Landen die niet wegvluchtten voor de Franken, zoals Batavieren, Friezen, Saksen en geromaniseerde Kelten en Romeinse kolonisten. Meestal waren die laatsten veteranen uit het Romeinse leger, afkomstig uit het hele Romeinse Rijk, die na hun diensttijd hier bleven wonen.

De Frankische invasie

Ten tijde van de volksverhuizing en de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk vormen de Franken, die zelf ook bestonden uit een verzameling van vele stammen, geen duidelijk onderscheidbare cultuur ten opzichte van de vele andere Germaanse stammen. De eerste ontwikkeling die nu nog kan worden nagegaan was die van de taal. Tijdens de volksverhuizingen trok een veelvoud van stammen door Europa, waarbij verschillende (sub)stammen zich constant bij andere aansloten of hiervan afsplitsten. Voor de Germaanse oertaal hield dit in dat de hoge mate van wederzijdse verstaanbaarheid tussen de verschillende dialecten in stand bleef. Dit begon te veranderen toen de Franken, en vele andere stammen, hun seminomadische bestaan opgaven en zich permanent gingen vestigen. De interactie, en daarmee de vermenging van cultuur en taal, tussen de Germaanse stammen werd minder. Onder hun dialecten kunnen we de voorlopers aanwijzen van de veel latere standaardtalen. Die oude dialectgroepen duidt men daarom aan als Oudfries, Oudengels, Oudsaksisch, Oudhoogduits — hoewel in de vroege middeleeuwen zelf op het continent nog geen Germaanse standaardtalen bestonden. Onder de Salische Franken ontstaat de dialectgroep van het Oudnederfrankisch, en de westelijke dialecten daarvan noemt men wel het Oudnederlands omdat ze een belangrijke bijdrage zouden leveren aan de ontwikkeling van de Nederlandse standaardtaal.

De Nederfrankische dialecten (licht roze) vorm(d)en de meest westelijke zone van de West-Germaanse dialecten

Een belangrijke bijkomende ontwikkeling van het permanent vestigen van de Franken is het uiteenvallen van de stammenstructuur. Ze namen zo veel mogelijk de oude Romeinse technologie en wijze van bestuur over. Men verliet zo het oorspronkelijke tribalisme en ging uiteindelijk over op het feodalisme, dat gebaseerd was op een contractdenken. Dit zou weer een factor zijn in de latere ontwikkeling van het kapitalisme dat zo typerend is voor de Nederlandse cultuur. Het feodale systeem stond ten dele haaks op de ontwikkeling van een aparte etniciteit. Heersers waren niet langer traditionele stamleiders maar wisten door verovering en in toenemende mate koop, huwelijk en vererving heerlijke rechten te verkrijgen over ver uiteen gelegen domeinen, waarvan de lokale bewoners nauwelijks een gezamenlijke identiteit hadden. Zo ontstond in West-Europa een internationale adel met edelen die een sterke band hadden met elkaar doch een zwakke band met hun onderdanen. Dit sloot aan bij de vorming, al tijdens het Romeinse Rijk, van een intellectuele bovenlaag van geestelijken, de Katholieke Kerk.

Kerstening[bewerken]

Een belangrijke stap van Germaanse Franken naar Nederlanders ligt in hun kerstening. De Frankische koning Clovis I bekeerde zich al in 498 in Reims tot het christendom en dan niet tot het Arianisme zoals bij veel andere Germaanse stammen maar de "orthodoxe" richting van de Kerk van Rome. Hierdoor konden de Frankische koningen het bestuursapparaat van de kerk inzetten. Dit leidde tot een zekere continuïteit met de Romeinse beschaving. Er bleven personen bestaan die konden lezen en schrijven, werken uit de Klassieke Oudheid bleven bewaard in kloosters en het Latijn was de schrijftaal waardoor de huidige Nederlandse schrijftaal nog steeds het Latijnse alfabet gebruikt.

Het rijk van Clovis I

De nauwe banden tussen adel en geestelijkheid kwamen al snel neer op een soort "eenheid van Kerk en Staat". Aanvankelijk was het christendom een zaak van de Frankische elite. Tot begin 8e eeuw zijn er op het platteland van de gouw Toxandrië, ongeveer het huidige Noord-Brabant en destijds Frankisch kerngebied, sporen van een Germaanse geloof te vinden. Karel de Grote streefde echter naar een uniforme religie in zijn rijk. Toen hij eind achtste eeuw de Saksen onderwierp, werd hun veelgodendom met militair geweld systematisch uitgeroeid. Desalniettemin bleven elementen van de Germaanse religie bewaard, zoals de namen voor de weekdagen die in het Nederlands, op zaterdag na, allemaal stammen uit de Germaanse mythologie. Vaak is, hoewel de waarheid daarvan door gebrek aan bronnen lastig valt vast te stellen, aan plaatselijke gebruiken, volksverhalen of feesten een Germaanse of zelfs Keltische oorsprong toegedicht.[9]

Het christendom zou een diepgaande invloed hebben op de cultuur en vooral de ethiek. De seksuele moraal werd strikter door een verbod op incest, polygamie, overspel en echtscheiding. Minder succes zou de kerk hebben in het terugdringen van geweld door het uitdragen van de christelijke leer van naastenliefde en pacifisme. Weliswaar werd er overal een eind gemaakt aan bij de oude Germanen nog gangbare mensenoffers, maar de middeleeuwse samenleving bleef zeer gewelddadig en oorlogszuchtig. Tot de jaren zestig van de twintigste eeuw, toen een snel proces van secularisatie inzette, was de christelijke cultuur dominant en vonden maatschappelijke veranderingsprocessen plaats in de context van een ontwikkeling van deze cultuur. Tijdens de Reformatie kwam uit het katholicisme het protestantisme voort en dat leidde tot godsdienstoorlogen die ook de Nederlandse staat zouden voortbrengen.

Late Middeleeuwen[bewerken]

De domeinen van Philips de Goede

Tot de late middeleeuwen waren de ontwikkelingen in de Lage Landen niet fundamenteel afwijkend van die in de rest van het Frankische Rijk. In de twaalfde eeuw echter begon zich door een samenspel van economische en politieke processen in de Nederlanden een duidelijk eigen etniciteit te ontwikkelen. Al in de Romeinse tijd waren er in dit gebied steden geweest, de grootste Tongeren. Tijdens de vroege middeleeuwen waren die klein, maar eerst in het Graafschap Vlaanderen en daarna in het Hertogdom Brabant en het Graafschap Holland, begon rond 1100 een steeds sterkere verstedelijking. Oude steden groeiden en veel nieuwe steden werden gesticht. Binnen enkele eeuwen waren de Nederlanden het meest geürbaniseerde gebied in Europa, op Italië na. Dit was mogelijk door een enorme groei van de handel. Er ontstond naast adel, kerk en boeren een nieuwe klasse, de stedelijke burgerij ofwel bourgeoisie. De stedelijke samenleving was meer egalitair, streefde naar consensus en was vrij tolerant tegenover vreemdelingen teneinde de handel niet te schaden. Er kwam een geïnstitutionaliseerde armenzorg tot stand. De hoge bevolkingsdichtheid en het grote onderlinge contact binnen de cluster van steden in Vlaanderen, Brabant en Holland leidde tot de ontwikkeling van een gemeenschappelijke standaardtaal, eerst met als centrum Brugge, later Antwerpen. Dat laatste maakt ook het vroegmiddeleeuwse Nederfrankisch een meer eenduidige voorloper van het Nederlands: Brugge ligt in Westvlaams gebied met een Saksisch substraat terwijl er in Holland een Fries substraat is.

In de negende eeuw was het Frankische Rijk gespleten en de Lage Landen waren verdeeld geraakt over West-Francië dat Frankrijk werd en Oost-Francië, het latere Heilige Roomse Rijk waaraan de keizerstitel verbonden was. Als rijke grensgebieden wisten de gewesten een hoge mate van politieke zelfstandigheid te bereiken ten opzichte van de keizer en de Franse koning. Men richtte zich cultureel het meest op het toonaangevende Franse hof maar had ook nauwe banden met Engeland. In de vijftiende eeuw verwierf Philips de Goede, de hertog van Bourgondië die Vlaanderen en het Graafschap Artesië geërfd had, ook nog Brabant, Holland, het Graafschap Henegouwen, het Graafschap Zeeland, het Hertogdom Limburg en het Hertogdom Luxemburg, aldus de belangrijkste Nederlanden in een min of meer aaneengesloten gebied onder één heer brengend.

Bij de Bourgondische Kreits is min of meer de oostgrens van het huidige Nederland herkenbaar

Toch is het problematisch uit het samenvallen van een ontluikende etniciteit met een zekere politieke eenheid te concluderen dat er nu al een Nederlands volk aanwezig was. De mensen zagen zichzelf in die tijd, ook in de kerngewesten, niet als Nederlanders maar als Vlamingen, Brabanders of Hollanders. Het Bourgondische machtsgebied was niet simpelweg een voorloper van de huidige Nederlandse staat maar omvatte ook het gebied van het tegenwoordige België, Luxemburg en Noord-Frankrijk. Philips de Goede had evenveel Franstalige als Germaanse streken onder zijn heerschappij en zijn hof in Brussel sprak Frans. Het standaardnederlands was een schrijftaal die door de stedelijke burgerij voor administratieve doeleinden ingezet werd. Diezelfde burgerij sprak het oude plaatselijke dialect, net als de vele boeren buiten de stad. De kerk gebruikte het Latijn als schrijftaal. Daarbij was er geen duidelijke scheiding met oostelijker gebieden. De culturele invloed op Friese of Nedersaksische streken was beperkt, het zij dan dat door de handelscontacten met de Hanze het standaardnederlands en de Hanzetaal van Bremen, Hamburg en Lübeck elkaar sterk beïnvloeden. Direct ten zuidoosten van de Nederlanden was er rond Keulen een derde taalstandaard ontstaan, het Hoogduits, in feite voornamelijk op Middelduitse dialecten gebaseerd en met grote invloed in Limburg, de Keulse expansie. De verschillende etniciteiten hadden zich aldus nog lang niet geconsolideerd en politieke ontwikkelingen in de zestiende eeuw zouden bepalen wat de uitkomst zou zijn van deze dynamische situatie.

De Republiek[bewerken]

De Unie van Utrecht

Er ontstond in de Nederlanden een grote spanning tussen de processen van verstedelijking en politieke eenwording. De rijke steden wilden zoveel mogelijk hun eigen belang dienen en vrij zijn van overheidsbemoeienis. De landsheer echter wilde het oude systeem van "beden" waarin hij steeds politieke concessies moest doen om geld te krijgen, vervangen door een gecentraliseerd, dus bovengewestelijk, bestuur en belastingheffing. In 1512 en 1548 werden de Nederlanden zoveel mogelijk van het Heilige Roomse Rijk losgemaakt in een Bourgondische Kreits. Daarin lag al een begin van afscheiding van een oostelijker "Duitse" etniciteit. Dergelijke spanningen deden zich in die tijd overal in West-Europa voor, maar werden in de Nederlanden verhevigd door het feit dat de gebieden geërfd waren door de Habsburgers die een enorm imperium bestuurden waarin ze maar weinig oog konden hebben voor de speciale doelstellingen van ieder gewest. Daarbij hadden ze steeds meer fondsen nodig om te strijden tegen Duitse staten die over waren gegaan op het Lutheranisme. Dit protestantisme wilden de Habsburgers in eigen landen de kop indrukken maar de steden in de Nederlanden waren onwillig om de eigen burgerij voor ketterij te vervolgen, ook omdat die burgers intussen vaak over waren gegaan op de radicale protestantse richting van het calvinisme.

De Republiek

In 1566 ontlaadden de spanningen zich in de Beeldenstorm, een golf van gewelddadige onlusten gericht tegen de katholieke kerk. De toenmalige landsheer, Philips II van Spanje, wilde alle verantwoordelijken streng straffen, waaronder de adel maar dat lokte een militaire opstand uit. In 1572 veroverde een groep calvinistische kapers, de Watergeuzen, een deel van Holland dat zo het kerngebied wordt van De Opstand. In 1576 leek het er in de Pacificatie van Gent even op dat er een vredesregeling voor de hele Nederlanden getroffen zou kunnen worden maar in 1579 scheidden de noordelijke gewesten zich de facto af in de Unie van Utrecht. Zo ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. In 1648 werd die in de Vrede van Münster formeel afgescheiden van het Heilige Roomse Rijk met een grondgebied dat, op Limburg na, ruwweg overeenkwam met de moderne Nederlandse staat.

De jonge Republiek had zich binnen enkele generaties weten op te werken van een bedreigde guerrillabasis tot het per capita rijkste land ter wereld. De trotse en zelfbewuste bevolking voelde zich nu expliciet deel van een aparte etniciteit. Dat gevoel werd gerechtvaardigd door er een antieke afkomst bij te verzinnen. Algemeen geloofde men in de Bataafse mythe: dat men afstamde van de Batavieren, waarvan men de heldendaden tegenover een Romeinse bezetter had kunnen nalezen bij Tacitus. De stedelijke cultuur werd versterkt door de dominantie van het calvinisme dat een democratisch kerkbestuur kende, en ijver, properheid en spaarzaamheid voorstond, die nu als typisch Nederlandse deugden werden gezien. De taalkundige eenheid werd vergroot door de nieuwe Statenbijbel die aan alle gewesten een overkoepelende standaard bood die zeer invloedrijk was omdat de meeste calvinistische kinderen leerden lezen en schrijven. Tegelijkertijd gebruikten de Nedersaksische staten ten oosten van de Republiek meestal de Bijbelvertaling van Maarten Luther die in het Hoogduits geschreven was zodat hiermee een sterkere etnische tegenstelling ontstond.

Ook in de Republiek vormden etniciteit en staatsverband echter geen onproblematische eenheid. Om te beginnen was dat staatsverband nog heel los. Men was immers tegen de Habsburgers in opstand gekomen om de oude feodale vrijheden te beschermen tegen een centraal staatsgezag. Er was geen eenheidsstaat maar slechts een confederatie van soevereine gewesten met ieder hun eigen bestuur, wetgeving en munten. Er waren geen staatsburgers: men was poorter van een bepaalde stad. De armen, het stedelijk proletariaat, waren meestal geen poorters en vaak ook uitgesloten van en door de gilden. Ook boeren hadden geen burgerrechten en waren soms nog horigen. Hoewel de invloed van de adel beperkt was, had die toch nog allerlei privileges. Het calvinisme had feitelijk de positie van een staatsgodsdienst en ofschoon de katholieken, een derde van de bevolking, slechts licht vervolgd werden, hadden ze toch te lijden onder een systematische discriminatie. De katholieken woonden voor een groot deel in de Generaliteitslanden die als wingewesten behandeld werden.

Gebieden die ooit deel waren van het koloniaal rijk

Binnen dit geheel van tegenstellingen was er één beslissende eenheidsfactor: de grote dominantie van het gewest Holland dat wegens zijn rijkdom zijn politieke wensen en cultuur kon opleggen aan de andere gewesten. De Nederlandse republiek zou zo in de zeventiende en achttiende eeuw steeds meer een Hollandse identiteit krijgen. Dat dit niet eenvoudigweg neerkwam op een Hollandse etniciteit, werd verhinderd door het feit dat de cultuurcentra in Holland de steden waren. Een grote stroom Vlaamse en Brabantse vluchtelingen had zich daar op het eind van de zestiende eeuw gevestigd wat de positie van de gemeenschappelijke Nederlandse standaardtaal versterkte. Antwerpen was het handelscentrum van de Nederlanden en daarmee heel Noordwest-Europa geweest; na de Val van Antwerpen in 1585 verplaatsten de kooplui hun activiteiten naar Amsterdam, vanwaar ze een nieuw handelsnetwerk opbouwden dat al snel de hele wereld bestreek. Het internationale karakter van dit project kwam tot uitdrukking in een toestroom van kapitaalkrachtige groepen zoals de Sefardische Joden en de Franse hugenoten maar ook door een gestage instroom van arme arbeidsmigranten uit het Heilige Roomse Rijk, Scandinavië en Polen. Tijdens het bestaan van de Republiek immigreerden een miljoen mensen op een totale bevolking van zo'n twee miljoen. Bij de opbouw van het handelsnetwerk werd een Nederlands koloniaal rijk veroverd. Dit leidde weer tot emigratie vanuit de Republiek naar deze koloniën en de stichting van volkszettingen met althans ten dele een Nederlands etnisch karakter. De etniciteit overschreed nu dus de Europese grenzen van de Republiek.

Gebieden ten oosten van de Republiek waar Nederlands de standaardtaal was

Die politieke grenzen vielen echter ook niet simpelweg met de geografische begrenzing van de etniciteit samen. Naar het westen toe waren er zeer intensieve contacten met Engeland in een mate dat men wel spreekt van een gemeenschappelijke Anglo-Dutch culture. In 1651 stelde Oliver Cromwell zelfs voor beide landen samen te voegen. In 1688 veroverde Stadhouder Willem III, de kleinzoon van de Britse koning Karel I, Engeland in de zogenaamde Glorious Revolution. De zuidgrens was niet meer dan de toevallige wapenstilstandslijn van 1648, die de gewesten Vlaanderen, Brabant, Gelre en Limburg in tweeën kapte. Dat zou tot een blijvende ambiguïteit leiden: bestond de Nederlandstalige bevolking ten zuiden van de grens uit Nederlanders? Of hadden ze een andere etniciteit omdat ze katholiek waren, onder Spaans of Oostenrijks bestuur stonden en geen Bataaf waren? De grenslijn sloot een belangrijke groep uit die eerder zonder meer als deel van de Nederlanden was beschouwd: de inwoners van de Franstalige gewesten. Maar ze sloot niet de Franse taal uit. Die zou steeds meer invloed krijgen, niet alleen in de Zuidelijke Nederlanden maar ook in de Republiek. Frans verdrong niet alleen geleidelijk het Latijn als taal van de wetenschap, het werd ook de omgangstaal, in woord niet minder dan geschrift, van de elite. Zeker zo ambigu als de zuidgrens was de oostgrens. Gebieden die geen Habsburgs bezit waren geweest, bleven deel uitmaken van het Heilige Roomse Rijk. Er was een reeks enclaves zo ver westelijk als IJsselstein. Hoewel het Hoogduits de Hanzetaal en het Opperduits als standaardtalen verdrong, had het concurrentie van het Nederlands. Gebieden in de invloedssfeer van de machtige en rijke Republiek, zoals Oost-Friesland, het Graafschap Bentheim en het Hertogdom Kleef zouden tot in de negentiende eeuw het Nederlands als standaardtaal gebruiken.

In de loop van de achttiende eeuw werd het oude feodale stelsel steeds meer als een keurslijf ervaren. Men voelde zich in de Republiek in toenemende mate deel uitmaken van één volk waarbij een eenvormige wetgeving en bestuur zou passen. Twee politieke bewegingen poogden met dat doel het systeem te hervormen. De patriotten streefden, zoals hun naam al aangeeft, naar een "vaderland" waarvan allen staatsburger zouden zijn. De orangisten wensten een krachtig centraal gezag onder leiding van de Friese tak van het Huis van Oranje die sinds 1747 de erfstadhouders leverde voor de Republiek als geheel. In de praktijk kwam van die doelen weinig terecht. De patriotten vonden de stadhouder te absolutistisch en beriepen zich weer op oude feodale vrijheden. Daarbij behoorden ze tot een klasse, de lagere bourgeoisie, waarvan het hoofdmotief was om de macht over te nemen van de gevestigde stadsbestuurders, de regenten. Hun conflict met de orangisten, die door de armen en boeren gesteund werden, leidde tot een opstand en uiteindelijk tot een militaire interventie door het Koninkrijk Pruisen ten gunste van de stadhouder: de Pruisische inval van 1787. Terwijl de Republiek in het rampjaar 1672 nog grotendeels op eigen kracht een aanval van Engeland en Frankrijk had kunnen afslaan, was het verarmde landje nu een speelbal geworden van de internationale politiek. Het had na de nederlaag in de Vierde Engels-Nederlandse oorlog de koloniën mogen houden om op het continent als een Brits steunpunt te fungeren tegen Frankrijk.

Op het eind van de achttiende eeuw begon zich ook de moderne wetenschap te ontwikkelen. Daarbinnen werd voor het eerst kritisch gereflecteerd op de aard van de Nederlandse etniciteit. De patriot Willem Anthonie Ockerse publiceerde tussen 1788 en 1797 zijn Ontwerp tot eene algemene characterkunde. Ockerse baseerde zich daarin op gedachte van de bloedzuiverheid. Het was hem bekend dat er in de Hollandse steden veel immigranten woonden. Dat zou geleid hebben tot "vermenging van bloed" en de "gevaarlijkste graad van volksverbastering" waardoor de Nederlanders de "Apen van Europa" waren geworden.[10] Deze term verwijst naar de oude misvatting dat apen een soort gedegenereerde mensen zijn. Gelukkig had het onbedorven platteland nog zijn pure Bataafse aard behouden — Ockerse bleef dus nog hangen in de Bataafse mythe.

Cultuur[bewerken]

De Nederlandse cultuur kent vele facetten. Van architectuur tot instelling/ethiek van religie tot traditionele of vaak voorkomende gerechten.

Taal[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Nederlands voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Taal is een belangrijk, maar niet-essentieel bindmiddel binnen etnische groepen. De Nederlanders spreken in hoofdzaak een Germaanse taal. Doordat Nederland een nationale staat is waarbij de eenheidsstaat wordt versterkt door het bestaan van een standaardtaal, worden de meeste streektalen traditioneel als dialecten van het Nederlands beschouwd, hoewel ze zuiver taalkundig gezien tot het grote geheel der West-Germaanse dialecten behoren — waarvan de onderverdeling niets met de staatsgrenzen van doen heeft — en er tot in de negentiende eeuw een volmaakt dialectcontinuüm bestond met de Duitse dialecten: de staatsgrens was geen taalgrens. Doordat ook met België een dialectcontinuüm bestaat is de taal geen strikt onderscheidend criterium in het afgrenzen van de Nederlandse nationale identiteit.

Het Nederlands is historisch ook een belangrijk middel geweest voor culturele expansie van Nederlanders. Zo zijn de dialecten die in de oostelijke provincies van Nederland gesproken worden taalkundig gezien, hoewel nauw verwant, geen Nederlandse dialecten. Ze hebben echter sinds de middeleeuwen een zeer sterke Nederlandse invloed gekend. Samen met de socioculturele ontwikkeling van het gebied heeft dit ervoor gezorgd dat de mensen in deze regio's nu tot de Nederlandse etniciteit behoren. Bij veel Nederlandse emigranten en mogelijke nakomelingen leidt het eventuele verlies van de Nederlandse taal niet per se tot de-identificatie als zijnde Nederlander, al kan dit bij 'achterblijvers' wel dergelijke gevoelens oproepen.

Sociaal vlak[bewerken]

Maatschappelijke verhoudingen[bewerken]

Op sociaal vlak kan worden gesteld dat de Nederlandse cultuur erg vrouwelijk is.[11] Dit betekent echter niet dat vrouwen dominant zijn binnen de cultuur (ofschoon Nederlandse gezinnen zeer matriarchaal ingesteld zijn) maar dat mannen en vrouwen (in veel gevallen) als elkaars gelijke worden beschouwd, en waar van een al te duidelijk rollenpatroon tussen man en vrouw geen sprake is. Dit in tegenstelling tot meer 'mannelijke' culturen als de Franse, Duitse of Poolse.[12] Onder autochtone Nederlanders rijst dan ook regelmatig heftige kritiek op, al of niet terecht, veronderstelde vrouwonvriendelijke uitingen van andere culturen. Zo is het hoofddoekje gedragen door veelal islamitische vrouwen en meisjes een frequent discussiepunt en wordt door autochtonen vaak gezien als symbool van vrouwenonderdrukking. Hoewel mannen en vrouwen als gelijk worden beschouwd, moet worden opgemerkt dat er enkele vaste waarden of taboes te signaleren zijn en is er sprake van een zogenaamd 'gewillig' rollenpatroon waarin vrouwen doorgaans uit eigen beweging de zorg voor eventuele kinderen op zich nemen.

Communicatie[bewerken]

Communicatie onderling hangt af van een aantal factoren, maar in vrijwel alle gevallen wordt geacht dat de over te brengen informatie snel naar voren wordt gebracht. Het bij veel andere culturen voorkomende "voorgesprek", waarbij men eerst een algemeen gesprek houdt grotendeels ongerelateerd aan uiteindelijke intenties alvorens tot het kernpunt te komen, is over het algemeen niet of zeer beperkt aanwezig.

Bij communicatie waar er een duidelijk verschil in maatschappelijke of sociale status is tussen de gesprekspartners is het geboden om het gesprek formeel te beginnen; daarna is het aan de persoon met de meeste status om deze gecreëerde afstand wel of niet in stand te houden. Doorgaans gebeurt dit laatste snel, zo niet onmiddellijk. Hierbij wordt vrijwel altijd gebruikgemaakt van zelfrelativerende humor.

Wanneer men hulp nodig heeft, bijvoorbeeld uitleg of assistentie, is het gebruikelijk dat de vragende partij zichzelf verlaagt. Bijvoorbeeld door te zeggen "Kunt u mij hierbij helpen, want ik weet er zelf helemaal niks van af", "Kun je even helpen, mij lukt het niet" of "Zou u mij kunnen vertellen wat ( ... ), ik heb er zelf geen verstand van".

Complimenten worden spaarzaam gegeven, waarbij van al te veel overdrijving wordt afgezien. Daarnaast dienen complimenten door de ontvanger, in ieder geval gedeeltelijk, gerelativeerd, ontkracht of ontkend te worden, om niet zelf arrogant over te komen.

Geweld is een uitzondering in de Nederlandse cultuur, en heeft een negatief imago wanneer het op probleemoplossing aankomt. Zo kan het geweld gebruiken tegen vrouwen door mannen als cultureel taboe worden beschouwd,[13] en kan rekenen op scherpe veroordeling. Tegelijkertijd wordt het incidenteel gebruik van (licht) geweld onder jongens doorgaans meer geaccepteerd, en gezien als behorende tot opgroeien. Onder volwassenen wordt geweld echter enkel als defensief middel aanvaard.

Na een eventueel conflict worden pogingen tot verzoening vaak privé gemaakt, met de belangrijkste betrokkene(n). Een openbaar excuus, waar ook onbetrokken mensen bij aanwezig zijn, wordt doorgaans als zeer vernederend ervaren.

Relaties[bewerken]

Verder is de Nederlandse cultuur vrij individualistisch van aard, waarbij het zwaartepunt van relaties wordt gelegd bij het directe gezin in plaats van de gehele familie.[14] Daarbij komt het onderscheid dat niet bloedverwante familieleden (te verstaan aangetrouwde familie) een minder belangrijke rol innemen dan rechtstreekse familieleden.

Het is in de Nederlandse cultuur niet gebruikelijk dat ouders, wanneer op leeftijd, bij hun kinderen inwonen. Vaak wordt er dan uitgeweken naar een bejaardentehuis of thuishulp, waarbij de kinderen vaak wel een belangrijke rol spelen. Dit is geen plotselinge tendens, het is al eeuwen traditie dat er voor ouderen gezorgd wordt buiten het gezin van de kinderen. Zo zijn er in veel steden al sinds de vroege middeleeuwen zogenaamde hofjes te vinden, in de 18e eeuw verschenen de zogenaamde gasthuizen, die voorlopers waren van de moderne bejaardentehuizen.

Acceptatie en assimilatie[bewerken]

Een etnische groep is zeker geen gesloten gemeenschap, maar acceptatie als behorende tot een bepaalde etniciteit of assimilatie door een etnische groep is gebonden aan verschillende factoren. De meeste 'bagage' van etniciteit bestaat uit cultuur en gedrag, en is dus (aan) te leren. Er zijn echter ook genetische factoren die niet of enkel generatiegewijs te veranderen zijn.

Huidskleur speelt een rol wat betreft acceptatie binnen een ethnos. Dit heeft echter niets te maken met racisme, maar enkel met zelf-identificatie. Zonder hier een oordeel aan te binden heeft iedere persoon behorende tot een etnische groep, bewust of onbewust, een beeld van zijn of haar eigen groep. Bot gezegd gaat het erom of iemand 'voor Nederlander door kan gaan'; dit is tot op zekere hoogte persoonlijk bepaald. Overigens is ook huidskleur op den duur geen belemmering, aangezien de moderne Nederlandse cultuur over het algemeen niet afwijzend tegenover gemengde huwelijken staat, getuige de Indische Nederlanders, van wie de meesten van de jongste generaties niet of niet snel herkend worden als iemand van Indische afkomst. Opgemerkt moet worden dat mensen met een andere huidskleur, maar met kennis van taal en cultuur, doorgaans wel als volwaardig deel van de Nederlandse natie worden gezien.

Religie[bewerken]

Nederlanders waren traditioneel christelijk, waarbij de totale populatie ruwweg onder te verdelen was over de katholieke en protestantse (vooral calvinistische) stromingen hierbinnen. Ruwweg kan gezegd worden dat het gebied ten zuiden van de grote rivieren van Nederland (uitgezonderd de provincie Zeeland, met uitzondering van Zeeuws-Vlaanderen) overwegend katholiek was en anno 2010 op papier nog steeds is, terwijl het gebied ten noorden hiervan protestants was. In praktijk is de meerderheid niet-gelovig. Het minst religieus zijn inwoners van de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland.[15]

Door de toename van het aantal allochtonen, zijn er nieuwe religies in Nederland bijgekomen zoals het hindoeïsme, boeddhisme en de islam. Ook is het aantal christenen afgenomen door de ontkerkelijking in de tweede helft van de 20e eeuw, anno 2010 is de helft van de Nederlanders niet christelijk.[15]

Nederlandse (deel)etniciteit buiten Europa[bewerken]

De ontwikkeling van de Lage Landen, en dan vooral Nederland, heeft ertoe geleid dat er in het verleden verschillende grote emigratiegolven zijn geweest. Dit heeft geleid tot een veelvoud van interactie en culturele beïnvloeding van, en door, andere volkeren, alsook het ontstaan van nieuwe, (vaak culturele) identiteiten. Zo leven er vandaag de dag buiten Europa ongeveer 11 miljoen mensen van (vrijwel altijd gedeeltelijke) Nederlandse afkomst. De meeste in Zuid-Afrika (ca. 5 miljoen), de Verenigde Staten (ca. 5 miljoen), Canada (ca. 1 miljoen) en Australië (ca. 270.000). Veel van deze mensen worden doorgaans niet (meer) als volledig Nederlander beschouwd.

Afrika[bewerken]

Afrikaners[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Afrikaners en Afrikaans voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Onder Afrikaners worden de blanke Afrikaans-sprekende inwoners van Zuid-Afrika en Namibië verstaan. De meeste Afrikaners hebben Nederlandse of enkele Nederlandse voorouders, maar zijn daarnaast, zij het in mindere mate, ook van Waalse, Franse (hugenoten) en Duitse afkomst. Deze laatste vooral uit het Rijnland en de Palts. Hun taal, het Afrikaans, is een halfcreool met het Nederlands (vooral Zeeuws/West-Vlaams en Hollands) als basis, en daarnaast invloeden uit het Maleis en de Khoisantalen. Het Afrikaans en Nederlands zijn in zeer grote mate wederzijds verstaanbaar, zowel gesproken als geschreven, al levert dit laatste voor Afrikaners meer problemen op dan voor Nederlandstaligen. Afrikaners hebben daarnaast een sterk natiegevoel ontwikkeld door de Boerenoorlogen tegen Groot-Brittannië, en ook als gevolg van de segregatie tijdens het apartheidstijdperk.

Basters[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Basters voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Eerste Basterraad in 1872.

De Basters (een verbastering van het Nederlandse bastaard) zijn een bevolkingsgroep die vooral in Namibië woont. Het zijn de nakomelingen van Nederlandse kolonisten/boeren, en de lokale Khoisanbevolking. De meeste Basters spreken, net als de Afrikaners, Afrikaans, al spreekt een deel ook Engels als eerste taal. De Basters zijn over het algemeen zeer calvinistisch qua geloof. In het vroegere koloniale bestel namen de Basters een sociale rang in tussen de zwarte en blanke bevolking, en waren ingesteld op de Nederlandse cultuur. Veel hebben er dan ook Nederlandse voor- en achternamen. Zo heten de personen op de hier rechts getoonde foto van de eerste Basterraad, een soort vroeg sociaal-cultureel overlegorgaan, respectievelijk (v.l.n.r.) Paul Diergaardt, Jacobus Mouton, Hermanus van Wyk, en Christoffel van Wijk.

Griekwa[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Griekwa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Net als de Basters zijn de Griekwa in Zuid-Afrika nakomelingen van Nederlanders en Khoisan. De Griekwa stichtten onder leiding van hun kapitein (kaptyn) Adam Kok I een eigen gemeenschap Basters die rond het jaar 1800 de Oranjerivier overstaken. In het binnenland van Zuid-Afrika stichtten ze hun eigen rivaliserende Griekwastaten die slechts voortleven in plaatsnamen als Griekwastad en Kokstad. Tegenwoordig zijn de Griekwa grotendeels geïntegreerd met de andere kleurlingen van Zuid-Afrika.

Caraïben en Zuid-Amerika[bewerken]

Surinamers[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Surinamers voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De bevolking van Suriname is zeer divers. In de geschiedenis van het land zijn verschillende etniciteiten en cultuurgroepen naar het land gekomen. Zo bestaat de populatie, naast een klein percentage oorspronkelijke indianen, voor ruim 27% uit Hindoestanen, is bijna 18% creool en 15% marron. Javanen vormen bijna 15% van de bevolking en 12,5% is van 'gemengde' afkomst.[16] Veel Surinamers, en dan vooral de creolen, hebben vaak (ook) Nederlandse voorouders, en spreken Nederlands.

Antillianen en Arubanen[bewerken]

De bevolking van de Nederlandse Antillen en Aruba bestaat voornamelijk uit creolen. Zij hebben, net als de creolen in Suriname, vaak ook Nederlandse voorouders. Een tamelijk groot verschil met de bevolkingsgroepen in Suriname is dat het Nederlands minder gesproken wordt. In het algemeen spreekt men Papiaments of Engels op de Antillen.

Indonesië[bewerken]

Indische Nederlanders[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Indische Nederlanders voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Indonesië (tot 1945-1949) en Nieuw-Guinea (tot 1963) waren Nederlandse kolonies. Nederlanders en andere Europeanen in Indonesië, van wie veel militairen, trouwden met en/of verwekten kinderen bij inlandse vrouwen. Deze Indische Nederlanders stonden destijds op de sociale ladder tussen de 'gewone' inlanders en Nederlanders in.

Door het soevereiniteitsverdrag met Indonesië in 1949 werden sommige Indische Nederlanders gedwongen om te kiezen tussen het aanvragen van Nederlanderschap of behoud van de Indonesische nationaliteit die hen werd toegewezen, omdat ze zich niet konden beroepen op de wet van 1892 die het Nederlanderschap regelde. Diegenen die de Nederlandse nationaliteit hadden of verkozen, verhuisden voor 85-90% naar Nederland. De schatting is dat de restgroep vooral naar de Verenigde Staten ging, in mindere mate naar Australië en Canada en andere landen (al dan niet via een kort verblijf in Nederland). Een onbekende grote groep Indische Nederlanders bleef in Indonesië.

Noord-Amerika en Australië[bewerken]

Nederlandse Amerikanen[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Nederlandse Amerikanen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Al in de 16e eeuw zijn er Nederlanders naar de Nederlandse koloniën in Noord-Amerika verhuisd, gebieden die later onderdeel zouden zijn van de Verenigde Staten. Onder Nederlandse Amerikanen worden personen verstaan die woonachtig zijn in de Verenigde Staten en in het bezit zijn van volledig Nederlandse of gedeeltelijk Nederlandse achtergrond. Uit onderzoek blijkt dat er meer dan 5 miljoen Amerikanen van Nederlandse afkomst zijn. De grootste gemeenschappen Nederlanders wonen in Californië, Iowa, Pennsylvania, Michigan en New York. De eerste president die niet van Britse afkomst was, was Martin van Buren, wiens eerste taal Nederlands was.

Nederlandse Canadezen[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Nederlandse Canadezen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederlandse immigratie naar Canada begon later dan die naar de Verenigde Staten. Vooral na de Tweede Wereldoorlog zijn veel Nederlanders naar Canada geëmigreerd. Vaak in de vorm van gezinnen, maar ook in de vorm van de zogenaamde oorlogsbruiden; Nederlandse meisjes die verliefd waren geworden op een Canadese bevrijder. Vandaag de dag wonen er iets minder dan één miljoen mensen met volledige of gedeeltelijke afkomst in Canada.

Nederlandse Australiërs[bewerken]

Gelijktijdig met de immigratie naar Canada vond ook de emigratie naar Australië, en in mindere mate ook Nieuw-Zeeland, plaats. Ongeveer 270.000 Australiërs (van wie 40.000 derde generatie) hebben een Nederlandse achtergrond.

Inheemse etniciteiten binnen Nederland[bewerken]

Friezen[bewerken]

Binnen Nederland vormen de Friezen een etnische minderheid. Hoewel het gebied met Friese bewoning in de middeleeuwen groter was, bevinden ze zich vandaag de dag vooral in de noordelijke provincie Friesland. De Friese taal, verwant aan het Nederlands, is een zelfstandige taal. Een eigen cultuur, ook al is deze historisch gezien sterk op de Noord-Nederlandse georiënteerd geweest, is nog duidelijk aanwezig. Er is wel veel Nederlandse invloed op de Friezen en hun taal geweest. De meeste Friezen beschouwen zich naast Fries ook vol lid van de Nederlandse samenleving en natie. In Nederland is de Friese cultuur nooit echt onderdrukt geweest. De Friese taal werd in het verleden niet gesproken of erkend in de hogere bestuurlijke organen van Friesland, maar van gecontroleerde en intentionele acties tegen de taal, zoals dit in het verleden met het Oost-Fries in Duitsland en met minderheidstalen in Frankrijk is gebeurd, is nooit sprake geweest.

Zie ook[bewerken]

Afrika: Algerijnen · Angolezen · Beniners · Botswanen · Burkinezen · Burundezen · Centraal-Afrikanen · Comorezen · Congolezen · Djiboutianen · Egyptenaren · Equatoriaal-Guineeërs · Eritreeërs · Ethiopiërs · Gabonezen · Gambianen · Ghanezen · Guineeërs · Guinee-Bissauers · Ivorianen · Kaapverdiërs · Kameroeners · Kenianen · Lesothanen · Liberianen · Libiërs · Malagassiërs · Malawiërs · Malinezen · Marokkanen · Mauritaniërs · Mauritianen · Mozambikanen · Namibiërs · Nigerezen · Nigerianen · Oegandezen · Rwandezen · Santomezen · Senegalezen · Seychellers · Sierra Leoners · Sudanezen · Somaliërs · Swaziërs · Tanzanianen · Togolezen · Tsjadiërs · Tunesiërs · Zambianen · Zimbabwanen · Zuid-Afrikanen
Azië: Afghanen · Armeniërs · Azerbeidzjanen · Bahreini · Bengalen · Bhutanezen · Birmezen · Bruneiers · Cambodjanen · Chinezen · Filipijnen · Georgiërs · Indiërs · Indonesiërs · Irakezen · Iranezen · Israëliërs · Japanners · Jemen · Jordaniërs · Kazachen · Kirgiezen · Koeweiters · Laotianen · Libanezen · Maldiviërs · Maleiers · Mongolen · Nepalezen · Noord-Koreanen · Oezbeken · Omanieten · Oost-Timorezen · Pakistanen · Palestijnen · Qatarezen · Russen · Saoedi's · Singaporezen · Sri Lankanen · Syriërs · Tadzjieken · Taiwanezen · Thai · Turken · Turks-Cyprioten · Turkmenen · Inwoners van de Verenigde Arabische Emiraten · Vietnamezen · Wit-Russen · Zuid-Koreanen
Europa: Albanezen · Andorrezen · Armeniërs · Azerbeidzjanen · Belgen · Bosniërs · Britten · Bulgaren · Denen · Duitsers · Esten · Finnen · Fransen · Grieken · Grieks-Cyprioten · Hongaren · IJslanders · Ieren · Italianen · Kazachen · Kosovaren · Kroaten · Letten · Liechtensteiners · Litouwers · Luxemburgers · Macedoniërs · Maltezen · Moldaviërs · Monegasken · Montenegrijnen · Nederlanders · Noren · Oekraïners · Oostenrijkers · Polen · Portugezen · Roemenen · Russen · San Marinezen · Serviërs · Slovenen · Slowaken · Spanjaarden · Tsjechen · Turken · Wit-Russen · Zweden · Zwitsers
Noord-Amerika: Amerikanen · Antiguanen · Antilianen · Bahamanen · Barbadanen · Belizanen · Canadezen · Costa Ricanen · Cubanen · Dominicanen (Dominica) · Dominicanen (Dominicaanse Republiek) · Salvadoranen · Grenadanen · Guatemalanen · Haïtianen · Hondurezen · Jamaicanen · Mexicanen · Nicaraguanen · Panamezen · Inwoners van Saint Kitts en Nevis · Saint Lucianen · Inwoners van Saint Vincent en de Grenadines · Trinidadanen
Zuid-Amerika: Argentiniërs · Bolivianen · Brazilianen · Chilenen · Colombianen · Ecuadoranen · Guyanen · Paraguayanen · Peruanen · Surinamers · Uruguayanen · Venezolanen
Oceanië: Australiërs · Fijiërs · Indonesiërs · Kiribatiërs · Marshalleilanders · Micronesiërs · Nauruanen · Nieuw-Zeelanders · Oost-Timorezen · Palauers · Bewoners van Papoea-Nieuw-Guinea · Salomonseilanders · Samoanen · Tonganen · Tuvaluanen · Vanuatuanen