Charles Ruijs de Beerenbrouck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Charles Ruijs de Beerenbrouck
Beerenbrouck.jpg
Algemene informatie
Naam Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck
Geboren Roermond, 1 december 1873
Overleden Utrecht, 17 april 1936
Partij Algemene Bond, RKSP
Titulatuur jhr. mr.
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Jhr. mr. Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck (Roermond, 1 december 1873Utrecht, 17 april 1936) was een Nederlandse politicus van rooms-katholieken huize. Hij bekleedde diverse ministerschappen, was drie keer minister-president en twee keer voorzitter van de Tweede Kamer. Daarnaast was hij onder meer commissaris van de koningin in Limburg en kamerheer in bijzondere dienst van Koningin Wilhelmina. Vanwege zijn grote sociale betrokkenheid werd hij ook wel de "rode jonker" genoemd.[1]

Charles Ruijs was een telg uit het adellijke geslacht Ruijs de Beerenbrouck. Zijn grootvader had in 1830 zijn achternaam vernederlandst tot Ruijs van Beerenbroek en onder die geslachtsnaam werd Charles geboren. Zijn vader was het blijkbaar niet met die naamsverandering eens, want bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 21 maart 1895 werd met terugwerkende kracht de officiële schrijfwijze van de geslachtsnaam weer bepaald op Ruijs de Beerenbrouck. Dat was ook de familienaam van Charles' Belgische moeder; een volle nicht van zijn vader.

Charles was Heer van Beerenbrouck en Wolfrath en voerde het predicaat jonkheer. Hij was de zoon van Jhr. Gustave Ruijs de Beerenbrouck (1842-1926), die minister van Justitie in het kabinet-Mackay (1888-1891) en gouverneur van Limburg (1893-1918) was geweest. Als minister van Justitie was zijn vader de grondlegger van de arbeidsinspectie en de eerste Arbeidswet uit 1889.

Politiek[bewerken]

Ruijs de Beerenbrouck studeerde rechten, eerst aan de Rijksuniversiteit Utrecht en vanaf 1892 aan de Universiteit Leiden. Hij promoveerde in december 1895 op het proefschrift "Strafrecht in het oude Maastricht". Na zijn studie was hij van 1896 tot 1901 advocaat en procureur in Maastricht. Van 1901 tot 1905 werkte hij bij het Openbaar Ministerie aldaar.

Ruijs de Beerenbrouck begon zijn politieke carrière in de gemeenteraad van Maastricht, waarvan hij van 1899 tot 1918 lid was. Van 19 september 1905 tot 16 mei 1918 was hij namens het kiesdistrict Gulpen Tweede Kamerlid voor de Algemeene Bond van R.K. Kiesverenigingen.[2].

Commissaris van de Koningin[bewerken]

Op 14 mei 1918 gaf Ruijs de Beerenbrouck zijn Kamerlidmaatschap op, nadat hij bij Koninklijk Besluit van 7 mei 1918 was benoemd tot commissaris van de koningin in Limburg. Hij volgde in die functie zijn vader op, die om gezondheidsredenen was afgetreden. Erg lang duurde zijn commissariaat niet. Al op 27 juli 1918 benaderde formateur Mgr. Nolens hem met de vraag of hij premier zou willen worden.

Op 3 juli 1918 waren er voor het eerst verkiezingen gehouden volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en het algemeen kiesrecht voor mannen. De katholieken waren daarbij met dertig van de honderd Kamerzetels de grootste fractie geworden. Nolens besefte, dat hij als katholiek priester zelf geen eerste minister kon worden en zocht dus een andere kandidaat. Ruijs twijfelde echter en vroeg bedenktijd. Ook koningin Wilhelmina had haar bedenkingen tegen zijn kandidatuur, zij had liever een protestantse premier. Pas nadat De Savornin Lohman (vanwege zijn leeftijd), Colijn (vanwege verplichtingen bij de Bataafse Petroleum Maatschappij) en Idenburg (om gezondheidsredenen) voor de functie bedankt hadden, gaf zij op 29 augustus 1918 aan Ruijs de opdracht om een rechts (confessioneel) kabinet te vormen.[3]

Eerste kabinet[bewerken]

Op 9 september 1918 ging het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck van start onder de tot dan toe jongste en eerste katholieke premier van Nederland.[4] Ruijs trad tevens op als minister van Binnenlandse Zaken. Er werden twee nieuwe departementen opgericht: Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (De Visser, CHU) en Arbeid (Aalberse, RKSP).[5]

Het kabinet had direct te kampen met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog: er heerste grote voedselschaarste; veel Belgische burgers en Duitse soldaten hadden in Nederland een goed heenkomen gezocht; via Amerikaanse soldaten was de Spaanse griep naar Europa gekomen; de Duitse keizer Wilhelm II en zijn zoon Wilhelm van Pruisen waren naar Nederland gevlucht, nadat op 4 november 1918 in Kiel de Novemberrevolutie was uitgebroken; en in Nederland dreigde de socialistische leider Troelstra een soortgelijke revolutie te ontketenen.

Het kabinet wist de problemen met succes het hoofd te bieden. Tussen 9 en 18 november 1918 leek Nederland aan de totale chaos en revolutie ten onder te gaan, maar op 13 november gaf Troelstra al voorzichtig toe dat zijn oproep tot revolutie een vergissing was geweest. Op 18 november was de dreiging voorbij en op 20 november hield koningin Wilhelmina een toespraak waarin zij de wens uitsprak om snel hervormingen door te voeren en de nood van het volk in al zijn diepte te bestrijden. Die hervormingen zouden onder meer hun beslag krijgen in de Arbeidswet die op 11 juli 1919 vrijwel unaniem door de Kamer werd aangenomen.[6]

Tweede kabinet[bewerken]

In 1922 werd Ruijs na de verkiezingen opnieuw premier van het tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck. Gevoelige kwesties waarmee dit kabinet te maken had, waren het gezantschap bij het Vaticaan en de Vlootwet.[7] Op 18 juli 1923 diende minister van Financiën De Geer zijn ontslag in, omdat hij zich niet kon verenigen met de financiële gevolgen van de Vlootwet. Hij werd opgevolgd door Colijn. Op 26 oktober 1923 werd de ontwerp-Vlootwet met 50 tegen 49 stemmen door de Tweede Kamer verworpen.[8] Een dag later diende het kabinet zijn ontslag in. Dat werd echter niet door koningin Wilhelmina aanvaard. Na moeizame onderhandelingen binnen het kabinet kon Ruijs verder regeren. De regering trad uiteindelijk in de zomer van 1925 toch af. Ruijs was daarna van 17 september 1925 tot 10 augustus 1929 voorzitter van de Tweede Kamer. Op 25 juli 1927 werd hij minister van Staat.

Ruijs de Beerenbrouck en zijn derde kabinet

Derde kabinet[bewerken]

In 1929 vormde Ruijs zijn derde en laatste kabinet. Hij bekleedde er naast het premierschap ook het ministerschap van Binnenlandse Zaken en korte tijd dat van Landbouw. Ruim twee maanden na het aantreden van het kabinet brak de beurskrach van 1929 uit, die een paar jaar later gevolgd werd door een wereldwijde economische crisis. Het kabinet moest fors bezuinigen en tegelijkertijd extra geld uittrekken voor werkloosheidsuitkeringen en subsidiëring van de landbouw. Dit leidde wederom tot grote sociale onrust.[9] Toen een Kamermeerderheid zich begin 1933 verzette tegen het bezuinigingsplan om een aantal kantongerechten en rechtbanken op te heffen, besloot het kabinet om de Kamer te ontbinden en vervroegde verkiezingen uit te schrijven. Na zijn aftreden als premier werd Ruijs op 31 mei 1933 opnieuw Kamervoorzitter. Hij zou dat blijven tot aan zijn dood in 1936.

Katholieke emancipatie[bewerken]

Ruijs de Beerenbrouck was niet alleen politiek, maar ook maatschappelijk erg actief en hij leverde daarmee belangrijke bijdragen aan de emancipatie van het katholieke volksdeel.[10] Al in zijn jeugd bezocht hij armen en zieken in het kader van de Sint-Vincentiusvereniging. In zijn studietijd was hij de eerste voorzitter van de R.K. Studentenvereeniging Sanctus Augustinus.[11] Van 1898 tot 1918 was hij voorzitter van Sobriëtas, de katholieke bond tot bestrijding van het drankmisbruik. In 1899 sloot hij zich aan bij een groep vooruitstrevende jonge katholieken die regelmatig bijeenkwam in Hotel Klarenbeek bij Arnhem en daarom ook wel De Klarenbeeksche Club werd genoemd. Mede dankzij zijn inzet om de Limburgse arbeiders en mijnwerkers te organiseren werden in 1900 de Limburgsche R.K. Volksbond en in 1907 de Algemeene Bond van Christelijke Mijnwerkers in Nederland opgericht. Van de Limburgse R.K. Volksbond was hij de eerste secretaris.[12] Als lid van de Maastrichtse gemeenteraad ijverde hij voor de oprichting van een pensioenfonds ten behoeve van de gemeenteambtenaren.[13] Van 1912 tot 1919 en van 1925 tot 1929 was hij lid van het curatorium van de R.K. Leergangen.

In het begin van de twintigste eeuw viel er op het gebied van de openbare hygiëne, de gezondheidsvoorlichting en -opvoeding en de verpleging van zieken veel te verbeteren. Ruijs werkte op deze terreinen onder meer mee aan de oprichting van het Limburgse Groene Kruis (1910), de katholieke vroedvrouwenschool in Heerlen (1913), de R.K. Reclasseringsvereniging (1916) en aan het organiseren van plaatselijke EHBO-cursussen.

Ruijs werkte regelmatig samen met de sociaal geëngageerde priesters Alfons Ariëns, Henri Poels en Wiel Nolens. Na de dood op 7 augustus 1928 van Alfons Ariëns hield Ruijs in heel Nederland lezingen over hem en ondernam pogingen om hem zalig te laten verklaren. De zaligverklaring is anno 2013 in Rome nog steeds aanhangig.

Laatste jaren[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog zette Ruijs de Beerenbrouck zich in voor de heroprichting van de Abdij van Egmond die in 1537 tijdens de Reformatie was verwoest. Later zamelde hij geld in om hiervoor de gronden van de oude abdij aan te kopen. Zijn inspanningen waren succesvol, want in 1933 werd met de herbouw van de abdij begonnen en op 23 augustus 1935 trokken de eerste monniken in het nieuwe gebouw.[14]

In 1934 richtte Ruijs de Beerenbrouck de Sint Adelbertvereniging op. Ruijs vond dat de katholieke elite nogal eens tekortschoot in het naleven van de christelijke deugden. Doelstelling van de vereniging was dan ook om een katholieke visie op het maatschappelijk leven in Nederland te ontwikkelen, die gebaseerd was op de beginselen van naastenliefde en het dragen van elkaars lasten. Zelf droeg Ruijs die beginselen in de jaren dertig uit door zijn invloed aan te wenden om vervolgden uit Hitler-Duitsland naar Nederland en naar andere landen te laten vluchten.[15]

Gezin[bewerken]

Charles Ruijs de Beerenbrouck trouwde op 15 april 1902 in Warnsveld met Jkvr. Maria Josephina Ernestina Alexandrina (Mies) van der Heijden, Vrouwe van Suideras (Vierakker, 19 augustus 1877 – Vierakker, 17 januari 1948).[16] Zij hadden drie kinderen:

  • Maria Joanna Alexandrina (Maastricht, 5 maart 1903 – Vierakker, 29 januari 1999). Zij trouwde op 16 februari 1925 in Warnsveld met Jhr. Mr. Carel Marie Otto van Nispen tot Sevenaer (Nijmegen, 30 september 1895 – Vierakker, 6 januari 1995). Zij kregen een dochter en een zoon.
  • Gustave Alexander Marie Joannes (Maastricht, 3 augustus 1904 – Sittard, 10 maart 1983). Hij trouwde op 18 mei 1931 in Mheer met Marie Mathilde barones de Loë (Bonn, 10 april 1901 – Sittard, 24 januari 1989). Het huwelijk bleef kinderloos. Gustave was net als zijn vader politicus. Hij was lid van de Provinciale Staten van Limburg (1935-1941, 1946-1948), lid van de Tweede Kamer (1937-1948, 1955-1956) en lid van de Eerste Kamer (1948-1955).
  • Joanna Maria Alfrida Louisa (Maastricht, 6 oktober 1910 – Vierakker, 21 augustus 1992). Zij trouwde op 14 april 1948 in Warnsveld met Jan Joseph Godfried baron van Voorst tot Voorst (Kampen, 29 december 1880 – Vierakker, 11 november 1963). Het huwelijk bleef kinderloos.

Dood[bewerken]

Charles Ruijs de Beerenbrouck overleed op 17 april 1936 in het St. Antonius Gasthuis te Utrecht.[17] Hij werd op 21 april 1936 begraven in het familiegraf bij de Kerk van de H. Willibrordus in Vierakker. De belangstelling voor zijn begrafenis was zo groot, dat de Nederlandse Spoorwegen een extra trein moesten inzetten om de mensen naar en van het nabijgelegen Zutphen te vervoeren.[18]

Charles Ruijs de Beerenbrouck was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (31 augustus 1913), Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw (29 augustus 1925) en Grootkruis in de Orde van Pius IX. Hij wordt op de website Politiek & Parlement getypeerd als een "hoffelijke edelman en goed teamleider, die ook door niet-geloofsgenoten werd gewaardeerd."

Bronnen en referenties[bewerken]


  1. Lokin-Sassen (2012: 11).
  2. Uit deze Algemeene Bond zou in 1926 de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) ontstaan, waaruit in 1945 weer de Katholieke Volkspartij (KVP) voortkwam. Ruijs de Beerenbrouck was van 1925-1929 partijvoorzitter van de RKSP.
  3. Lokin-Sassen (2012: 18-20).
  4. Ruijs de Beerenbrouck was 44 jaar, 5 maanden en 13 dagen oud toen hij als premier aantrad. Hij was lange tijd ook de langstzittende premier, met (drie kabinetten) van in totaal 3905 dagen. In 2012 stond hij op de lijst van jongste premiers op de vierde plaats – na Ruud Lubbers (43 jaar, 5 maanden en 28 dagen), Mark Rutte (43 jaar, 8 maanden en 0 dagen) en Louis Beel (44 jaar, 2 maanden en 21 dagen). Op de lijst met langstzittende premiers stond hij in 2012 op de tweede plaats – na Ruud Lubbers (4307 dagen). Zie o.a. het Overzicht langstzittende premiers op Nu.nl.
  5. Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen en Arbeid hadden tot dan toe deel uitgemaakt van Binnenlandse Zaken. Zie Puchinger (2012).
  6. Zie Lokin-Sassen (2012: 18-22) voor meer informatie over deze roerige kabinetsperiode. De Arbeidswet van 1919 werd met 69 tegen 3 stemmen aangenomen. In de wet werden de achturige werkdag en de 45-urige werkweek geregeld. Andere maatregelen van het kabinet betroffen een herziening van de verzekeringswetten, een regeling voor de ouderdomsvoorziening, de Schoolwet van 1920, de invoering van de Hoge Raad van Arbeid en allerlei regelingen inzake de woningbouw, de volksgezondheid en de verbetering van de salarissen en pensioenen van ambtenaren.
  7. Het gezantschap bij het Vaticaan was in 1915 door het kabinet-Cort van der Linden ingesteld als een tijdelijke diplomatieke post. Tot onvrede van veel protestanten was het in 1920 een permanent gezantschap geworden. Al tijdens het tweede kabinet van Ruijs de Beerenbrouck had Gerrit Hendrik Kersten, predikant en Kamerlid voor de SGP, twee keer een amendement ingediend om dit gezantschap af te schaffen. Het amendement haalde toen echter geen meerderheid. Dat haalde het wel in de zogeheten Nacht van Kersten: in de nacht van 10 op 11 november 1925 diende Kersten zijn amendement opnieuw in en op 11 november werd het met 52 tegen 42 stemmen aangenomen. De vier katholieke ministers van het eerste kabinet-Colijn stelden daarop hun portefeuille ter beschikking en daarmee kwam het kabinet ten val.
  8. Lokin-Sassen (2012: 23). Onder de tegenstemmen waren er tien van dissidente katholieken.
  9. Zo brak er op 4 februari 1933 in Nederlands-Indië muiterij uit op het Nederlandse marineschip De Zeven Provinciën. De grotendeels inlandse bemanning protesteerde daarmee tegen de forse korting op de salarissen en het slechte eten. Op 10 februari werd het schip gebombardeerd, nadat de bemanning geweigerd had zich over te geven. Er vielen 23 doden en 20 gewonden. In Nederland deed het volgende rijmpje over Ruijs de Beerenbrouck de ronde: "Wie maakt onze centen zoek, het is Ruijs de Beerenbrouck".
  10. Tenzij anders aangegeven is de informatie in deze en de volgende alinea's ontleend aan Lokin-Sassen (2012).
  11. De vereniging werd opgericht voor studenten die gezamenlijk het katholieke geloof wilden belijden en die geen lid wilden of konden worden van het Corps. Volgens sommige bronnen was Ruijs niet alleen de voorzitter, maar ook een van de oprichters van de vereniging. De eerste vice-voorzitter was Piet Aalberse, die later minister van Arbeid zou worden in het eerste en tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck.
  12. Lokin-Sassen (2012: 15). De Limburgsche R.K. Volksbond was een organisatie van katholieke arbeiders en kleine patroons. Uit deze Volksbond is later de Limburgsche R.K. Werkliedenbond ontstaan.
  13. Het gemeentelijk pensioenfonds werd inderdaad opgericht. Lokin-Sassen (2012: 12): "Bij mijn weten is de pensioenverordening die de gemeente Maastricht bij Raadsbesluit van 2 oktober 1903 invoerde de eerste sociale voorziening van gemeentewege geweest in heel Nederland!"
  14. De architect was Alexander Kropholler, maar zijn als "ambitieus" ervaren ontwerp werd slechts gedeeltelijk uitgevoerd. De monniken waren afkomstig uit de Sint-Paulusabdij te Oosterhout. Op 12 maart 1936 kreeg het klooster in Egmond de status van prioratus simplex (lett. "eenvoudige priorij"). In 1950 volgde de verheffing tot abdij. Ruijs kreeg de bijnaam "edelman-bedelman" omdat hij overal geld vroeg voor het project. Zie o.a. Lokin-Sassen (2012: 27), de webpagina De geschiedenis van de Abdij en het Kasteel van Egmond en de webpagina Geschiedenis op de website van de Abdij van Egmond.
  15. Lokin-Sassen (2012: 27).
  16. Zie de website Genealogics van Leo van de Pas en de Genealogie Ruijs de Beerenbrouck op Genwiki Nederland.
  17. Geen van de hier vermelde bronnen geeft aan, wat de oorzaak van zijn overlijden is geweest. Lokin-Sassen (2012: 27) schrijft dat hij "ernstig ziek" was en "al enige tijd aan een slopende kwaal" leed.
  18. Aldus de website Parlement & Politiek. Volgens de website werd zijn begrafenis bijgewoond "door vele hoogwaardigheidsbekleders, onder wie de bisschop van Roermond en een vertegenwoordiger van de koningin". Volgens Puchinger (2012) werd hem de laatste eer bewezen door "het gehele Nederlandse kabinet, de vrijwel voltallige Tweede Kamer en de oud-ministers die in zijn kabinetten waren opgetreden." De website AbsoluteFacts schrijft op haar webpagina over Het Suideras te Vierakker dat het hele dorp op zijn kop stond: "er zijn waarschijnlijk nooit eerder zo veel prominente persoonlijkheden in het dorp bijeen geweest."
Voorganger:
G. Ruijs de Beerenbrouck
Gouverneur van Nederlands-Limburg
1918
Opvolger:
E.O.J.M. baron van Hövell tot Westerflier
Voorganger:
A.W.F. Idenburg
Minister van Koloniën a.i.
1918-1919
Opvolger:
S. de Graaff
Voorganger:
P.W.A. Cort van der Linden
Voorzitter van de Ministerraad
1918-1925
Opvolger:
H. Colijn
Voorganger:
P.W.A. Cort van der Linden
Minister van Binnenlandse Zaken
1918-1922
Opvolger:
D.J. de Geer
Voorganger:
W. Naudin ten Cate
Minister van Marine a.i.
1919
Opvolger:
H. Bijleveld
Voorganger:
G.A.A. Alting von Geusau
Minister van Oorlog a.i.
1920
Opvolger:
W.F. Pop
Voorganger:
H.A. van IJsselsteyn
Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel a.i.
1922
Opvolger:
P.J.M. Aalberse (Handel en Nijverheid)
Voorganger:
-
Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw
1922-1925
Opvolger:
D.J. de Geer
Voorganger:
D.A.P.N. Koolen
Voorzitter van de Tweede Kamer
1925-1929
Opvolger:
J.R.H. van Schaik
Voorganger:
J. Kan
Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw
1929-1932
Opvolger:
-
Voorganger:
D.J. de Geer
Voorzitter van de Ministerraad
1929-1933
Opvolger:
H. Colijn
Voorganger:
-
Minister van Binnenlandse Zaken
1932-1933
Opvolger:
J.A. de Wilde
Voorganger:
Frans Beelaerts van Blokland
Minister van Buitenlandse Zaken
1933
Opvolger:
A.C.D. de Graeff
Voorganger:
J.R.H. van Schaik
Voorzitter van de Tweede Kamer
1933-1936
Opvolger:
P.J.M. Aalberse