Oplichterssyndroom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het oplichterssyndroom, bedriegerssyndroom of bedriegersfenomeen is een term die in de jaren 1970 werd geïntroduceerd door psychologen en onderzoekers om mensen te beschrijven die niet in staat zijn hun prestaties te internaliseren. Ondanks externe bewijzen van hun competentie, blijven mensen met het syndroom ervan overtuigd dat ze bedriegers zijn en hun succes niet verdienen. Blijken van succes worden afgedaan als geluk, timing of het resultaat van het misleiden van anderen waardoor die denken dat zij intelligenter en competenter zijn dan ze zelf geloven. Het oplichterssyndroom is met name algemeen onder succesvolle vrouwen.[1]

Achtergrond[bewerken]

Het oplichterssyndroom wordt meestal gezien als een reactie op bepaalde stimuli en gebeurtenissen. Het wordt niet beschouwd als een psychische aandoening, maar is door veel psychologen bestudeerd. Hoewel het traditioneel gezien werd als een hardnekkige persoonlijkheidstrek, wordt het tegenwoordig beschouwd als een reactie op bepaalde situaties. Volgens deze interpretatie is het een respons die veel verschillende mensen ervaren op situaties die zulke gevoelens oproepen. Hoewel sommige mensen meer geneigd zijn tot oplichtersgevoelens, deze intenser ervaren dan de meeste anderen en geïdentificeerd kunnen worden met behulp van persoonlijkheidsschalen, is er geen bewijs dat het oplichterssyndroom een bepaald persoonlijkheidskenmerk is.[2]

De term "oplichterssyndroom" (impostor syndrome) werd in 1978 voor het eerst gebruikt in een artikel van klinisch psychologen Pauline Clance and Suzanne Imes, die zagen dat veel succesvolle vrouwen geneigd zijn te geloven dat zij niet intelligent zijn en dat anderen hen te hoog inschatten.[1] In Nederland deed Vreneli Stadelmaier als eerste onderzoek naar het oplichterssyndroom.[3]

Bij succesvolle vrouwen[bewerken]

Imes en Clance vonden verschillende soorten gedrag bij vrouwen met het oplichterssyndroom:

  • IJver: Begaafde vrouwen werken vaak hard om te voorkomen dat men ontdekt dat ze de mensen "bedriegen". Dit harde werk leidt vaak tot meer lof en succes, wat de oplichtersgevoelens en de angst "door de mand te vallen" in stand houdt. De "bedriegsters" voelen misschien dat zij twee of drie keer zo hard moeten werken, en bereiden zich daarom extra goed voor en maken zich zorgen over details. Dit kan leiden tot een burn-out en slaapgebrek.
  • Het gevoel onecht te zijn: Een vrouw met oplichtersgevoelens tracht vaak aan leidinggevenden en professoren de gewenste antwoorden te geven, wat kan leiden tot een groeiend gevoel dat ze "onecht" is.
  • Gebruik van charme: In verband hiermee gebruiken begaafde vrouwen vaak hun intuïtieve waarnemingsvermogen en charme om goedkeuring en waardering te krijgen van leidinggevenden, en kiezen relaties met leidinggevenden om hun intellectuele en creatieve vaardigheden te vergroten. Wanneer de leidinggevende haar echter prijst of erkenning geeft, voelen zij dat deze lof gebaseerd is op haar charme en niet op haar kundigheid.
  • Vermijden van tekenen van zelfvertrouwen: Een andere manier waarop een vrouw haar oplichtersgevoelens in stand kan houden, is te vermijden te tonen dat ze vertrouwen in haar vaardigheden heeft. Zij kan denken dat ze door anderen afgewezen zal worden als ze werkelijk gelooft in haar intelligentie en vaardigheden. Om dit te vermijden, kan ze zichzelf ervan overtuigen dat ze niet intelligent is of geen succes verdient.

Voorkomen[bewerken]

Uit psychologisch onderzoek kwam rond 1980 naar voren dat naar schatting twee van de vijf succesvolle mensen zichzelf als bedrieger beschouwen. Andere studies vonden dat zeventig procent van alle mensen zich op enig moment een oplichter voelen. Het syndroom wordt niet beschouwd als een psychiatrische stoornis en komt niet voor in de DSM.

Mensen die aan het syndroom hebben geleden zijn onder meer schrijver Chuck Lorre,[4] bestsellerauteur Neil Gaiman,[5] bestsellerauteur John Green, komiek Tommy Cooper,[6] zakenvrouw Sheryl Sandberg, rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof Sonia Sotomayor,[7] en actrice Emma Watson.[8]

Albert Einstein heeft wellicht aan het eind van zijn leven aan het syndroom geleden: een maand voor zijn dood vertrouwde hij naar verluidt een vriend toe De overdreven achting voor mijn levenswerk maakt me erg ongemakkelijk. Ik neig ertoe mezelf te zien als een onvrijwillige zwendelaar.[9]

Positieve discriminatie kan de reden zijn dat een lid van een minderheidsgroepering twijfelt aan zijn of haar capaciteiten en vermoedt dat hij of zij niet aangenomen werd wegens de eigen vaardigheden.[10]

Therapie[bewerken]

Coherentietherapie gaat ervan uit dat wat op onbewust emotioneel niveau geleerd is, van een persoon vraagt met bepaald gedrag, stemming, gevoelens of overtuigingen te reageren en te handelen. In tegenstelling tot cognitieve gedragstherapie zou coherentietherapie onze meest fundamentele kennis kunnen beïnvloeden die is opgeslagen in de sublimbische rechter hersenhelft en de delen van de hersenen waar de emoties verwerkt worden, die door andere vormen van psychotherapie niet bereikt kunnen worden. Coherentietherapeuten menen dat effectieve behandeling van het oplichterssyndroom vereist dat de persoon leert zien dat de zelfonderschatting niet overeenkomt met de wezenlijke emotionele zelfkennis.[11]

Schrijftherapie stelt iemand in staat de gedachten te ordenen door te schrijven. Het geschreven verslag van de eigen objectieve prestaties kan de persoon in staat stellen deze met de realiteit te verbinden, in plaats van ze eenvoudig af te wijzen. Het verslag kan de persoon later ook aan de prestaties herinneren. Door deze methoden poogt schrijftherapie het gevoel van tekortschieten te verlichten.[12]

Zie ook[bewerken]