Samenstelling Tweede Kamer 1909-1913

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1909-1913 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 11 juni 1909. De zittingsperiode ging in op 21 september 1909.

Nederland was verdeeld in 100 kiesdistricten, waarin 100 Tweede Kamerleden werden verkozen. Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde.

Gekozen bij de verkiezingen van 11 juni en 23 juni 1909[bewerken | brontekst bewerken]

Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen (25 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

ARP (23 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberale Unie (20 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

CHU (12 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

VDB (9 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

SDAP (7 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Vrije Liberalen (4 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 36 kiesdistricten was een tweede verkiezingsronde nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd gehouden op 23 juni 1909.
  • Theo de Meester (Liberale Unie) werd in de tweede stemronde verkozen in twee kiesdistricten, Den Helder en Schoterland. Hij opteerde voor Den Helder, maar kon om gezondheidsredenen pas op 9 mei 1910 geïnstalleerd worden. Op 3 augustus 1909 vond in Schoterland een naverkiezing plaats, waarbij Joseph Limburg (VDB) werd verkozen.
  • Jan Willem IJzerman (Liberale Unie) werd verkozen in het kiesdistrict Amsterdam IV, maar besloot zijn verkiezing niet aan te nemen. Bij een naverkiezing op 13 juli 1909 in dat district werd Gerard Anton van Hamel verkozen.
  • Johannes Theodoor de Visser (CHU) werd verkozen in twee kiesdistricten, Leiden en Harlingen. Hij opteerde voor Leiden, als gevolg hiervan vond op 23 juli dat jaar een naverkiezing plaats in Harlingen, waarbij Jan Ankerman werd verkozen.
  • Jan Hendrik de Waal Malefijt (ARP) nam zijn verkiezing in het kiesdistrict Breukelen niet aan vanwege zijn benoeming tot minister van Koloniën in het kabinet-Heemskerk. Daarom vonden op 22 september en 5 oktober dat jaar naverkiezingen plaats in Breukelen. In de tweede stemronde werd Frederik de Monté VerLoren verkozen, die op 10 november 1909 werd geïnstalleerd.
  • De verkiezing van Charles Ruijs de Beerenbrouck (Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen) verkozen in het kiesdistrict Gulpen, werd ongeldig verklaard vanwege onregelmatigheden. Bij een naverkiezing op 3 december dat jaar werd Ruijs de Beerenbrouck herkozen, waarna hij op 7 december 1909 werd geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1909[bewerken | brontekst bewerken]

1910[bewerken | brontekst bewerken]

  • 7 juni: Edmond Robert Hubert Regout (Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot minister van Justitie in het kabinet-Heemskerk. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 juli dat jaar in Helmond werd Albertus Nicolaas Fleskens verkozen als zijn opvolger, hij werd op 20 september 1910 geïnstalleerd.
  • 20 september: Vincentius Adrianus Maria van den Heuvel (Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Bij een tussentijdse verkiezing op 20 oktober dat jaar in Eindhoven werd Jan van Best verkozen als zijn opvolger, hij werd op 26 oktober 1910 geïnstalleerd.
  • 20 september: Albertus de Jong (ARP) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot wethouder van Rotterdam. Daarom werden op 24 oktober en 3 november dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Rotterdam I. In de tweede stemronde van die verkiezing werd Gerrit de Jongh (Liberale Unie) verkozen als zijn opvolger, hij werd op 9 november 1910 geïnstalleerd.

1911[bewerken | brontekst bewerken]

  • 4 januari: Hendrik Colijn (ARP) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot minister van Oorlog in het kabinet-Heemskerk. Bij een tussentijdse verkiezing op 14 februari dat jaar in het kiesdistrict Sneek werd Jan Gerrit Scheurer verkozen als zijn opvolger, hij werd op 28 februari 1911 geïnstalleerd.
  • 8 mei: Frans Jozef Bolsius (Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot president van de Arrondissementsrechtbank van Roermond. Bij een tussentijdse verkiezing op 26 mei dat jaar werd Bolsius herkozen, waarna hij op 7 juni 1911 werd geïnstalleerd.
  • 20 december: Schelto van Heemstra (ARP) overleed. Daarom werden op 1 en 8 februari 1912 tussentijdse verkiezingen gehouden in Hilversum. In de tweede stemronde van die verkiezing werd Victor Henri Rutgers verkozen, die op 20 februari dat jaar werd geïnstalleerd.

1912[bewerken | brontekst bewerken]

  • 18 maart: Petrus Boele Jacobus Ferf (Liberale Unie) nam ontslag vanwege zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Om die reden werden op 23 en 29 april dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Hoorn. In de tweede stemronde van die verkiezing werd Willem de Jong verkozen, die op 3 mei 1912 werd geïnstalleerd.
  • 18 september: Abraham Kuyper (ARP) vertrok uit de Tweede Kamer om gezondheidsredenen. Hij werd als voorzitter van de ARP-Kamerclub opgevolgd door Gerrit Adriaan Arnold Middelberg. Op 21 en 28 oktober dat jaar vonden tussentijdse verkiezingen plaats in Ommen. In de tweede stemronde van die tussentijdse verkiezing werd Aeneas Mackay verkozen, die zijn verkiezing echter niet aannam. Bij een nieuwe tussentijdse verkiezing, op 21 november 1912, werd Cornelis Johan Adriaan Bichon van IJsselmonde (onafhankelijk c.h.) verkozen, die op 29 november dat jaar werd geïnstalleerd.

1913[bewerken | brontekst bewerken]

  • 4 mei: Joor Bastiaan Verheij (Liberale Unie) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 3 juni dat jaar in Amsterdam III werd Hendrik Stulemeijer (Algemeene Bond van RK-kiesverenigingen) verkozen, die, gezien de korte resterende duur van de zittingsperiode, niet meer formeel werd geïnstalleerd.
  • 21 mei: Lodewijk Thomson (Liberale Unie) nam ontslag vanwege zijn bevordering tot majoor der infanterie. Bij een tussentijdse verkiezing op 19 juni dat jaar in Leeuwarden werd Thomson herkozen. Gezien de korte resterende duur van de zittingsperiode werd hij niet meer formeel geïnstalleerd.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]