Scharnhorst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Zie artikel Dit artikel gaat over het slagschip Scharnhorst. Voor de gelijknamige plaats zie Scharnhorst (Eschede).
Vlag Kriegsmarine
Scharnhorst
Scharnhorst1943.png
Geschiedenis
Besteld 25 januari 1934
Werf Kriegsmarinewerft Wilhelmshaven
Kiellegging 15 mei 1935
Tewaterlating 3 oktober 1936
In dienst 7 januari 1939
Status Gezonken 26 december 1943
Algemene kenmerken
Lengte 229,8 meter ll, 235,4 meter oa
Breedte 30 meter
Diepgang 10 meter
Deplacement 31.552 long ton (standaard) 38.900 long ton (volgeladen)
Voortstuwing en vermogen 3 Brown Boveri stoomturbines, 161.164 pk (120,18 MW)

Drie driebladige schroeven met een diameter van 4,8 m

Vaart 31,5 knopen
Bereik 10.100 zeemijl (18.700 km) met een snelheid van 19 knopen (35 km/h)
Bemanning 1668 waarvan 60 officieren
Bewapening 3 x 3 = 9 x 283 mm

4 x 2 + 4 x 1 = 12 x 150 mm
7 x 2 = 14 x 105 mm Flak
8 x 2 = 16 x 37 mm Flak
38 x 20 mm Flak
6 x 533 mm torpedobuizen

Vliegtuigen en faciliteiten 3 Arado Ar196A-3, 1 katapult
Portaal  Portaalicoon   Maritiem
De Scharnhorst (links) en de Gneisenau

De Scharnhorst was een Duits slagschip[1] en naamschip van de gelijknamige klasse. Ze werd gebouwd in opdracht van de Duitse Kriegsmarine. Het stond bekend als het succesvolste van alle Duitse oppervlakteschepen. Het naar Generaal Gerhard von Scharnhorst genoemde schip boekte diverse zeges, maar ging op 26 december 1943 onder in de Zeeslag bij de Noordkaap. Er was één, vrijwel identiek, zusterschip, de Gneisenau.

De bouw[bewerken]

In 1934 werd in het kader van het bewapeningsplan van de zojuist aangetreden NSDAP-regering begonnen met de bouw van een nieuw slagschip. Het zou de naam Scharnhorst krijgen, naar het schip uit de Eerste Wereldoorlog van admiraal graaf Maximilian von Spee, dat op zijn beurt was genoemd naar de Pruisische generaal Gerhard von Scharnhorst, die zich vooral verdienstelijk had gemaakt tijdens de Napoleontische oorlogen.

Vlak nadat de kiel was gelegd werd de bouw van het schip stopgezet, omdat er plannen voor een geheel nieuw type slagschip waren ontwikkeld. Teneinde te zorgen voor een betere balans tussen snelheid en bewapening werd besloten het schip langer en minder breed te maken. Hierdoor zou het sneller en wendbaarder worden. De bewapening was lichter dan gebruikelijk voor slagschepen in die tijd: men koos voor een 283mm-kanon dat gebaseerd was op een ontwerp van voor de Eerste Wereldoorlog. Een kanon van 380 mm zou niet op tijd gereed zijn. In het Plan Z, het plan voor de herbouw van de Duitse Kriegsmarine, was overigens wel het voornemen opgenomen de schepen op een later tijdstip alsnog te bewapenen met een 380 mm kanon. Dat is echter nooit gebeurd.

Door het lichtere kanon werden de schepen in het buitenland, vooral in Groot-Brittannië, beschouwd als een nieuw type slagkruiser, maar de Duitse marine sprak zelf consequent van Schlachtschiffe. Qua grootte (bijna 35.000 longton) en bepantsering (tot 180 mm staal) waren het inderdaad slagschepen. Hoewel de hoofdbewapening te licht was om de strijd aan te gaan met slagschepen naar Britse maatstaven, was het schip wel in staat dienst te doen als raider tegen konvooien. Hiervoor was het snel en krachtig genoeg om tegelijkertijd slag te leveren met meerdere vijandelijke kruisers en torpedobootjagers. Dergelijke schepen werden vaak gebruikt voor de bescherming van konvooien. Mocht het slagschip toch op sterkere vijandelijke schepen stuiten, dan kon de Scharnhorst zich met zijn superieure snelheid desnoods zelf in veiligheid brengen.

Uiteindelijk vond de nieuwe kiellegging plaats in 1935. Zestien maanden later, in oktober 1936, werd het schip gedoopt en werd het verder afgetimmerd.

In januari 1939 werd kapitein Otto Ciliax commandant van de Scharnhorst. In april werd hij opgevolgd door de pas benoemde bevelhebber van de Duitse marine, admiraal Erich Raeder.

De Scharnhorst werd beschouwd als een van de fraaiste schepen van de Kriegsmarine, met scherpe lijnen, veel details en een -in augustus 1939 aangebrachte- scherpe "Atlantik Bug" (Engelse term: hurricane bow), die beter bestand was tegen de zware zeegang. Deze was nodig omdat bij de oorspronkelijke, rechte boeg het overslaande buiswater het gebruik van geschuttoren "Anton" bemoeilijkte.

De oorlogsmissies[bewerken]

De Scharnhorst in volle zee

Eerste missie[bewerken]

De eerste missie waaraan de Scharnhorst deelnam, was een gezamenlijke operatie met de Gneisenau in het noorden van de Atlantische Oceaan. Het was de bedoeling een aantal Britse schepen tot zinken te brengen. De Duitse vloot voer op 21 november 1939 uit en onderschepte op 23 november de Rawalpindi, een hulpkruiser van de Britse marine. De Rawalpindi had geen schijn van kans en werd tot zinken gebracht. Slechts 38 van de 276 bemanningsleden overleefden de aanval. De Duitse schepen werden na deze aanval echter achtervolgd door een Brits eskader. Dit eskader bestond uit enkele sterk bewapende slagkruisers zoals HMS Hood en HMS Repulse. De Duitse schepen konden echter ontkomen naar Wilhelmshaven.

Tweede missie[bewerken]

Na deze operatie nam de Scharnhorst deel aan de invasie van Noorwegen, in april 1940. De Duitse troepen mochten de neutraliteit van het Zweedse grondgebied niet schenden en moesten Noorwegen daarom vanuit zee binnenvallen. Tijdens deze operatie had de Scharnhorst, naast haar gebruikelijke bemanning van 1.900 koppen, nog eens 800 soldaten aan boord die de Noorse havenstad Trondheim moesten innemen. De Scharnhorst loste enkele schoten op strategische landdoelen nabij Trondheim en zette daarna de Duitse soldaten aan land. Trondheim werd binnen enkele uren veroverd.

Vervolgens ondernam de Royal Navy een poging de Noorse kust te zuiveren van Duitsers. De Scharnhorst had tot taak de Britse oorlogsschepen op afstand te houden. Op 9 april kwam het tot een treffen met de Britse slagkruiser HMS Renown, waarbij aan beide zijden enkele treffers geplaatst werden. De strijd bleef echter onbeslist. De slag om Noorwegen kende een dramatisch verloop voor de nog jonge Kriegsmarine: zij verloor 10 grote torpedobootjagers, 2 lichte kruisers en de gloednieuwe zware kruiser Blücher. Nagenoeg alle andere grote eenheden die aan de gevechten hadden deelgenomen werden zwaar beschadigd. Aangezien de Duitse torpedo's vaak haperden bleven de Britse verliezen beperkt tot een paar torpedobootjagers.

Op 8 juni 1940 keerden de kansen echter en zou de Scharnhorst haar grootste overwinning boeken. De Scharnhorst voerde samen met haar zusterschip Gneisenau een aanval uit op het Britse vliegkampschip HMS Glorious en de torpedobootjagers HMS Ardent en HMS Acasta die het vliegkampschip escorteerden. Na een twee uur durend gevecht werden zowel de Glorious als de Acasta en de Ardent tot zinken gebracht. Vlak voordat de Ardent ten onder ging, lanceerde ze nog een torpedo die de Scharnhorst midscheeps trof. De bepantsering was zo sterk dat de treffer slechts een klein gat veroorzaakte en dus bleef de Scharnhorst drijven. Het schip moest echter wel voor reparaties terugkeren naar Wilhelmshaven. Op de terugweg werd de Scharnhorst aangevallen door vliegtuigen van de RAF waaronder vier Short Sunderland vliegboten. Alle toestellen werden door de luchtafweer van het slagschip neergeschoten. De bemanning kon echter niet voorkomen dat het voorschip werd getroffen door een bom van 600 kg, die overigens niet ontplofte.

Derde missie[bewerken]

Na een acht maanden durende reparatie was de Scharnhorst weer operationeel inzetbaar. In december 1940 voer het schip uit om op te treden tegen de zeeblokkade van torpedobootjagers die de Britse marine tussen Groot-Brittannië en IJsland had ingesteld. De Scharnhorst beschoot samen met haar zusterschip Gneisenau de Britse torpedobootjagers, maar moest de aanval afbreken toen een Britse overmacht met de slagschepen HMS Rodney, HMS Revenge en HMS Warspite aan de horizon verscheen.

Later kreeg de Gneisenau technische problemen met haar stoomketel, waardoor de twee schepen moesten terugkeren naar Duitsland.

Vierde missie[bewerken]

In januari 1941 voer de Scharnhorst opnieuw uit, ditmaal onder commando van admiraal Günther Lütjens, de latere commandant van de Bismarck. Het doel van deze missie was de Britse konvooien ten westen van Ierland aan te vallen. (Uit angst voor U-boten voeren de Britse olietankers die uit Noord-Afrika kwamen nooit langs Frankrijk. Ze maakten liever een omweg over de Atlantische oceaan en voeren dan om Ierland heen om zo in Noord-Engeland aan te komen).

De missie was zeer gevaarlijk. Vanwege de massale aanwezigheid van Britse torpedobootjagers in het gebied moest de Scharnhorst het stellen zonder een escorte van U-boten.

De Scharnhorst vertrok op 21 januari 1941 vanuit Wilhelmshaven. Ze voer door de Straat Denemarken, en vervolgens achter Groot-Brittannië langs. Op 30 januari kwam de Scharnhorst ten westen van Ierland aan.

Na een week van vruchteloze patrouilles, kreeg de Scharnhorst op 8 februari voor het eerst een Brits konvooi in zicht. De Scharnhorst voerde een aanval uit, bracht een schip tot zinken maar moest daarna vluchten toen het Britse slagschip HMS Ramillies het konvooi te hulp schoot.

Na weer twaalf dagen gepatrouilleerd te hebben, zag de Scharnhorst een ander konvooi varen. De Scharnhorst wist vier schepen tot zinken te brengen, maar kon niet voorkomen dat de andere schepen konden ontkomen vanwege een storm.

Op 7 maart zag de Scharnhorst ten zuidwesten van Ierland een konvooi. De Scharnhorst viel aan, maar werd zelf ook aangevallen door Britse bommenwerpers die haar bij toeval hadden gezien. De Scharnhorst wist alle aanvallen af te slaan, maar het konvooi was intussen ontsnapt.

Op 15 maart 1941 voerde de Scharnhorst haar succesvolste aanval uit. Door mist was een konvooi uit elkaar gedreven. De Scharnhorst maakte van de gelegenheid gebruik en viel een groep van elf onbewaakte olietankers aan. Geen van de tankers wist te ontkomen. De volgende dag vernietigde de Scharnhorst nog eens acht koopvaardijschepen.

Luchtfoto van het bombardement op de Scharnhorst en de Gneisenau

Hierna voer de Scharnhorst naar de haven van Brest in het bezette Frankrijk om daar nieuwe brandstof en munitie te laden. Toen de Scharnhorst op 22 maart 1941 in de haven van Brest arriveerde, gaf het Franse verzet per radio de locatie van het schip door aan de Britse luchtmacht, die nog diezelfde dag een aanval uitvoerde. Het schip raakte hierbij zwaar beschadigd. Een bom van duizend kilo doorboorde het dek en kwam in de machinekamer tot ontploffing waardoor een van de twee stoomturbines werd vernield.

Toen de Scharnhorst voor reparaties in dok lag, kreeg Lütjens het bevel over een eskader met de twee nieuwste aanwinsten van de marine: de gloednieuwe Bismarck en de Prinz Eugen. Met deze schepen moest hij ten westen van Ierland konvooien aanvallen. Lütjens zou tijdens deze reis met de Bismarck ten onder gaan. Admiraal Ciliax werd toen de nieuwe commandant van de Scharnhorst.

In Brest waren te weinig faciliteiten beschikbaar om het schip te repareren. De Scharnhorst was genoodzaakt terug te keren naar Wilhelmshaven. Admiraal Ciliax besloot via de kortste route, door het door de Britten zwaar bewaakte Kanaal, terug te varen. In februari 1942 voer hij met de Scharnhorst, Gneisenau en Prinz Eugen op klaarlichte dag uit, begeleid door een aantal kleinere schepen en voorzien van luchtsteun van de Luftwaffe, dwars door het Kanaal. De Britse marine was door het verzet en dankzij gedecodeerde codeberichten van ULTRA op de hoogte van de doorbraak en patrouilleerde met vliegtuigen boven het Kanaal, maar slaagde er niet in de Scharnhorst te onderscheppen. Het schip doorkruiste moeiteloos het Kanaal en kwam, ondanks twee treffers door zeemijnen in de Noordzee met de beide andere schepen veilig aan in Wilhelmshaven, waar Ciliax en zijn bemanning als helden werden ontvangen. Deze succesvolle doorbraak betekende echter wel het einde van de aanvallen op konvooien in de Atlantische Oceaan. Vlak na aankomst werd de Gneisenau door een bom dermate ernstig beschadigd dat het schip voor zeer lange tijd was uitgeschakeld. Toen de beide zusters van elkaar gescheiden waren, keerden ook de kansen voor de Scharnhorst. Het tijdperk van de grote slagschepen was eigenlijk al voorbij; het vliegtuig en de onderzeeboot zouden de strijd ter zee bepalen.

Vijfde missie[bewerken]

Door de averij aan de stoomketel en door geldgebrek voor reparaties duurde het tot september 1942 voordat de Scharnhorst weer actief kon deelnemen aan de oorlog. Onder commando van Erich Bey moest de Scharnhorst nu Britse konvooien aanvallen die vanaf de oostkust van Engeland munitie en wapens naar Moermansk vervoerden. Deze voorraden gebruikten de Russen voor hun strijd tegen de Duitsers. In het voorjaar van 1943 vertrok de Scharnhorst naar Noorse wateren, maar slechts nadat een crisis in het Duitse opperbevel over de sloop van de grote schepen in een compromis uitmondde. De Scharnhorst en Tirpitz mochten nog offensieve operaties uitvoeren. De vier zware kruisers moesten echter vertrekken naar de veiliger Oostzee. De Scharnhorst moest samen met het slagschip Tirpitz een blokkade leggen in de Noordelijke IJszee nabij het eiland Spitsbergen. De Amerikaanse konvooien voeren langs dit eiland. Als de missie zou slagen, dan zouden de aanvoerlijnen naar Rusland worden afgesneden. Het Rode Leger zou dan uiteindelijk zonder munitie komen te zitten.

Op 30 september 1943 voeren de Scharnhorst en de Tirpitz in het zeegebied nabij Spitsbergen. De twee schepen patrouilleerden twee maanden lang in dit gebied en brachten talloze Britse koopvaardijschepen tot zinken. Begin november 1943 beschoten ze, daarbij ondersteund door negen torpedobootjagers, alle nederzettingen op Spitsbergen. In diezelfde maand voerden de Britten Operatie Source uit in de Kåfjord. Het doel van deze operatie was het uitschakelen van de grote Duitse oorlogsschepen die daar voor anker zouden liggen. De Tirpitz werd daarbij zwaar beschadigd maar de Scharnhorst had al lang een andere ligplaats gekregen.

Op Eerste Kerstdag 1943 kreeg de Scharnhorst opdracht in de Barentszzee een aanval op een Amerikaans konvooi uit te voeren. Het bericht van het opperbevel van de Kriegsmarine aan de Scharnhorst werd door ULTRA onderschept en de Britten besloten de Scharnhorst met een modern en sterk slagschip, dat werd begeleid door 4 kruisers en een dozijn torpedobootjagers in de val te lokken. Dit zou de ondergang van het succesvolle oorlogsschip inluiden.

De ondergang[bewerken]

Op 26 december 1943 liep de Scharnhorst onder bevel van eskaderkommandant schout-bij-nacht Erich Bey en slagschipkapitein Fritz Hintze in de voor het slagschip opgezette val. Samen met zes torpedobootjagers probeerde het slagschip konvooi JB55A of JB55B te onderscheppen. Er woedden buitengewoon hevige sneeuwstormen en het weer was ijskoud toen de Scharnhorst, zonder de begeleidende torpedobootjagers, stuitte op de kruisers van admiraal Burnett die het konvooi begeleidden: de zware kruiser Norfolk en de lichte kruisers Sheffield en Belfast. Er volgde een schotenwisseling van 20 minuten op een afstand van 10.000 meter, waarbij door beide partijen twee treffers geboekt werden. De Scharnhorst kreeg een zeer ongelukkige treffer te verduren, waardoor de belangrijkste radar werd uitgeschakeld. Door het uitvallen van deze radar was het schip niet meer in staat voorwaarts te zoeken en dat zou het schip fataal worden. Bey dirigeerde zijn torpedobootjagers zuidwaarts en koerste zelf noordwaarts om de kruisers te omzeilen en verder naar het konvooi te zoeken. Hij stuitte daarbij wederom op de drie kruisers, die dankzij hun radar de Scharnhorst geen moment uit het oog hadden verloren. Er werden wederom schoten gewisseld en de Scharnhorst slaagde erin, ondanks het slechte zicht, een van de achterste 20,3 cm torens en de radar van de HMS Norfolk uit te schakelen. Bey besefte dat hij voortdurend werd geschaduwd en dat hij weinig kans maakte het konvooi nog te onderscheppen, laat staan te vernietigen. De Scharnhorst koerste, dankzij haar hoge snelheid van 30 knopen, in zuidoostelijke richting van de kruisers weg. De Britse schepen wisten in de zware stormachtige zee slechts een snelheid van 24 knopen te behalen.

Vijf uur later liep de Scharnhorst in de val van admiraal Bruce Fraser, die het commando voerde over het slagschip HMS Duke of York en de kruiser HMS Jamaica. Fraser had ook de beschikking over 2 flottieljes torpedobootjagers. Toen de Scharnhorst op 12.000 meter afstand plotseling door een lichtgranaat van de Jamaica verlicht werd, zagen de Britten dat de beide voorste geschuttorens in de ruststand stonden en dat de Scharnhorst kennelijk totaal verrast was. De schepen schoten van 16.50 tot 18.45 op elkaar. De Scharnhorst incasseerde om 16.55 uur een zware treffer tussen de beide voorste hoofdgeschuttorens. Toren Anton zou nog maar sporadisch aan het gevecht deelnemen. Andere granaten sloegen gaten in het voordek, bovenbouw en hangar, vernielden een aantal luchtafweermitrailleurs en de beide voorste 15 cm geschuttorens. Tijdens het duel slaagde de Scharnhorst erin de masten en (tijdelijk) de radar van de Duke of York te beschadigen. De ervaren bemanning van de Scharnhorst wist de averij zo veel mogelijk te beperken door de branden snel te blussen. Tijdens het duel was de Scharnhorst sterk in het nadeel doordat Fraser versterking kreeg van HMS Norfolk en HMS Belfast. Bovendien werd de Scharnhorst door lichtgranaten voortdurend verlicht. Het schip kon echter zelf geen lichtgranaten afvuren.

De Scharnhorst kon rond 18.00 uur door zijn superieure snelheid aan zijn belagers ontsnappen. Het schip vluchtte in oostelijke richting de duisternis in. Het leek er op dat ze uit de val ontsnapte. Om 18.20 uur sloeg het noodlot toe. Een granaat van de Duke of York kwam tot ontploffing in het ketelruim van de Scharnhorst. De zeer nauwkeurige Britse radar maakte het mogelijk doelen in de duisternis te volgen en te beschieten. Dankzij de grote afstand (28.000 meter) hadden de granaten een steilere baan waardoor de zwakkere horizontale bepantsering gemakkelijker kon worden doorboord. Bij de Scharnhorst sloeg de granaat precies op een zwakke plek tussen het hoofdpantserdek en het verticale citadelpantser in. De snelheid liep terug van 30 tot 8 knopen en liep pas veel later (dankzij de scheepsherstelploegen) weer op tot 22 knopen. De Scharnhorst kon nu niet meer aan zijn achtervolgers ontsnappen.

Aan boord van de Duke of York besefte admiraal Fraser dat de goed gepantserde Scharnhorst, evenals de Bismarck, niet met granaten alleen tot zinken gebracht kon worden. Bovendien was hij rond 18.30 nagenoeg door zijn hele voorraad granaten heen. Hij besloot de Scharnhorst met torpedo's aan te vallen om haar te laten zinken. Om 18.45 uur viel de eerste groep torpedobootjagers onder leiding van de Jamaica aan. De Scharnhorst deed er alles aan om haar belagers af te schudden. Ze slaagde er dankzij een scherpe draai in de eerste golf torpedo's te ontwijken. Daardoor keerde de breedzij van de Scharnhorst zich echter in de richting van de tweede groep belagers. Die boekte drie treffers. De Britse torpedobootjager Saumarez werd ook zwaar getroffen, maar kon op eigen kracht naar Moermansk varen voor reparaties. De Scharnhorst werd bij toren Bruno getroffen en maakte daardoor veel water. Dit bemoeilijkte ook het vuren met deze toren.

Om 19.00 hervatte ook de Duke of York de schotenwisseling en gaf Hintze het bevel de zware granaten van de beide voorste torens dwars door het schip naar toren Caesar over te brengen. Deze toren was door zijn voorraad heen. Korte tijd later vuurde toren Caesar in hoog tempo op de Duke of York. Volgens Duitse bronnen nam ook toren Bruno aan het gevecht deel. "Scharnhorst immer voran", seinde Hintze naar de Kriegsmarine. Als gevolg van alsmaar inslaande granaten braken aan boord van de langzaam varende en steeds dieper in het water liggende Scharnhorst een aantal branden uit en zwegen steeds meer kanonnen. Dit kwam ook doordat zij door hun voorraad munitie heen waren. Om 19.15 uur brak de Duke of York het gevecht af omdat ook zij door haar voorraad granaten heen was.

Om 19.20 uur werd de eindaanval op de Scharnhorst ingezet door een tweede groep torpedobootjagers en de beide lichte kruisers. Zij vuurden meer dan 50 torpedo's op het slagschip af. De Scharnhorst beantwoordde de aanval met haar na de eerste schotenwisseling herstelde torpedolanceerinstallatie. Het Duitse schip zou zelfs een treffer hebben geboekt, maar de Britten hebben dit nooit toegegeven. Ondanks de rook wisten de Britten toch nog ten minste vier of vijf torpedotreffers te boeken. Deze torpedo's sloegen voornamelijk in tegen de zeer dikke hoofdpantsergordel maar slaagden er niet in het slagschip tot zinken te brengen. Toren Caesar viel als gevolg van deze aanval uit. De Scharnhorst was, op nog een enkel kanon van 15 cm en een paar luchtafweermitrailleurs na, nu weerloos en kansloos.

Om 19.35 uur volgde er nog een laatste aanval met torpedo's waarvan er zeker 4 doel troffen en waardoor de Scharnhorst slagzij begon te maken. De bemanning van de Scharnhorst maakte zich gereed in het ijskoude zeewater te springen. Ze wachtte daar zo lang mogelijk mee om onderkoeling te voorkomen. Om 18.45 uur was er een explosie; de Scharnhorst kapseisde en ging, met draaiende schroeven, ten onder. In het ijskoude water en in de donkere poolnacht konden slechts 36 van de 1.968 bemanningsleden worden gered. Evenals dan bij de ondergang van de Bismarck, brak de Britse marine de reddingsoperatie voortijdig af, uit vrees voor Duitse onderzeeboten.

De Britse marine was vol lof over de dapperheid van de Duitse bemanning die tot het einde toe door bleef vechten. Volgens veel Britse marinemensen weigerde de bemanning van de Scharnhorst zich over te geven en koos ze ervoor met het schip ten onder te gaan. De commandant van de Duke of York noemde de bemanning van de Scharnhorst later "de grootste helden uit de oorlog". Ook Churchill noemde ze een voorbeeld voor iedere Britse matroos.

Door de ondergang van de Scharnhorst verloor de Duitse marine, na de Admiral Graf Spee in 1939, de Blücher in 1940 en de Bismarck in mei 1941, zijn vierde grote oorlogsschip. Het betekende een psychologische klap voor Duitsland. De overgebleven oppervlakteschepen waren gereduceerd tot de Tirpitz. die nog boven de poolcirkel lag in de Kåfjord bij Tromsø, waar zij weliswaar een potentiële dreiging vormde, maar niet meer kon of durfde uit te varen. Door de ondergang van de Scharnhorst werden de konvooiroutes tussen Groot-Brittannië en Moermansk een stuk veiliger. Deze zeeslag benadrukte de afnemende rol voor met zwaar geschut bewapende schepen. Zonder radargeleide vuurleiding en zonder luchtdekking moesten die het afleggen tegen het vliegkampschip.

Het wrak van de Scharnhorst is pas in het jaar 2000 ontdekt en ligt op een diepte van 300 meter op de vlakke bodem van de Barentszzee. De boeg van het schip blijkt door een zware ontploffing van de romp te zijn gescheiden. De ontploffing van het munitiemagazijn onder toren Bruno is hiervan waarschijnlijk de oorzaak.

Externe link[bewerken]