Stefanie van België

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Prinses Stefanie van België
verlovingsfoto van prinses Stefanie en Rudolf van Oostenrijk

Stefanie Clotilde Louise Hermine Marie Charlotte (Laken, 21 mei 1864Pannonhalma, 24 augustus 1945), prinses van België, was een dochter van Leopold II, koning der Belgen, en diens echtgenote Marie Henriëtte. Door haar huwelijk met de Oostenrijkse kroonprins Rudolf werd zij aartshertogin van Oostenrijk en kroonprinses van Oostenrijk-Hongarije. Aan het eind van haar leven droeg zij de titel prinses van Lonyay de Nagy-Lonya en Vasaros-Nameny. Het Stefaniaplein en de Stefaniatunnel te Brussel werd naar haar vernoemd.

Jeugd[bewerken]

Zelf was ze de op een na oudste dochter, maar zij zorgde voor prinses Clementine, haar veel jongere lievelingszus. Hun moeder werd in haar huwelijk met Leopold II liefdeloos en zonder respect behandeld, terwijl haar man regelmatig maîtresses had. Zij hadden voornamelijk aandacht voor haar jongere broer en kroonprinsLeopold. De dood van hun enige broer Leopold in 1869 dreef hun ouders nog meer uit elkaar. Hun vader zette zijn zinnen dan maar op een harde huwelijkspolitiek; zijn dochter zou keizerin van Oostenrijk worden, de tweede keizerin in de familie na zijn zus Charlotte. Bovendien werden de banden met het Habsburgse hof nog maar eens aangehaald.

Leopold en Maria-Hendrika waren trots toen ze de verloving van Stefanie en aartshertog Rudolf van Oostenrijk in de Wintertuin van de gloednieuwe Koninklijke Serres bekendmaakten. Stefanie werd van haar geliefde zus weggenomen en naar een vreemd land gebracht.

Kroonprinses van Oostenrijk-Hongarije[bewerken]

Op 10 mei 1881 trouwt zij met aartshertog Rudolf van Oostenrijk. Hij is de oudste zoon van keizer Frans Jozef en de beruchte keizerin Elisabeth, beter bekend als Sisi. Het huwelijk tussen beiden moest oorspronkelijk begin 1881 plaatsvinden. Zij is echter vrij naïef en dus nog niet klaar om in het huwelijk te treden. Hierdoor wordt de plechtigheid uitgesteld en keert zij voor een korte tijd terug naar Brussel.

Aan de vooravond van haar 17e verjaardag mag ze zich aartshertogin van Oostenrijk en kroonprinses van Oostenrijk-Hongarije noemen. In 1883 kreeg het paar een dochter; aartshertogin Elisabeth Marie. Het huwelijk, dat niet uit liefde gesloten was, was aanvankelijk heel gelukkig. Stefanie had één zaak gemeen met haar schoonmoeder; de liefde voor Hongarije, ze had een oprechte band met dit land dat ze vaak bezocht.

Later zette het uitblijven van een mannelijke erfopvolger het huwelijk enigszins onder druk. De relatie tussen Stefanie en Rudolf belandt in een diep dal. Ook de band tussen Stefanie en haar schoonmoeder Sisi gaat van kwaad naar erger.

In de loop van 1884 krijgt haar echtgenoot Syfillis door een buitenechtelijke relatie. Wanneer deze wordt overgedragen aan Stefanie en zij onvruchtbaar wordt, ontstaat er een grote afkeer voor haar man. Stefanie ondervond weinig steun aan het Oostenrijkse hof. Met name haar schoonmoeder, keizerin Elisabeth vermeed haar. Zij noemde Stefanie een "moreel zwaargewicht" en een "lelijke olifant" en "die obelisk van tactloosheid". Hierdoor storten zij zich in de armen van hun maîtresses en minnaars.

Op 30 januari 1889 pleegt Rudolf, die psychische problemen heeft, samen met zijn geliefde Marie von Vetsera, zelfmoord op het jachtslot Mayerling. In hun eerste reactie richtte het keizerspaar hun pijlen op Stefanie, die de schande moest verdragen. Als weduwe werd de aartshertogin gedoogd in Wenen want ze was toch nog steeds de schoondochter van de keizer. Ze mocht al haar juwelen en voorrechten behouden zolang ze niet opnieuw huwde.

Leven na Mayerling[bewerken]

Elf jaar daarna huwde ze op 22 maart 1900 met Elemér Edmund Lónyay, graaf en vorst van Nagy-Lónya en Vásáros-Namény. Het huwelijk vond plaats in het Castello di Miramare bij Triëst. Haar tweede huwelijk was omstreden en werd zowel door het Belgische als het Habsburgse hof afgekeurd. De aartshertogin had haar kansen aan het Habsburgse hof voorgoed opgegeven, tot schande van haar vader. Daar kwam bij dat ze partij koos voor haar zuster, prinses Louise, die was weggelopen bij haar man Filips van Saksen-Coburg-Gotha. Keizer Frans Jozef nam haar dat zeer kwalijk en verbrak alle contact met haar.

Wanneer Leopold II in 1909 sterft, komt ze samen met Louise tot de ontdekking dat hij hen allebei uit zijn testament heeft gewist. Zijn fortuin heeft hij nagelaten aan zijn maîtresse barones de Vaughan en aan de Koninklijke Schenking. De zussen spannen een rechtszaak tegen de Belgische staat aan om hun deel van de koek op te eisen, maar ze bijten in het zand.

In 1937 publiceerde zij haar memoires getiteld 'Ich sollte Kaiserin werden'. De publicatie van het boek bracht een schandaal teweeg in Oostenrijk, maar verkocht zeer goed en werd in meerdere talen vertaald. Ze stierf in 1945, nadat ze op de vlucht was geslagen voor het Rode Leger, en haar intrek had genomen in de Hongaarse Benedictijner Abdij van Pannonhalma. Zij werd 81 jaar oud.

Nageslacht[bewerken]