Van de grotten en jungles van Hindoestan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De eerste Engelse uitgave, 1892

Van de grotten en jungles van Hindoestan (From the Caves and Jungles of Hindostan) is een boek van de theosofe Helena Petrovna Blavatsky, dat in 1892 (postuum) werd uitgegeven in Londen, New York en Madras en in 1950 verscheen als Volume V binnen de serie Haar Verzamelde Geschriften. Het gaat over een denkbeeldig reisverslag door Hindoestan (India), waarbij ze de ervaringen van verschillende reizen die ze werkelijk had gemaakt samen bracht.

De teksten waaruit het reisverslag bestaat werden voor het eerst opgenomen in de Russische krant Moskovskieje Vedomosti ("Moskouse Kroniek") van de Universiteit van Moskou onder Michail Katkov, van 30 november 1879 tot januari 1882. De bijdragen werden vanuit India opgestuurd. Maar na 39 edities kwam er een abrupt eind aan het vervolgverhaal. In 1883 werd de hele tekst opnieuw gepubliceerd in de Roesski vestnik ("Russische Boodschapper"), eveneens van Katkov, waar ook Tolstoj, Toergenjev en Gontsjarov voor schreven). Ook hier werd de serie afgebroken in augustus 1883. Er kwam een vervolg van november 1885 tot augustus 1886, wat eindigde met 'Wordt Vervolgd' van Radda Bai (Blavatsky's pseudoniem). Maar het reisverslag is hierbij gebleven.

Al eerder, tussen 1877 en 1880, schreef Blavatsky vanuit New York acht artikelen voor de Pravda ("Waarheid") van Osip Florovitsj Dolivo-Dobrovolski en negen artikelen voor de Tiflisski vestnik ("Tifliser boodschapper") van vorst K.A. Beboetov in 1878.

Pelasgen en Cyclopen[bewerken]

Blavatsky onderschreef in dit boek de ideeën van Edward Pococke, auteur van India in Greece or Truth in Mythology (1855), dat Griekse namen van Indiase herkomst zijn. Met India wordt prehistorisch India aangeduid. Als de dichter Asius, uit ca. 700 v. Chr. over koning Pelasgus schreef, dat hij uit de zwarte aarde was gegroeid en Aeschylus in zijn Supplices (250-251), dat Pelasgus de zoon was van Palaichthôn, dan oppert Pococke, en Blavatsky met hem, dat Pelasgus weleens geboren zou kunnen zijn in Gayâ (eerder Jainam-Gayâ), de oude hoofdstad van Bihar, dat zelf eerder Palâsa en daarvoor Pâlivarta of Pâliktana heette. Paliktana was het land waar Pâli, de religieuze taal van de boeddhisten, werd gesproken. Pâli (oorspronkelijk, ruw) ging aan het Sanskriet (Samskrita, voltooid, gepolijst) vooraf. Pococke dacht dus dat Pelasgus niet uit Gaia (aarde) was geboren, maar de zoon was van Pâliktana (Palaichthôn), het oude vaderland van de Grieken en in Gayâ was geboren. De Pelasgen stamden van Pelasgus af.

Volgens Blavatsky vormen zesendertig Râjput-stammen, de Râjkula, de sleutel tot de herkomst van de Griekse volkeren. Na de Grote Oorlog tussen de Pandava's en Kuru's, beschreven in de Mahabharata, migreerden de stammen van de Sûryavansa's (zonvereerders) en hun tegenstanders de Induvansa's (maanvereerders) naar Kukarmadésa (het Land van Zonde, het westerse land).[1] De Rajput-stammen hadden vaak dierennamen, wat zou verklaren dat Rama in de Ramayana door 'dieren' wordt bijgestaan.[2]

Zo zouden ook de Cyclopen of Kuklôpes afstammen van de Gokula's van de Jumnâ.[3]

Krishna[bewerken]

Blavatsky zette in dit boek ook uiteen waarom ze ervan overtuigd was dat Krishna overeenkomt met Apollo, zijn broer Baladeva met Hercules en (Siva)-Vâgîsa met Bacchus:

Volgens Plato was de religie van Griekenland in zijn geheel van Egypte overgenomen en kwamen de goden van zowel Griekenland als Egypte uit het oosten.[4]

Krishna is Muralîdhara (fluitdrager) en god van de muziek en uitvinder van de 'chromatische verhouding'. De fluit ging aan de lier (van Apollo) vooraf. Vooral de bânslî (rietfluit) was het favoriete instrument van Kanyâ-Krishna. Krishna wordt onder zeven aspecten vereerd. Hij overwint de slang Nâgaputra, net als Apollo Python verslaat. Krishna doodt ook de zwarte slang Kâlîya-Nâga, zoals Apollo de kop van Hydra onder zijn hiel vertrapt. De mysteriën van zowel Krishna als Apollo werden in grotten opgevoerd. De gopî's (herderinnen), die krishna vergezellen, zijn de Muzen van Apollo, daar de belangrijkste onder hen aspecten van de godinnen Sarasvati en Lakshmi vertegenwoordigen, zoals wetenschap, kunst, wijsheid en poëzie. De Parnassus is een deel van de Paropamisos in Bamian en gaf haar naam aan de Griekse Parnassus. Het wordt Devanîka genoemd, bewoond door aardse goden, bhûdeva's, ofwel vergoddelijkte helden. Krishna en Rama trokken zich op de Parnassus terug in parnasi, kleine hutten van bamboe.

Volgens Diodorus droeg de Egyptische Apollo de titel Kan. Krishna-Kanyâ wordt Nîlanâth (blauwe god) genoemd. Blauw is het symbool van ruimte. Hij vergezelt de zielen van de gestorvenen naar Sûrya-Svarga (het zonneparadijs). Hij heeft dan een adelaarskop en een lotus in de hand. Ook de Egyptische Kan heeft een adelaarskop, een blauw lichaam en een lotus in de hand. Oulios is een van de namen van de Apollo van Delos. Hij is ook blauw en heeft een adelaarskop. Krishna is een zonnegod, heeft kudden koeien en stieren, die in de mythologie met de zon (Hari) zijn verbonden.[5]

Baladeva, Krishna's oudere broer, geldt volgens Blavatsky als het prototype van Hercules. De Hari-Kula's waren de prinsen van de heldhaftige stam van Hari (Zon). Een van hun leden emigreerde in de prehistorische tijden van de eerste farao's naar Egypte en rond hem werd de legende opgebouwd van de zonnegod Hêrakleês (van Hera en 'kleos', glorie, roem).[6]

Vâgîsa was het prototype van Bacchus, met zijn luipaardvel, klimop en wijnranken (bilva). Vâgîsa verscheen op de berg Su-Meru (heilige berg) bij Bamian in de Paropamisos. Hij bracht er de mensheid landbouw en beschaving bij. De Grieken verwarden de berg met mêros (dij), wat leidde tot de mythe dat Bacchus uit Zeus' dij zou zijn geboren. Sumeru werd Sumêros en later Tomaros.

Literatuur[bewerken]

  • Blavatsky, H.P. (1892), From the Caves and Jungles of Hindostan, The Theosophical Publishing House, derde druk 1993