Zegge

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zie artikel Zie Zegge (plaats) voor het dorp in de gemeente Rucphen.
Zegge
Stijve zegge (Carex elata)
Stijve zegge (Carex elata)
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:Eenzaadlobbigen
Clade:Commeliniden
Orde:Poales
Familie:Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)
Geslacht
Carex
L. (1753)
Verspreiding
Verspreiding
Afbeeldingen Zegge op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Zegge op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Zegge (Carex) is een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende overblijvend kruiden met een grasachtige groeivorm, behorend tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). Het geslacht Carex is met ruim 2000 soorten een van de grootste geslachten van de bedektzadigen.

Inleiding[bewerken]

Het geslacht zegge (Carex) heeft een vrijwel kosmopolitische verspreiding, maar komt vooral voor in gematigde en koude streken, en met een grote verscheidenheid aan standplaatsen. Zegges komen in veel habitats voor, met een voorkeur voor een vochtig substraat.

De soorten van de geslachten Cymophyllus (monotypisch), Kobresia (ca. 60 soorten), Schoenoxiphium (c. 15 soorten) en Uncinia (ca. 70 soorten) zijn naar aanleiding van moleculair-genetisch onderzoek bij het geslacht Carex gevoegd, waardoor Carex een monofyletisch geslacht is geworden binnen de geslachtengroep (tribus) Cariceae. Dit bleek in 2015 uit het werk van de Global Carex Group.[1]

De bloemen van zegges zijn eenslachtig en sterk gereduceerd. Er is geen bloemdek, zoals bij veel andere cypergrassen (bijvoorbeeld bij het geslacht Scirpus).

De mannelijke (♂) bloemen zijn meeldraadbloemen: ze bestaan alleen uit twee of drie meeldraden en staan altijd in de oksel van een kafje.

De vrouwelijke (♀) bloemen zijn stamperbloemen: ze bestaan alleen uit een stamper met een afgeplat of driekantig, eenzadig vruchtbeginsel, een stijl en twee of drie stempels. De stamperbloemen staan binnen een perigynum of "urntje" (utriculum). Het perigynium omgeeft de stamperbloem bijna volledig, met uitzondering van de opening aan de top. Door de opening van het perigynium kunnen de stempels naar buiten treden. De vrucht is een nootje. Bij veel zegges staan de urntjes elk met een stamperbloem in de oksel van een kafje.

Zegges hebben de bloemen in een samengestelde, vertakte bloeiwijzen: synflorescenties. Een synflorescentie is een samengestelde, sterk vertakte bloeiwijze, die gekenmerkt wordt door een eindelings deel van de bloeiwijze (coflorescentie) met daaronder zijdelings ingeplante paracladia (zijtakken met deelbloeiwijzen).

Vergelijkbare, sterk vertakte bloeiwijzen komen voor bij andere cypergrassen (Cyperaceae) en bij de echte grassen (Poaceae of Graminae).

Bij zegges en andere cypergrassen staan de paracladia (zijtakken) in de oksel van een schutblad (bractee). Deze paracladia lijken op aren of pluimen. Onderaan bij het paracladium, om de basis van de steel van de zijtak, bevindt zich een cladoprofyllum: een kokervormig, vliezig voorblad dat de steel omgeeft. Het cladoprofyllum zit vaak verborgen binnen de bladschede van het schutblad. Ook de zijtakken kunnen nog enkele keren vertakt zijn.

Eindelings aan de bloeiwijze of aan de zijtakken staan soms een groter aantal mannelijke bloemen bijeen in een coflorescentie, die traditioneel "mannelijke aar" worden genoemd.

In determinatiewerken wordt traditioneel het urntje (perigynum) met daarin de stamperbloem de "vrouwelijke bloem" genoemd. Dit geheel van urntje met stamperbloem staat altijd in de oksel van een kafje. Door hun sterke reductie lijken synflorescenties bij de meeste zegges gewoonlijk op eenvoudigere bloeiwijzen, zoals een groepje bijeenstaande "aren".

Om soorten op naam te brengen (determineren) is het vaak noodzakelijk om de gehele plant inclusief de ondergrondse delen van de plant te bekijken. Ook de rijpe nootjes met hun urntje, een soort van schutblad (bractee), zijn belangrijk voor de determinatie. Het geslacht bevat een aantal moeilijk te determineren soorten, ook al vanwege de uitgebreide bastaardvorming.

Enkele zeggesoorten worden als "siergras" gebruikt.

Historische omgrenzing[bewerken]

Linnaeus onderscheidde in Species plantarum (1753) het geslacht Carex, oorspronkelijk met 29 soorten.

Aan het einde van de 20e eeuw werd het geslacht Carex geplaatst in de geslachtengroep (tribus) Cariceae samen met de geslachten Kobresia, Uncinia, Schoenoxiphium en Cymophyllus met in het totaal 2150 soorten. Het geslacht Carex werd op verschillende manieren onderverdeeld in ondergeslachten. De classificatie van Georg Kükenthal heeft de meeste invloed gehad. Hij onderscheidde vier ondergeslachten: Carex, Vignea, Indocarex en Primocarex. Deze indeling is voornamelijk gebaseerd op de rangschikking van de mannelijke en vrouwelijke aren op de stengel.[2]

Indeling van geslacht Carex, zegge
Omstreeks de eeuwwisseling
Cladogram Carex
  • geslachtengroep Cariceae
    • geslacht Carex
      • ondergeslacht Psyllophora
         (Primocarex)
      • ondergeslacht Vignea
      • ondergeslacht Vigneastra
         (Indocarex)
      • ondergeslacht Carex
         (Eucarex)
    • geslacht Kobresia
    • geslacht Uncinia
    • geslacht Schoenoxiphium
    • geslacht Cymophyllus
  • geslachtengroep Cariceae
    • geslacht Carex
      • "Siderostictae clade"
        • "caricoid clade"
          • "core unispicate clade"
          • "Schoenoxiphium clade"
          • "core Carex clade"
          • "core Vignea clade"
Verklaring kleuren:
niet-monofyletische groep.
monofyletische groep.

Het geslacht Carex werd onderverdeeld in de vier ondergeslachten, waarvan sommige niet monofyletisch bleken te zijn:[3]

  • Carex subg. Carex met 1450 soorten met een wereldwijde verspreiding[4] De bloeiwijze heeft 1 of meer mannelijke toparen, die sterk verschillen van de vrouwelijke aren. De meeste soorten hebben een vruchtbeginsel met twee stempels.[5]
  • Carex subg. Psyllophora (Degl.) Peterm. (gelijk aan Kükenthal's "Primocarex") met 70 soorten[3] Soorten met een aar. De vruchtbeginsels hebben drie stempels.
  • Carex subg. Vignea (P. Beauv. ex T. Lestib.) Peterm. met 350 soorten, met kosmopolitische verspreiding[4] Aren tweeslachtig en zittend. De vruchtbeginsels hebben twee stempels.
  • Carex subg. Vigneastra (Tuckerman) Kükenthal (gelijk aan Kükenthal's "Indocarex"[3]) met 100 soorten, tropisch en subtropisch Azië[4] Soorten met gesteelde, tweeslachtige aren. De vruchtbeginsels hebben drie stempels.

Omstreeks de eeuwwisseling verschenen de eerste moleculair fylogenetische analyses op grond van een beperkt aantal genen, waaruit bleek dat de geslachtengroep Cariceae monofyletisch was. Binnen de cypergrassen is de geslachtengroep Scirpeae te zien als zustergroep van de geslachtengroep Cariceae, of zijn de Cariceae genest binnen de Scirpeae. De Global Carex Group voegde alle soorten van de geslachten Cymophyllus (monotypisch), Kobresia (ongeveer 60 soorten), Schoenoxiphium (ongeveer 15 soorten) en Uncinia (ongeveer 70 soorten) zijn samen binnen het geslacht Carex s.l.

Later onderzoek (2007) vond plaats op grond van het nucleair genoom en het plastoom. Op grond hiervan worden drie clades onderscheiden:

  1. "core Vignea clade" (grofweg overeenkomend met het ondergeslacht Vignea)
  2. "core Carex clade" (met de ondergeslachten Carex en Vigneastra)
  3. de "caricoide clade" (met de ondergeslacht Psyllophora, en de geslachten Cymophyllus, Kobresia, Schoenoxiphium en Carex).
    Hierbinnen zijn weer twee duidelijke clades te onderscheiden:
    • de "Schoenoxiphium clade" met Schoenoxiphium en enkele soorten uit het oorspronkelijke geslacht Carex
    • de "core unispicate clade" met Kobresia, Uncinia, Cymophyllus en soorten van Carex subg. Psyllophora.

Op grond van verder onderzoek (2014) moest geconcludeerd worden dat het geslacht Carex in de traditionele omgrenzing niet monofyletisch was, evenals de traditionele ondergeslachten met uitzondering van ondergeslacht Vignea. Daarbij werd duidelijk dat bij het vasthouden aan de andere monofyletische geslachten in de geslachtengroep Cariceae (te weten: Uncinia en Schoenoxiphium) het geslacht Carex parafyletisch en het geslacht Kobresia polyfyletisch zou zijn. De omgrenzingen en samenstelling van het geslacht Carex en van de geslachtengroep Cariceae was toe aan herziening.

Door het geslacht Carex op te vatten als het enige geslacht in de geslachtengroep (tribus) Cariceae met meer dan 2000 soorten wordt taxonomische stabiliteit bereikt. Hiervoor waren talrijke nomenclatorische wijzigingen in botanische namen noodzakelijk.[1]

Kenmerken[bewerken]

Vegetatieve kenmerken[bewerken]

De vegetatieve kenmerken zijn tamelijk constant binnen het geslacht zegge. De bladeren zijn grasachtig met een middennerf, maar bij het voormalige geslacht Cymophyllus zijn echter afwijkend door het ontbreken van een middennerf. Bij uitzondering zijn enkele andere soorten breedbladig.[6]

Zeggesoorten zijn vrijwel alle overblijvende kruiden. Enkele soorten bloeien reeds in het eerste jaar en zetten dan vrucht, waarna ze afsterven. Enkele andere soorten hebben een korte levensduur en leven slechte enkele jaren.

Alle soorten vormen wortelstokken, die echter bij pollenvormende soorten zeer kort zijn. De rizomen kunnen ook als uitlopers gevormd zijn, zodat de planten uitgestrekte zoden vormen. Enkele soorten, zoals stijve zegge (C. elata) hebben ook verticaal groeiende rizomen.

De stengel is meest driekantig (op dwarse doorsnede) of zelden rond. Bij de meeste soorten zijn de enige bovengrondse stengels de bloeistengels. De bladeren staan ingeplant aan de basis of verspreid langs de de stengel. Bij vegetatieve spruiten bestaat het bovengrondse deel voornamelijk uit de elkaar overlappende bladscheden, slecht zelden is er een echte stengel met knopen en daartussen internodiën. Bij enkele soorten zijn er tot lange stolonen omgevormde spruiten, die dienen voor de vegetatieve vermeerdering.

De bladeren zitten aan de basis en in drie rijen aan de stengels, maar bij enkele soorten zijn alle bladeren ingeplant aan de basis.

Bij de overgang van blaschede naar bladschijf is er een ligula. De bladschijf is in dwarse doorsnede vlak (en heeft dan een middennerf), V-vormig of M-vormig. Zelden is de bladschijf lijnvormig, ingerold of rond, maar meestal smaller dan 20 mm breed.

Bloemen en bloeiwijzen[bewerken]

De termen "bloem", "vrouwelijke bloem", "bloeiwijze", "aartje" en "aar" hebben op verschillende wijzen en daardoor onduidelijk gedefinieerde betekenissen. Ze worden hieronder besproken op een plantenmorfologisch meer correcte wijze, maar ook worden de traditionele termen genoemd.

Door de eenslachtige bloemen en de afwezigheid van een periant wijken de bloemen bij het geslacht Carex duidelijk van af van die bij de zustergroep, het geslacht Scirpus, waar de bloemen tweeslachtig zijn en een uit 6 borstels bestaand periant hebben. Er is dus bij het geslacht Carex een onderscheid tussen meeldraadbloemen (mannelijk) en stamperbloemen (vrouwelijk).

Meeldraadbloemen[bewerken]

De periantloze (♂) meeldraadbloemen bij Carex zijn zeer sterk gereduceerd en bestaan uit slechts twee of drie meeldraden. De meeldraadbloemen staan steeds in de oksel van een kafje zijdelings op een as.

De meeldraadbloemen staan bijeen in een deel dan de bloeiwijzen, zoals enkele aan het einde van een rachilla, of in grotere aantallen in een coflorescentie aan het uiteinde van de spil van de samengestelde bloeiwijze. In dit laatste geval is de traditionele term voor zo'n coflorescentie: "mannelijke aar". Mannelijke bloemen zijn vaak te vinden aan de uiteinden van zijtakken in de bloeiwijzen.

Stamperbloemen[bewerken]

Ook de periantloze (♀) stamperbloemen zijn zeer sterk gereduceerd en bestaan uit slechts een stamper. De stamper heeft met eenzadig vruchtbeginsel, een stijl en twee of meestal drie stempels. Het vruchtbeginsel is driekantig of meer afgeplat met twee ribben.

De stamperbloemen staan in sterk gereduceerde bloeiwijzen op een zijasje, de rachilla.

De stamperbloemen zijn aan de basis van de soms sterk gereduceerde rachilla omgeven door een zak- of flesvormig perigynium (vaak "urntje" of "utriculum" genoemd). Het perigynum staat steeds in de oksel van een kafje. Aan de top heeft het perigynium een kleine opening waardoorheen tenminste de stempels kunnen uitsteken.

De rachilla in het perigynium is volledig gereduceerd tot goed ontwikkeld bij sommige soorten. In het laatste geval kan de rachilla haakvormig zijn of kunnen er op deze rachilla nog meeldraadbloemen (in de oksel van hun eigen kafjes) staan. De meest complexe rachillae hebben zijtakjes: rachillae van de tweede orde met weer urntjes met eventueel stamperbloemen.

Een perigynium of "urntje", met daarin gereduceerde rachilla en de stamperbloem worden gezamenlijk in determinatiewerken traditioneel "vrouwelijke bloem" genoemd.

Bloeiwijzen[bewerken]

Carex (zegge)[7]
tak met inflorescentie-knoop
  • rachis of rachilla
    • "inflorescentie-knoop" met schutblad of kafje
      • cladoprofyllum (zelden: perigynium)
      • zelden: stamperbloem ()
      • zijtak of rachilla
        • […]
tak met mannelijke-bloem-knoop
  • rachis of rachilla
    • "mannelijke-bloem-knoop" met kafje
      • meeldraadbloem ()
        • 2 of 3 meeldraden
tak met vrouwelijke-bloem-knoop
  • rachis of rachilla
    • "vrouwelijke-bloem-knoop" met kafje
      • perigynium (urntje)
      • stamperbloem (): stamper
        • vruchtbeginsel
          • zaadknop
        • (stijl)
        • 2 of 3 stempels
      • rachilla 2de orde (sterk) gereduceerd
        • […]
tak met slapende knoop
  • rachis of rachilla
    • slapende knoop met kafje
    • […]

De bloeiwijze bij het geslacht zegge is een synflorescentie en is complex en zeer variabel, maar gewoonlijk met vergaand gereduceerde onderdelen.

Een bloeihalm bij Carex is een synflorescentie, met als hoofdbloeiwijze de gewoonlijk terminale groep van bijeen staande meeldraadbloemen (een coflorescentie, de "mannelijke aar" in de oude terminologie). Onder deze hoofdbloeiwijze kan zich een zone bevinden met een of enkele vertakkingen, de paracladiale zone. Deze zijtakken (paracladia) eindigen gewoonlijk elk ook weer in een coflorescentie, een groep van mannelijke bloemen. Een paracladium staat in de oksel van een schutblad of bractee, en heeft om de basis van de zijtak (rachilla) een meestal nauw om de as sluitend kokervormig cladoprofyllum.

Oeverzegge (C. riparia), met centraal cladoprofyllum (met donkere rand) in de oksel van het teruggeslagen schutblad

Er zijn bij de knopen in de bloeiwijzen drie verschillende mogelijkheden (tenzij de knopen slapend blijven):

  1. bij een "inflorescentie-knoop" kan de knop kan uitgroeien tot een zijtak van de volgende orde,
  2. bij een "vrouwelijke-bloem-knoop" kan de knop kan uitgroeien tot een rachillae met elk tenminste een stamper bloem en een omgevend perigynium,
  3. bij een "mannelijke-bloem-knoop" kan de knop kan uitgroeien tot meeldraadbloemen direct op de betreffende zijtak.

Dit patroon kan zich herhalen bij vertakkingen van de tweede, derde orde of nog hogere orde bij enkele soorten. De eerste twee knooptypen zijn in principe gelijk in het produceren van een zijas of rachilla, die zelf, of direct op de as of na opnieuw te vertakken, tenminste een bloem voortbrengen.

De architectuur van de bloeiwijzen bij Carex verschillen principieel van die van de andere cypergrassen: stamperbloemen zijn allen daar te vinden waar zich vertakkingen bevinden, en waar het eerste profyl op de nieuwe zijtak de stamperbloem als een urntje omsluit.

Perigynium en rachilla[bewerken]

In twee belangrijke punten wijken de aartjes bij de zeggen (Carex) af van die bij de meer karakteristieke soorten binnen de onderfamilie Cyperoideae van de cypergrassen: het tot perigynum (urntje) ontwikkelde voorblad (profyl), en de reductie van de rachillae.

Het perigynium of urntje is bij de zeggen een gemodificeerd voorblad of profyl tot in een gewoonlijk zak- of flesvormige structuur. Het perigynum omsluit de basis van de "rachilla", secundaire spruit, zij-asje, en is evenals het vruchtbeginsel min of meer driekantig of meer afgeplat. De stijl en stempel steken door de bovenopening van het perigynium naar buiten. Bij enkele soorten van het voormalige geslacht Kobresia is het perigynium nog wijder geopend. Bij het voormalige geslacht Schoenoxiphium is opening van sommige perigynia zelfs tamelijk wijd.

De rachilla is rudimentair bij Cymophyllus en afwezig of, bij Carex bij de meeste soorten, gereduceerd tot een zeer kleine structuur.
Bij de voormalige geslachten Kobresia, Uncinia, Schoenoxiphium en enkele soorten van Carex (oude omgrenzing) is de rachilla in verschillende mate ontwikkeld.

  • Bij soorten van het voormalige geslacht Schoenoxiphium kan de rachilla distaal (aan het uiteinde) enkele meeldraadbloemen (elk in de oksel van een kafje) dragen die uitsteken uit het perigynium met stampers.
  • Bij veel soorten van het voormalige geslacht Kobresia en bij enkele soorten van Carex (oude omgrenzing) zijn ook distale meeldraadbloemen te vinden, restanten daarvan of slechts de daarbij behorende kafjes.
  • Bij soorten van het voormalige geslacht Uncinia steekt de rachilla uit het perigynium en is distaal tot een haakje omgebogen (functioneel bij de verspreiding van de vruchten), maar het draagt slechts zelden meeldraadbloemen.

Terminologie[bewerken]

In determinatiesleutels van zeggesoorten worden de termen technisch gewoonlijk incorrect gebruikt op onderstaande wijze:

  • de gewoonlijk als "vrouwelijke bloem" opgevatte structuren zijn vrouwelijk aartjes die bestaan uit een perigynium of urntje (in de oksel van een kafje) met daarin een sterk gereduceerde stamperbloem met één stamper of een nootje (vruchtbeginsel, stijl en stempels).
  • de gewoonlijk als "aren" opgevatte structuren zijn de zijtakken van de eerste orde (paracladia) van de synflorescenties. Als er geen paracladia zijn, wordt de bloeiwijze "eenarig" genoemd. Het probleem met de term "aren" is, dat deze niet meer gebruikt kan worden als de paracladia nogmaals vertakt zijn, met name bij de zeggesoorten die werden gerekend tot het voormalige geslacht Schoenoxiphium.
  • de als "vrouwelijke aren" opgevatte deelbloeiwijzen zijn de gewoonlijk lager geplaatste paracladia, waaraan zich alleen "vrouwelijke bloemen" bevinden. De rachillae binnen de perigynia (urntjes) dragen dan geen mannelijke bloemen of verdere "vrouwelijke bloemen".
  • de als "mannelijke aar" opgevatte deelbloeiwijze is een coflorescentie, een opeenhoping van meeldraadbloemen aan het einde van de hoofdbloeiwijze: de synflorescentie.

Typologie[bewerken]

In het geslacht Carex kunnen verschillende typen bloeiwijzen worden onderscheiden, op grond van de mate van vertakking en de mate van reductie van de onderdelen van de bloeiwijzen. De verschillende typen zijn genoemd naar de namen van de (voormalige) geslachten die er toe worden gerekend.

Bij het carex-type worden de sterkst gereduceerde bloeiwijzen met meeldraadbloemen en vrouwelijke aartjes ("vrouwelijke bloemen") gevonden: de rachilla binnen het urntje is sterk gereduceerd tot afwezig. De bloeiwijze is bij een groot aantal soorten vertakt, maar onvertakt bij verscheidene andere soorten. Bij het uncinia-type zijn er vrouwelijke, waarbij er een rachilla door de opening van het urntje naar buiten steekt. Deze rachilla is haakvormig en heeft een functie bij de verspreiding van de vruchten. Bij het kobresia-type is is de rachilla nog verder ontwikkeld en draagt aan het uiteinde enkele meeldraadbloemen in de oksel van kafjes. De bloeiwijze is onvertakt of vertakt.

Bij het schoenoxiphium-type is er een grote verscheidenheid in de bouw van de "aartjes". De bouw is vergelijkbaar met die bij het kobresia-type, maar de binnen het urntje (die wijdmondig is en enigszins vergelijkbaar met een cladoprofyllum) staande rachilla kan aan het uiteinde nog meer meeldraadbloemen dragen, of zelfs nog daaronder enkele urntjes met stamperbloem en rachilla of urntjes met stamperbloem en rachilla met meeldraadbloemen.

Carex-type[bewerken]

Bloemdiagram, aartje in de oksel van een kafje
A = ♂ bloem (3 meeldraden)
B = ♀ aartje met bloem met 3 stempels
C = ♀ aartje met 2 stempels
D = ♀ aartje met geschematiseerd
as van aartje, utr. = urntje, perigynium
a  = rachilla, secundaire spruit, met
kafje (iets lager dan rachilla en urntje)
Carex-type[7]
éénbloemig vrouwelijk aartje ()
"vrouwelijk bloem"
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze) ()
    • kafje van vrouwelijk aartje ({)
      • (utr.) perigynium (urntje)
      • (B, C) kafje van een stamperbloem: stamper
        • vruchtbeginsel / nootje
          • zaadknop
        • (stijl)
        • 2 of 3 stempels
      • (a)  rudimentaire rachilla
meeldraadbloem ()
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze) ()
    • kafje van meeldraadbloem ({)
      • (A) meeldraadbloem
        • 3 meeldraden
synflorescentie
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze)
    • bractee, schutblad met proximaal vrouwelijk paracladium
       (vrouwelijke "aar")
      • rachilla van de 1ste orde van proximaal paracladium
        • cladoprofyllum
        • kafje van vrouwelijk aartje
          • perigynium, urntje
          • stamperbloem: stamper
          • rudimentaire rachilla van 2de orde
        • […]
    • bractee met distaal tweeslachtig paracladium
       (tweeslachtige "aar")
      • rachilla van de 1ste orde van distaal paracladium
        • cladoprofyllum
        • kafje van vrouwelijk aartje
          • perigynium, urntje
          • stamperbloem: stamper
          • rudimentaire rachilla van 2de orde
        • […]
        • kafje van ♂ bloem
          • meeldraadbloem
        • […]
    • kafje van ♂ bloem
      • meeldraadbloem
    • […]

Bij het geslacht Carex in de oorspronkelijke omgrenzing en bij het voormalige geslacht Cymophyllus, maar ook sommige soorten bij de voormalige geslachten Schoenoxiphium en Kobresia, komen bloemen en aartjes van het carex-type voor. De aartjes worden gekenmerkt door afwezige of rudimentaire rachilla, een vrijwel gesloten, aan de top open perigynum (urntje) en stamper met een eenzadig vruchtbeginsel, stijl en twee of drie stempels.

Uncinia-type[bewerken]

C. kingii (Boott) Reznicek (Uncinia kingii)
Plate CXLV of Hooker's Flora Antarctica.
Uncinia-type[7]
éénbloemig vrouwelijk aartje ()
"vrouwelijk bloem"
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie
    • (2) kafje van een vrouwelijk aartje
      • perigynium (urntje)
      • stamperbloem: stamper
      • rachilla met haak
meeldraadbloem ()
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie
    • (4) kafje van meeldraadbloem
      • meeldraadbloem
synflorescentie (bloeiwijze)
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie
    • kafje van een vrouwelijk aartje
    • […]
    • kafje van meeldraadbloem
      • meeldraadbloem
    • […]

Bij Carex-soorten van het voormalige geslacht Uncinia komen enkelbloemige vrouwelijke aartjes voor. Er is een uit het perigynium uittredende rachilla. De rachilla draagt geen kafjes of bloemdelen maar heeft een haak aan het einde. De haak heeft een functie bij de verspreiding van de vruchten. Dit type eenslachtige aartjes worden gevonden bij enkele Carex-soorten van het voormalige geslacht Uncinia.

Kobresia-type[bewerken]

Kobresia-type[7]
tweeslachtig aartje ()
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze)
    • kafje van tweeslachtig aartje
      • extra kafjes
      • perigynium
      • stamperbloem: stamper
      • rachilla 2de orde
        • kafje van meeldraadbloem
          • meeldraadbloem
meeldraadbloem ()
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze)
    • kafje van meeldraadbloem
      • meeldraadbloem
éénarige bloeiwijze
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze)
    • […]
    • kafje van tweeslachtig aartje
      • perigynium
      • stamperbloem: stamper
      • rachilla 2de orde
        • kafje van meeldraadbloem
          • meeldraadbloem
    • […]
    • kafje van meeldraadbloem
      • meeldraadbloem
    • […]
meerarige bloeiwijze
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie (bloeiwijze)
    • bractee, schutblad van synflorescentie
       met proximaal paracladium
      • rachilla van de 1ste orde van proximaal paracladium
        • cladoprofyllum
        • kafje van vrouwelijk aartje
          • perigynium
          • stamperbloem: stamper
          • rachilla 2de orde
        • […]
        • kafje van meeldraadbloem
          • meeldraadbloem
        • […]
    • […]
    • bractee van synflorescentie met distaal paracladium ("aar")
      • […]
    • […]
A: C. bistaminata (W.Z.Di & M.J.Zhong) S.R.Zhang (Kobresia caricina Willd., Kobresia simpliciuscula (Wahlenb.) Mack.)
B: C. myosuroides Vill. (Elyna myosuroides (Vill.) Fritsch ex Janch., Kobresia myosuroides (Vill.) Fiori)

Bij de Carex-soorten van het kobresia-type een perigynium in de oksel van een kafje met enkele extra kafjes. In het perigynium staat een stamperbloem (stamper: vruchtbeginsel, stijl en stempels), naast een rachilla met, in de oksel van kafjes, een of enkele meeldraadbloemen (3 meeldraden). Dit type tweeslachtige aartjes worden gevonden bij enkele Carex-soorten van het voormalige geslacht Kobresia.

Schoenoxiphium-type[bewerken]

C. capensis Thunb. (Schoenoxiphium ecklonii Nees.)
Schoenoxiphium-type[7]
tweeslachtig aartje ()
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie
    • […]
    • kafje van tweeslachtig aartje
      • perigynium
      • stamperbloem: stamper
      • rachilla
        • kafje van meeldraadbloem
          • meeldraadbloem
        • […]
    • […]
meerbloemig tweeslachtig aartje ()
met secundaire rachilla's
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie
    • […]
    • kafje van tweeslachtig aartje
      • open perigynium
      • stamperbloem: stamper
      • rachilla 1ste orde
        • kafje van vrouwelijk aartje
          • periginium
          • stamperbloem: stamper
          • rachilla 2de orde
        • kafje van tweeslachtig aartje
          • periginium
          • stamperbloem: stamper
          • rachilla 2de orde
            • kafje van meeldraadbloem
              • meeldraadbloem
            • […]
        • kafje van meeldraadbloem
          • meeldraadbloem
        • […]
    • […]
Synflorescentie (samengestelde bloeiwijze)
  • spil (rachis, hoofdas) van synflorescentie
    • onderste bractee (schutblad) van proximaal paracladium
      • cladoprofyllum
      • rachilla van de 1ste orde van proximaal paracladium
        • cladoprofyllum
        • bractee
          • cladoprofyllum
          • kafje van vrouwelijk aartje
            • perigynium
            • stamperbloem: stamper
            • rachilla 3de orde
          • kafje van meeldraadbloem
            • meeldraadbloem
          • […]
        • […]
        • kafje van tweeslachtig aartje
          • perigynium
          • stamperbloem: stamper
          • rachilla 2de orde
            • kafje van meeldraadbloem
              • meeldraadbloem
            • […]
        • […]
        • kafje van meeldraadbloem
          • meeldraadbloem
        • […]
    • […]
    • bractee van synflorescentie met distaal paracladium
      • […]

Bij de Carex-soorten van het schoenoxiphium-type is de bouw van de aartjes divers. Bij het eenvoudige type staat een vrijwel gesloten perigynium met een (♀) stamperbloem (stamper: vruchtbeginsel, stijl en stempels) en een rachilla met enkele (♂) meeldraadbloemen (3 meeldraden).

In een meerbloemig tweeslachtig aartje met secundaire aartjesassen staat het geheel in de oksel van een kafje. Onderaan van de rachilla omvat een wijdmondig perigynium de basis ervan, met een binnen het perigynium geplaatste stamperbloem. Op de uitgegroeide rachilla bevinden zich aan het uiteinde (terminaal) van de rachilla enkele meeldraadbloemen en daaronder enkelein perigynia geplaatste stamperbloemen met rachillae, waarop zich terminaal weer meeldraadbloemen kunnen bevinden.

De synflorescentie van Schoenoxiphium bestaat uit verschillende paracladia (deelbloeiwijzen). He proximale paracladium met twee in de oksel van een schutblad staande, meerbloemige, tweeslachtige (⚥) aartjes met cladoprofyllum; enkele tweeslachtige aartjes (met perigynium en rachilla met enkele meeldraadbloemen); coflorescence met enkele meeldraadbloemen.

In Nederland voorkomende soorten[bewerken]

In Nederland voorkomende soorten
Nederlandse naam Botanische naam
Blaaszegge C. vesicaria
Blauwe zegge C. panicea
Bleke zegge C. pallescens
Blonde zegge C. hostiana
Boszegge C. sylvatica
Dichte bermzegge C. muricata
Draadzegge C. lasiocarpa
Drienervige zegge C. trinervis
Dwergzegge C. viridula
Elzenzegge C. elongata
Geelgroene zegge C. demissa
Gele zegge C. flava
Gewone bermzegge C. spicata
Gladde zegge C. laevigata
Groene bermzegge C. divulsa
Hangende zegge C. pendula
Hazenzegge C. ovalis
Heidezegge C. ericetorum
Hoge cyperzegge C. pseudocyperus
IJle hazenzegge C. crawfordii
IJle zegge C. remota
Kleine knotszegge C. hartmanii
Knotszegge C. buxbaumii
Kustzegge C. divisa
Kwelderzegge C. extensa
Moeraszegge C. acutiformis
Noordse zegge C. aquatilis
Oeverzegge C. riparia
Paardenhaarzegge C. appropinquata
Pilzegge C. pilulifera
Pluimzegge C. paniculata
Polzegge C. cespitosa
Ribbelzegge C. vulpinoidea
Rivierduinzegge C. ligerica
Ronde zegge C. diandra
Ruige zegge C. hirta
Scherpe zegge C. acuta
Schubzegge C. lepidocarpa
Slanke zegge C. strigosa
Slijkzegge C. limosa
Snavelzegge C. rostrata
Sterzegge C. echinata
Stijve zegge C. elata
Stippelzegge C. punctata
Trilgraszegge C. brizoides
Tweehuizige zegge C. dioica
Tweenervige zegge C. binervis
Tweerijige zegge C. disticha
Valse voszegge C. otrubae
Valse zandzegge C. reichenbachii
Viltzegge C. tomentosa
Vingerzegge C. digitata
Vlozegge C. pulicaris
Voorjaarszegge C. caryophyllea
Voszegge C. vulpina
Vroege zegge C. praecox
Waardzegge C. divisa
Zandzegge C. arenaria
Zeegroene zegge C. flacca
Zilte zegge C. distans
Zompzegge C. canescens
Zwarte zegge C. nigra

Literatuur[bewerken]