Autoluwte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met autoluwte wordt bedoeld dat er relatief weinig gemotoriseerd verkeer is.

Veelal is dit in bebouwde kommen van dorpen of bepaalde gedeelten in steden. Ook de zogenaamde woonerven kan men onder autoluwe gebieden rekenen.

Geschiedenis[bewerken]

Het idee van autoluwe gebieden kwam vooral nadat de auto in de jaren '50 en '60 van de 20ste eeuw steeds meer plaats in ging nemen in de steden, waardoor binnensteden steeds onveiliger werden. Een van de meest notabele voorbeelden van autoluwte in de geschiedenis is het Verkeerscirculatieplan Groningen. In de Groningse binnenstad wordt dan het zogenaamde 'sectorenmodel' gehanteerd, wat inhoudt dat als men van de ene naar de andere buurt wil, men de hele wijk uit moet om in de andere buurt te komen. Niet-gemotoriseerd verkeer kan zich echter wel rechtstreeks verplaatsen. Een ander voorbeeld hiervan is terug te vinden in Houten. Veelal werden in de jaren '70 en in de eerste helft van de jaren '80 van de 20ste eeuw zogenaamde 'bloemkoolwijken' gebouwd. Bloemkoolwijken kunnen ook onder autoluwe gebieden worden gerekend, omdat de meeste woonerven in zo'n wijk zodanig zijn opgezet dat doorgaand verkeer zeer lastig of onmogelijk is. Woonerven zijn vooral van belang voor spelende kinderen, omdat het verkeer veel langzamer door een woonerf moet en kan rijden dan door een 'gemiddelde' woonbuurt.

Een autoluwe dag kan ook een alternatief zijn voor een autovrije zondag.