Zeelelies

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Crinoidea)
Ga naar: navigatie, zoeken
Zeelelies
Passiebloemhaarster (Ptilometra australis)
Passiebloemhaarster (Ptilometra australis)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Echinodermata
Onderstam: Crinozoa
Klasse
Crinoidea
Miller, 1821
Wikimedia Commons Afbeeldingen Zeelelies
Zeelelies op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Zeelelies (Crinoidea) zijn een klasse van stekelhuidige dieren die allemaal leven in zee. Ondanks hun naam zijn het geen echte lelies, die behoren tot de planten. Zeelelies doen wel sterker denken aan een plant dan aan een dier vanwege de vele vertakte armen en de zeer langzame voortbeweging, als ze dat al kunnen. Er zijn twee groepen; gesteelde zeelelies die hun hele leven op een steel leven en ongesteelde zeelelies. Deze laatsten beginnen hun leven ook op een steel maar deze wordt na enige tijd verlaten waarna de zeelelie zich kan verplaatsen. Soorten die tot deze laatste groep behoren worden ook wel haarsterren genoemd.

Onder gunstige omstandigheden kunnen zeelelies in enorme aantallen voorkomen waarbij ze grote delen van de zeebodem bedekken en zo het onderwaterlandschap bepalen. Zeelelies komen voor van ondiepe koraalriffen tot dieptes van 6 kilometer onder zeeniveau. Ze leven van voedseldeeltjes die in het water zweven en gevangen worden met de geveerde armen. De voedseldeeltjes worden vervolgens naar de mond gebracht.

Inhoud

[bewerken] Evolutie

Honderd jaar geleden werden zeelelies nog beschouwd als uitgestorven. De fossielen van zeelelies waren al lange tijd bekend omdat ze in grote hoeveelheden zijn aangetroffen in rotsformaties. Er was echter nog nooit een levend exemplaar gezien, tot ze in de negentiende eeuw plots werden opgevist. Het onderzoeksschip HMS Challenger dregde levende zeelelies op uit de diepte. Later werden ze ook aangetroffen bij reparatiewerkzaamheden aan onderzeese kabels in de Atlantische Oceaan die op grote diepten liggen.

Zeelelies komen al bijna 500 miljoen jaar voor en worden beschouwd als levend fossiel, de eerste zeelelies zijn bekend vanaf het Ordovicium, en waren bewoners van ondiepe zeeën. De zeelelies kwamen tot grote bloei in het Siluur, ongeveer 350 tot 400 miljoen jaar geleden.[1]

Ze leefden al in tijden dat er nog geen gespecialiseerde roofdieren waren en de zeelelies hebben zich in enorme aantallen afgezet op de zeebodem en kunnen wereldwijd worden aangetroffen. Vooral de gefossiliseerde steelschijfjes zijn op veel plaatsen teruggevonden. Een bekende vindplaats van gefossiliseerde zeelelies is Holzmaden in Duitsland. Sommige kalksteenformaties bestaan voornamelijk uit de skeletten van zeelelies.[2] Er zijn fossiele soorten bekend die tientallen meters lang werden.

[bewerken] Uiterlijke kenmerken

Artist's impression van een uitgestorven Pentacrinites- soort.

Zeelelies vallen op door hun vaak felle kleuren die uiteenlopen van rood tot blauw of groen. Een aantal tropische soorten kan in ondiep water leven en zijn net moeilijk in leven te houden waardoor ze door de bonte kleuren populair zijn als aquariumdier. Deze kleuren vergaan overigens snel na de dood van het dier, in vloeistof geconserveerde exemplaren worden wit tot grijs.

Wat direct opvalt zijn de lange 'armen' van de zeelelie, deze bestaan meestal uit vijf armen die aan de schijf aan de bovenzijde van het lichaam ontspruiten. Bij veel soorten zijn de vijf armen verder vertakt, zodat tien armen of meer ontstaan. Soorten met meer dan 40 armen zijn echter ook beschreven en er is een soort bekend die meer dan 200 armen droeg. De armen zijn voorzien van lange, verharde structuren die aan weerszijden van de arm staan en dienen om het vangoppervlak te vergroten. De verharde stekels worden pinnula genoemd en zijn bezet met trilharen. Deze haartjes wuiven de op de armen opgevangen voedseldeeltjes in een groef op het midden van de arm, waarna het voedsel in slijm wordt verpakt en naar de mond wordt gebracht. Het voedsel van de zeelelies bestaat uit deeltjes die in het water zweven en van organische aard zijn.

Het lichaam is grotendeels opgebouwd uit kalk, alle soorten hebben in het juveniele stadium een steel waaraan het lichaam is vastgehecht aan de ondergrond. Deze steel is opgebouwd uit kalkschijfjes die sterk doen denken aan wervels. Zeelelies behoren echter tot de ongewervelden. Zeelelies wijken af van andere stekelhuidigen doordat de mond aan de bovenzijde van het lichaam gepositioneerd is, en niet aan de onderzijde zoals bij zeesterren en zee-egels. De mond en anus zijn hierdoor naast elkaar aan de bovenzijde van het lichaam gelegen.[3] De mond is naar de zijkant verplaatst en de anusopening is op een verhoging gelegen zodat het dier niet zijn eigen uitwerpselen binnenkrijgt.

De gesteelde zeelelies hebben een lange en stevige steel waarop zij permanent verblijven, deze structuur wordt de pedunculum genoemd. De ongesteelde soorten hebben kleine, pootachtige structuren die de cirri worden genoemd. Deze vrijlevende zeelelies worden ook wel met haarsterren aangeduid.[4] Er is echter één orde van zeelelies, de Isocrinida, die wel cirri bezit om zich vast te hechten. De gesteelde zeelelies zijn zeldzamer dan de haarsterren, en zijn vooral op grotere dieptes te vinden. Zij hebben een lange fossiele geschiedenis. Deze cirri vormen een soort klauwtjes waarmee haarsterren zich in het volwassen stadium aan rotsen en koralen vasthechten. Veel soorten die cirri bezitten zijn goede klimmers die op koralen kruipen zodat ze meer voedseldeeltjes kunnen opvangen. Een zeelelie gebruikt hierbij slechts de armen en kan zich zeer langzaam verplaatsen.

[bewerken] Levenswijze

De meeste zeelelies bestaan uit een permanent aan de steel gebonden vorm, de vormen die de steel verlaten en vrij kunnen bewegen zijn ontstaan uit de gesteelde soorten. Uit de fossiele geschiedenis van de zeelelies blijkt dat de gesteelde soorten veruit in de overhand waren. Tegenwoordig echter zijn er veel meer ongesteelde soorten bekend die zich kunnen verplaatsen. Zeelelies kennen geen bioluminescentie zoals bij andere diepzeeorganismen wel wordt waargenomen, ze kunnen dus geen licht produceren.[4]

De voortplanting van zeelelies geschiedt door het afwerpen van zaad- en eicellen die in het zeewater worden meegevoerd. De dieren zoeken elkaar dus niet op voor een paring. De ontwikkeling begint als vrijzwemmende larve, die een aantal stadia doorloopt. Zodra de kalkskeletjes worden ontwikkeld, zinkt de larve naar de bodem waar het zich vastzet.

In het jonge stadium vormen zij allemaal een lange gelede stengel of steel waarmee zij in de ondergrond vastzitten. Deze breekt bij de soorten uit de groep Comatulida echter in een later stadium af, waarna de dieren vrij kunnen bewegen door golvende bewegingen van hun armen. Zij gebruiken dan hun cirri om zich aan rotsen of koralen vast te klemmen.

Zeelelies leven voornamelijk in tropische zeeën. Enkele soorten zijn in poolzeeën bij Antarctica aangetroffen maar vormen een uitzondering. Langs de Noordzeekust komen geen soorten voor. De soort Antedon bifida is een van de bekendere Europese soorten en komt voor in de Middellandse Zee.

[bewerken] Indeling

Een reusachtig fossiel van zeelelies die aan een stuk gefossiliseerd hout vastzitten, dit is de donkere sectie in het midden.

Zeelelies zijn een klasse van stekelhuidigen die vertegenwoordigd worden door enkele honderden moderne soorten. Deze behoren allemaal tot de Articulata. Deze onderklasse kan weer in verschillende orden worden ingedeeld waarbij er een tot de haarsterren, en vier tot de zeelelies behoren.

De zeelelies worden verdeeld in vijf verschillende onderklassen, waarvan er vier zijn uitgestorven. De enige moderne groep is de Articulata, die weer is verdeeld in verschillende orden.[5]

[bewerken] Afbeeldingen

[bewerken] Bronvermelding

Referenties

  1. Bernhard Grzimek Het leven der dieren deel III: weekdieren en stekelhuidigen, Kindler Verlag, 1970, Pagina 328 ISBN 90 274 8623 9.
  2. D Hillenius ea Spectrum Dieren Encyclopedie Deel 4, Uitgeverij Het Spectrum, 1971, Pagina 2576, 1577 ISBN 90 274 2097 1.
  3. Reef Magazine - Tomoka Shibata (vertaling Rien van Zwienen). Ontwikkeling en kweek van haarsterren.
  4. a b Lekturama Encyclopedie Geheimen der dierenwereld deel 10 - Geheimen van de zeebodem: Ongewervelde dieren, Uitgeverij Lecturama, Pagina 125 - 127
  5. Richard Stephen Kent Barnes. The diversity of living organisms - Pagina 307.

Bronnen

  • (nl) Lekturama Encyclopedie - Geheimen der dierenwereld deel 10 - Geheimen van de zeebodem: Ongewervelde dieren
  • (nl) D Hillenius ea - Spectrum Dieren Encyclopedie Deel 4 (1971) - Pagina 2576, 2577 - Uitgeverij Het Spectrum - ISBN 90 274 2097 1
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen