Essentialisme (filosofie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Essentialisme is een filosofische theorie die stelt dat voor (ten minste enkele) entiteiten, een rij van (ten minste enkele) bepalende karakteristieken en eigenheden is weggelegd.[1] Bepaalde (of misschien alle) dingen hebben met andere woorden een "essentie", die het gedrag, uiterlijk en verloop van het ding bepaalt. Deze visie kan gecontrasteerd worden met het existentialisme, welke zegt dat de mens een uitzondering is op deze regel, of het sociaal constructivisme, die stelt dat de dingen geen eigen essenties hebben, maar sociale constructies zijn.

Binnen het essentialisme wordt de essentie begrepen als dat wat een object of substantie noodzakelijk heeft en maakt tot wat het fundamenteel is. Heeft het die noodzakelijke eigenschap(pen) niet, dan verliest het zijn identiteit. Een hart is een voorbeeld van een noodzakelijkheid die men moet hebben om zichzelf een mens te kunnen noemen. Essentie is het tegengestelde van een accident: een eigenschap van het object of substantie dat geen noodzakelijk eigenschap is. Zelfs als dit accident wegvalt, blijft het object gewoon nog bestaan en zijn identiteit blijft behouden. Een mens heeft bijvoorbeeld geen haar nodig en zal bij verlies van haar nog steeds mens blijven (zijn 'essentie' blijft onaangetast).

Griekse oudheid[bewerken]

Plato wordt vaak gezien als een van de eerste essentialisten. Hij geloofde in het concept van ideale vormen, een abstracte entiteit waarvan elk individueel object slechts een 'schaduw' is. Bijvoorbeeld: de ideale vorm van een cirkel is een perfecte cirkel, iets dat fysisch onmogelijk te maken is, desondanks hebben al de cirkels die wij tekenen duidelijk een bepaald gemeenschappelijk idee.

Plato geloofde dat deze ideeën eeuwig, vaststaand en superieur aan hun aardse vertoningen zijn en dat wij deze vertoningen of 'schaduwen' slechts kunnen begrijpen doordat wij ze vergelijken met en verbinden met hun respectievelijke ideale vorm. Deze ideeënwereld wordt hierdoor ook gezien als de aartsvader van het essentialistische dogma. Dit beeld komt bijvoorbeeld ook duidelijk naar voren in Plato's allegorie van de grot.

Een ander belangrijk essentialist in de Griekse oudheid was Aristoteles. Hij bekritiseerde Plato vanwege zijn dualisme tussen deze aardse wereld en de ideeënwereld. Zelf was hij van mening dat de essentie van een ding in het ding zelf te vinden was. Alle dingen op aarde bestonden volgens hem enerzijds uit materie en anderzijds uit vorm. Het is deze vorm, bijvoorbeeld de vorm 'mens', die de nog onbepaalde materie een bepaald gestalte geeft. Met andere woorden ligt de essentie van een ding in zijn vorm. Zonder de vorm zou het ding uit elkaar vallen in onbepaalde materie.

Deze gedachten van Aristoteles kregen veel navolging in de Middeleeuwse filosofie, onder anderen bij Thomas van Aquino. Het vraagstuk van het essentialisme komt bijvoorbeeld terug in de universaliënstrijd waarin werd gediscussieerd over de plaats van deze essenties. Vragen die werden gesteld waren: of deze essenties een apart fysisch bestaan hadden of niet; of ze in deze wereld zaten of niet; of ze in de dingen zaten of ergens erbuiten moesten geplaatst worden. In de late Middeleeuwen kwam er reactie op dit realisme omtrent essenties en ontwikkelde bijvoorbeeld Wilhelm van Ockham het nominalisme: de overkoepelende termen zoals 'de mens' of 'het paard' bestonden niet echt ergens in de wereld. Het enige wat bestond waren de particuliere dingen, terwijl ze slechts worden verzameld onder bepaalde namen die in het menselijk hoofd zitten. Elk paard is met andere woorden verschillend, maar de mens vat ze samen onder het concept 'paard' dat in het menselijk hoofd zit.

Hedendaagse filosofie[bewerken]

Existentialisme[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Existentialisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de hedendaagse filosofie is er een sterke kritiek gekomen op dit essentialisme. Een duidelijke vorm waarin deze kritiek gestalte heeft gekregen is het existentialisme van onder anderen Jean-Paul Sartre. Sartre, voortbouwend op de fenomenologie van Edmund Husserl en Martin Heidegger, stelde de voorrang van essentie op existentie in vraag. In het geval van de dingen in de wereld leek het inderdaad zo dat ze bepaald worden door bepaalde essentiële eigenschappen. Een steen is een steen door toedoen van bepaalde eigenschappen die in zijn materie vervat zitten.

Sartre betoogde echter dat deze typering niet opgaat voor de mens en het menselijk bewustzijn. Het menselijk bewust van een persoon kan immers niet getypeerd worden door enkele karakteristieken. Het bewustzijn zelf is iets inhoudsloos: het richt zich daarentegen altijd op dingen die buiten het bewustzijn liggen, dingen in de wereld. In die zin zou het menselijk bewustzijn op zichzelf onbepaald zijn en wordt getypeerd door een fundamentele vrijheid. Zijn bestaan (existentie) gaat vooraf aan de inhoud van zijn bestaan (essentie).

Analytische filosofie[bewerken]

Ondanks de kritiek op verscheidene vormen van essentialisme, worden er nog andere vormen verdedigd. De discussie binnen de analytische filosofie gaat voornamelijk tussen soortelijk essentialisme (sortal essentialism) en afkomstessentialisme (origin essentialism). De eerste variant zegt dat de essentie van een ding in bepaalde eigenschappen ligt (bijvoorbeeld in het al dan niet 'mens' zijn), terwijl de tweede variant stelt dat de essentie van een ding in zijn afkomst ligt (bijvoorbeeld in het 'kind zijn van X').[1]

Een voorbeeld is het werk van Saul Kripke die op basis van zijn taalfilosofie tot een vorm van essentialisme is gekomen. Hij beargumenteert op basis van zijn semantiek dat er zogenaamde rigide aanwijzers (rigid designators) bestaan: een rigide aanwijzers die ons steeds naar het zelfde object leidt in alle mogelijke werelden. Dat dit mogelijk is, komt door bepaalde essentiële eigenschappen van die dingen zelf. Hij stelde dat om tot een bepaalde klasse van objecten te behoren, bijvoorbeeld 'bomen', moet een object bepaalde eigenschappen noodzakelijk bezitten. Als het object die essentiële eigenschappen niet heeft, zullen we het niet meer tot die klasse rekenen. Als een eik bijvoorbeeld niet de specifieke genetische structuur heeft, dan zullen we het geen eik meer noemen. Men vindt dit ook terug in het werk van Hilary Putnam.

Een meer specifieke manier waarop deze filosofen hun essentialisme willen verdedigen is door te wijzen op het bestaan van bepaalde stellingen die a posteriori noodzakelijk waar zijn. De stelling 'water is H20", bijvoorbeeld, is noodzakelijk waar, maar is een stelling die we pas te weten gekomen zijn door empirisch onderzoek. Met andere woorden volgt het niet uit de term 'water' dat het H20 is. De noodzakelijkheid moet dus ergens anders gezocht worden, namelijk in het ding zelf: water is noodzakelijk H20 omdat dat de essentie van water uitmaakt.

Essentialisme in de samenleving[bewerken]

Het essentialisme komt ook terug in het gewone denken van mensen en hun sociale omgang. Dit bestaat in twee vormen: enerzijds kan men spreken van essentialisering bij personen en anderzijds van essentialisering van groepen.

In het sociale handelen gebruiken mensen bepaalde termen of tegenstellingen om de wereld rondom zich betekenis te geven. Mensen delen de wereld op in man/vrouw, links/rechts, westers/niet-westers, enzovoort. Dit is op zich geen probleem, want het is in feite een vereiste om communicatie en gedeelde interpretatie mogelijk te maken. Sommigen vinden het echter problematisch wanneer men gaat stellen dat deze indelingen geen interpretaties zijn, maar de reële essenties weergeven van de werkelijkheid. Een specifieke vorm is die van naturalisering of biologisering: deze veronderstelde reële essenties hebben betrekking op veronderstelde natuurlijke of biologische verschillen tussen bepaalde mensen.[2] Deze begrippen zijn van belang voor discussies rond gelijkheid, discriminatie en racisme.

Vele feministen vinden bijvoorbeeld deze vormen van essentialisering problematisch omdat het een rechtvaardiging zou kunnen zijn voor de ongelijke behandeling van de vrouw: de vrouw zou bepaalde dingen ontzegd kunnen worden omdat ze nu eenmaal een andere essentie heeft. Feministen zullen echter stellen dat deze verschillen niet reëel zijn, maar sociaal geconstrueerd. Een bekende uitspraak van Simone de Beauvoir in dit verband is: “Men is niet als vrouw geboren, men wordt het."[3] Een meer hedendaags voorbeeld is Judith Butler die zal stellen dat een geslacht, een gender, performatief waar wordt gemaakt: een vrouw is slechts een vrouw doordat mensen (inclusief zijzelf) haar als vrouw benoemen.

Een andere vorm van essentialisering is die van verschillende groepen of bevolkingen. Men stelt in dit verband dat een bepaalde collectieve identiteit gedeeld wordt door alle leden van een bepaalde groep.[4] Men hanteert in dit geval wij-zijbeelden. Men zal de eigen of de andere groep bepaalde eigenschappen toeschrijven en claimen dat ze voor alle leden ervan opgaan. Dit is natuurlijk problematisch omdat het vaak feitelijk onjuist is. Men kan wel stellen dat 'alle leden van groep X dieven zijn, dat behoort tot hun cultuur', maar het sterk betwistbaar of dit voor elk lid opgaat. Dit leidt met andere woorden tot vooroordelen.

Deze beide vormen van essentialisering kunnen natuurlijk samengaan in de vorm van racisme of discriminatie. Men zal bepaalde essentiële eigenschappen aan een groep toeschrijven, eventueel stellen dat ze aangeboren zijn, en dat als rechtvaardiging gebruiken voor een ongelijke behandeling.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Robertson, T., "Essential vs. Accidental Properties", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2008, Zalta, Edward N. (red.), bezocht op 19-03-2013.
  2. Laermans, Rudi, De maatschappij van de sociologie, Boom, Amsterdam, 2012, p. 296.
  3. De Beauvoir, S., Le deuxième sexe 1, Gallimard, 1949, p. 285.
  4. Laermans, R., De maatschappij van de sociologie, p. 92.