Gender (sekse)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Seksuele diversiteit
Lijn

Algemeen
Seksualiteit / Gender

Verzamelbegrippen
Holebi / LGBT
Parafilie

Naar geslacht
Aseksualiteit
Biseksualiteit
Heteroseksualiteit
Homoseksualiteit
Interseksualiteit
Panseksualiteit
Poliseksualiteit
Transseksualiteit

Naar rolmodel
Androgynie
Polyamorie
Queer
Transgenderisme
Travestie

Naar leeftijd
Efebofilie
Gerontofilie
Pederastie
Pedofilie

Naar object
Fetisjisme
BDSM/Sadomasochisme
Infantilisme

Gender staat voor de gedrags- en identiteitsaspecten van sekse, ter onderscheiding van lichamelijke en biologische aspecten.

Betekenis[bewerken]

Het begrip gender wordt gebruikt in veel verschillende contexten en het is een politiek beladen begrip, waardoor de betekenis onstabiel is. Maar in de meest algemene definitie refereert gender aan de gevarieerde en complexe afspraken tussen mannen en vrouwen. Het begrip omvat de organisatie van reproductie, de seksueel bepaalde scheidingen van toegang tot de arbeid en de zorg voor kinderen en de culturele definities van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Met andere woorden: gender staat voor de socioculturele aspecten van het man- of vrouwzijn. Gender staat zo tegenover ‘sekse’: sekse staat voor de biologische verschillen. Het is niet aantoonbaar welke wetenschapper de eerste was die dat onderscheid tussen gender en sekse maakte, maar veelal wordt aangenomen dat dat Robert Stoller was in zijn boek uit 1968, Sex and Gender: On the Development of Masculinity and Femininity.

Gender en feminisme[bewerken]

In de feministische theorievorming neemt het onderscheid tussen sekse en gender een bijzondere plaats in. De feministische schrijfster die het onderscheid tussen sekse en gender heeft geïntroduceerd in het feministische denken was Ann Oakly, zij schreef de invloedrijke tekst Sex, Gender and Society in 1972. Oakly was de eerste die het concept van gender in verband bracht met een theorie over de ongelijkheid en de onderdrukking van vrouwen. Het onderscheid dat de feministen maakten tussen sekse en gender viel een wereldwijd geaccepteerde theorie aan die stelt dat verschillen tussen mannen en vrouwen ‘natuurlijk’ zijn, dat ze komen door genitale en genetische verschillen en dus onmogelijk te veranderen. Deze theorie over man/vrouwrollen (ontwikkeld door Parsons en Bales (1956)) was voordat de Tweede feministische golf opkwam, het dominante sociologische perspectief in de studies die de relaties tussen mannen en vrouwen bestudeerden. Parsons en Bales suggereren dat er in een gezin in een kapitalistisch geïndustrialiseerde samenleving behoefte was aan rolspecialisatie; verschillende sociale functies vereisen verschillende persoonlijke karaktertrekken. De instrumentale rollen waren weggelegd voor mannen en omvatten het functioneren in de keiharde wereld van de economische competitie. Daartoe moesten mannen agressief, meedogenloos en intellectueel zijn. Vrouwen aan de andere kant, hadden expressieve rollen. Rollen waarin ze moesten verzorgen, voor de kinderen zorgen en iedereen voorzien in hun fysieke en emotionele behoeften. De rollen waren onderling niet uitwisselbaar. Deze theorie werd onderbouwd door de biologische kijk op de voortplantingsfunctie van vrouwen en hun hormonen die van hen ‘natuurlijke’ zorgdragers maken. Sociobiologen stelden dat de rol van mannen als ‘jagers’, hun mannelijke fysiek en hormonen van mannen hen ‘natuurlijk’ agressief en competitief maken. Deze theorie vormde de rechtvaardiging voor het type gezin dat in de jaren vijftig overheersend was in de Verenigde Staten, het traditionele broodwinner/huisvrouw-gezin. Deze naturalistische kijk op mannelijkheid en vrouwelijkheid als biologisch bepaald werd ondermijnd door het gender/sekse-onderscheid.

In het modernisme richtte het feminisme zich zoals gezegd vooral op de ongelijkheid tussen man en vrouw. ‘Verlichting’ was het centrale begrip voor de feministen in de moderne tijd. In het postmodernisme vond er een verschuiving plaats in de feministische analyse van gender. Steeds meer richtten feministen hun aandacht op het kritisch bekijken van hun eigen aannames, in plaats van op de genderongelijkheden in de wereld. Als het wachtwoord van de feministen in de moderniteit ‘verlichting’ was, was dat ‘deconstructie’ in de postmoderniteit. Feministen werden meer zelfkritisch en reflecteerden op hun eigen procedures. Dit reflecteren heeft geleid tot het besef van een tegenstelling in hun gedachtegoed. De kruistocht voor gelijkheid, die in het politieke hart ligt van het feminisme, is gebaseerd op het idee van een duidelijke en afgesloten genderidentiteit. Het idee dat mannen en vrouwen verschillend zijn ligt nu juist aan de basis van alle ongelijkheid die de feministen bestrijden.

Beeldvorming[bewerken]

De veranderingen in communicatieve mogelijkheden hebben gezorgd voor veel bezorgdheid rondom gender. Bijvoorbeeld de uitvinding van de boekdrukkunst, waardoor literatuur voor een groter publiek verkrijgbaar werd. Deze uitvinding riep in de zeventiende eeuw de angst op, dat vrouwen ‘gevaarlijke emoties’ zouden krijgen. Hetzelfde geldt voor de introductie van de cinema, waar gedacht werd dat het bekijken van bewegende beelden de vruchtbaarheid van vrouwen zou aantasten. Er bestaat dus een historische tendens waar biologische argumenten systematisch worden gebruikt om de culturele praktijken van mannen en vrouwen te sturen. Wetenschappers toonden aan dat de media een aantal mannelijke rollen genereren die resulteren in een onontwikkelde emotionele groei en psychische schade bij mannen. Ook de vooronderstelling dat kinderen op opvoeding door hun moeder zijn aangewezen werd niet alleen door de wet en haar uitvoering, maar ook door de media uitgedragen.

Gender en lichaam[bewerken]

De betekenis van het lichaam is in de moderne tijd veranderd. Geschiedkundigen en antropologen hebben de classificaties van mannelijke en vrouwelijke lichamen en de bijbehorende culturele expressies van mannelijkheid en vrouwelijkheid door de eeuwen heen in kaart gebracht. Een voorbeeld is Thomas W. Laqueur. In de jaren 1990 bestudeerde hij medische en filosofische literatuur en onderzocht de verschuiving van het ‘one-sex’- naar het ‘two-sex’-model van het lichaam. Deze verschuiving illustreert het veranderde begrip van de grenzen tussen het mannelijke en het vrouwelijke.

Mannen kunnen dus een vrouwelijke identiteit hebben en omgekeerd vrouwen een mannelijke genderidentiteit. Deze geslachtelijke identiteit is dus het gevoel lichamelijk tot een bepaalde sekse, dan wel emotioneel en/of maatschappelijk tot een bepaalde gender te behoren. Bij een genderidentiteit die niet eenduidig of wisselend is spreekt men van een labiele identiteitsbeleving; wanneer er sprake is van een tegenstelling met de getoonde sekse of gender spreekt men van genderdysforie. Transgenders noemen het dan een transgenderidentiteit.

Wetenschappelijk is aangetoond dat iemands genderidentiteit niet meteen na de geboorte vastligt maar pas rond het vierde levensjaar definitief vast komt te liggen.

Mannen- en vrouwenrollen[bewerken]

Het gebruik van het begrip gender betekent een relativering van de verbinding tussen de biologische status (sekse) en identiteit (zelf-gevoel). De invulling van mannen- en vrouwenrollen is in allerlei culturen verschillend. Zo zijn er matriarchale en patriarchale culturen. De studies van Margaret Mead (1901-1978) hebben veel bijgedragen aan het inzicht hierover. In de loop van de geschiedenis hebben mannen- en vrouwenrollen een ontwikkeling doorgemaakt. Een van de meest opmerkelijke veranderingen was het verlies van de dagelijkse vanzelfsprekende aanwezigheid van vaders in het gezin sinds de industriële revolutie.

Gender wordt ook gebruikt als sociologische term om seksegebonden maatschappelijke verschillen mee te kunnen analyseren.

Studie en instituties[bewerken]

Veel vrouweninstituten veranderden in de jaren negentig en begin van deze eeuw hun identiteit van vrouwenemancipatie-instituut naar genderinstituut. Soms was dit een keuze voor een ontwikkeling van androgyniteit, soms om het vrouwelijke verder te emanciperen. Voorbeelden van deze verandering zijn het Tijdschrift voor genderstudies en het Clara Wichmann Instituut. Dit laatste bleef zich, tot zijn opheffing in 2004, ondanks zijn formele identiteitswijziging statutair beperken tot het behartigen van vrouwenbelangen.

Ook de directie emancipatiezaken (DCE) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kenmerkte zich door deze tweeslachtigheid. Hoewel formeel ook bezig met het emanciperen van mannen (Campagne "mannen worden er beter van") beperkte ze haar subsidiëring in 2003 weer strikt tot projecten voor vrouwen. Het begrip gender verkreeg in de praktijk in die context een verhullende en vage betekenis die in feite weer samen viel met het woord sekse.

Sinds de jaren 1970 is gender een belangrijk onderwerp van academische studies. Genderwetenschap heeft zich tijdens de Tweede Feministische Golf ontwikkeld uit vrouwenstudies. Gender is ook een modeterm geworden, vooral in de massa media. Termen als ‘genderquake’, ‘gender-gap’ en ‘gender-bending’ worden door journalisten gebruikt om veranderingen aan te geven in de bestaande relaties tussen de seksen. Binnen de meeste vakgroepen genderstudies wordt uitgegaan van de -hierboven beschreven- feministische benadering van het begrip gender, waarbij de opheffing van de onderdrukking van vrouwen als vanzelfsprekend en voorondersteld uitgangspunt wordt beschouwd.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

  • Bradley, H. (2007) Gender. Cambridge, Malden: Polity Press.
  • Mac an Ghaill, M., Haywood, C. (2007) Gender, Culture and Society. Contemporary Femininities and Masculinities. New York: Palgrave Macmillan.