Guillaume Apollinaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Guillaume Apollinaire (left) and André Rouveyre, 1914.

Guillaume Apollinaire, pseudoniem van Guillelmus Albert Vladimir Alexandre Apollinaris de Kostrowitzki (Rome, 26 augustus 1880 - Parijs, 9 november 1918), was een Franstalige schrijver en dichter.

Levensloop[bewerken]

De Kostrowitzki werd geboren als zoon van een ongehuwde vrouw van Poolse afkomst en een Italiaanse officier. In Stavelot, waar hij met zijn moeder verbleef, beleefde hij een ongelukkige liefde met het boerenmeisje Marije Dubois. Hierna vertrok hij in 1901 naar Duitsland, waar hij de uit Engeland afkomstige Annie Playden ontmoette, die zijn grote liefde en muze werd. Zij vertrok later echter naar de Verenigde Staten.

In Parijs werkte hij als bankemployé en als nègre (iemand die kopij voor een ander schrijft). Ook werkte hij soms als privéleraar en reisde hij door verschillende landen: België, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije en Engeland. In Parijs ontmoette hij de groten van zijn tijd: Picasso, de Vlaminck, Henri Matisse, Georges Braque, Max Jacob, André Derain, Raoul Dufy, Kees van Dongen en Henri Rousseau. Hier ontwikkelde hij zijn grote schrijftalent. Hij ontmoette Marie Laurencin, maar ook zij verliet hem; ze trouwde met de Duitse Baron von Waetgen en vluchtte naar Spanje.[1] Hij beschreef zijn verdriet in Le poète assassiné (De vermoorde dichter). Met Picasso bleef hij tot zijn dood bevriend. Verder publiceerde hij een bloemlezing uit het werk van Markies de Sade, en publiceerde hij anoniem twee erotische romans. In 1913 verscheen zijn dichtbundel Alcools, een van de weinige bundels die tijdens zijn leven verschijnt. In 1914 nam hij dienst in het Franse leger, om te bewijzen dat hij een echte Fransman was. Enkele jaren eerder (september 1911) had hij namelijk gevangengezeten omdat men hem als excentrieke "Italiaanse Pool" (ten onrechte) verdacht van de diefstal van de Mona Lisa.

In 1916 boorde een granaatscherf zich door zijn helm en in zijn hoofd. Hij werd diverse malen geopereerd. Terug in Parijs werd hij tewerkgesteld bij de censuur, en verrichtte weer veel journalistiek werk. Van 1917 tot 1918 onderhield hij ook contact met de in Zürich wonende dadaïst Tristan Tzara.[2] In 1917 werd zijn theaterwerk Les Mamelles de Tiresias uitgegeven. Het werd op 24 juni 1917 opgevoerd onder regie van Pierre Albert-Birot, met decors van Picasso. Hij noemde dit zelf een surrealistisch drama, daarmee de term surrealisme introducerend. Door Francis Poulenc is het in 1947 bewerkt tot een opera.

In november 1918 stierf hij aan de Spaanse griep en werd hij begraven op Père-Lachaise. Na zijn dood werd Calligrammes uitgegeven, gedichten die Apollinaire in de loopgraven heeft geschreven.

'Salut monde (...)'. Afkomstig uit Calligrammes (1918)

Betekenis[bewerken]

De grote diversiteit van zijn inspiratiebronnen is kenmerkend voor het werk en vooral de poëzie van Apollinaire. Op vlak van vorm was hij eveneens opvallend: zo ontbreekt in zijn bundel Alcools elk leesteken. Hij geeft zijn gedichten vaak weer in een opvallend vrije, beweeglijke typografische vormgeving. Apollinaire was ook één van de eersten die het surrealisme en het kubisme introduceerden in de poëzie. Zijn werk is van grote invloed geweest op Dada. André Breton noemt Apollinaire in 1940 in zijn 'Anthologie de l'humour noir' met Jean-Pierre Brisset, Alfred Jarry en Christian Morgenstern zelfs als eerste dadaïst. Hij heeft door het traditionele gebruik van taal aan de orde te stellen in ieder geval wel een vruchtbare bodem gecreëerd voor het Dadaïsme.[3] Ook in het werk van Lucebert en de 50-ers is zijn invloed merkbaar.

Museum[bewerken]

In de oude abdij van Stavelot bevindt zich een museum dat uitsluitend aan Guillaume Apollinaire is gewijd.

Werk (selectie)[bewerken]

Het graf van Apollinaire op Père-Lachaise

Externe link[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Hans Richter: Dada. Art and anti-art London, New York: Thames & Hudson, 2004 (ISBN 0500200394): p. 74, 76
  2. Hans Richter, 2004 p. 167
  3. Hans Richter, 2004 p. 11, 169-170