Hendrik Tollens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hendrik Tollens.gif
Hendrik Tollens
Standbeeld Tollens in het Park in Rotterdam

Henricus Franciscus Caroluszoon (Hendrik) Tollens (Rotterdam, 24 september 1780 - Rijswijk, 21 oktober 1856) was een Nederlandse dichter.

Leven[bewerken]

Hij werd geboren uit Gentse ouders van zeer bescheiden stand, was reeds vroeg te Amsterdam in de Niezel op het kantoor bij een oom, die in verfstoffen deed en die met deze neef "altijd op rijm sprak". De laatste ging voor een jaar naar de roomse kostschool te Elten en was in 1795 weer thuis. Hij werd dichter voor de patriotten, secretaris in een van hun clubs en werkte voor het toneel, waartoe familieleden, die met muziek, zang en schouwburg in betrekking stonden, aanleiding gaven. Hij huwde op 27 juli 1800 met Gerbranda Cath. Rivier te Oost-Souburg (tegen de wil van zijn vader in), waar de clandestiene bruidegom en bruid zich als Amsterdamse jongelui voordeden.

Van die tijd is de dichter altijd een werkzaam koopman in verfstoffen geweest; een paar keer per jaar bereisde hij zijn klanten, tot in Zeeland, klom tot groot aanzien in de letterkundige wereld, ontving welverdiende hoge onderscheidingen en was, vooral sedert 1830, Nederlands volksdichter. In 1846 ging hij persoonlijk uit zijn zaak, vestigde zich op Ottoburch (tegenwoordig het Tollenshuis genoemd en behuizing van het Museum Rijswijk) te Rijswijk, bracht zijn rusttijd in ijverige letteroefeningen door en overleed er, met de pen in de hand, op 21 oktober 1856. Reeds lang daarvoor had hij zich bij de Remonstrantse Broederschap gevoegd. Men wijdde hem een standbeeld te Rotterdam en een monument op zijn graf te Rijswijk. De Tollensprijs is een letterkundige prijs die naar Hendrik Tollens is genoemd. Ter gelegenheid van de 150e verjaardag van het beeld in Rotterdam werd deze prijs uitgereikt in de Rotterdamse bibliotheek, waar ook een tentoonstelling en een symposium aan Tollens waren gewijd. Op 6 maart 2011 werd in Rijswijk een nieuw monument op zijn graf geplaatst.

Receptie[bewerken]

Tijdens zijn leven werd Tollens gezien als de grootste Nederlandse dichter van zijn tijd. Zijn poëzie prees de zegeningen van het huiselijk leven en riep op tot trouw aan God en het Vaderland. Zijn nationalistische Wien Neêrlands bloed, getoonzet door Johann Wilhelm Wilms, werd zelfs tot het Nederlandse volkslied uitgeroepen.

Voor de Tachtigers was hij een frequent voorbeeld van spot. Deze groep jonge dichters hekelden zijn conventionele wereldvisie, maar vooral zijn retorische, bombastische taalgebruik. In Grassprietjes van Cornelis Paradijs (1885; een parodie op de toen populaire domineespoëzie) verscheen een "lofzang", helemaal in de stijl van Tollens, op de gevierde dichter, die volgens de auteur in zijn oorspronkelijke vorm 1200 verzen telde en waarvan het vervolg wellicht in volgende dichtbundels gepubliceerd zou worden. De kritiek van de Tachtigers leidde er binnen enkele jaren toe dat Tollens zijn roem volledig was kwijtgeraakt. Zijn werken werden niet meer gedrukt en in schoolboeken over Nederlandse literatuur werd doorgaans buitengewoon negatief over hem geschreven.

Tegen het einde van de twintigste eeuw nam de belangstelling voor Tollens weer wat toe. Men zag in dat het werk van de bij leven populaire dichter veel cultuurhistorisch belang had: het was essentieel om een beeld te krijgen van het Nederland in de negentiende eeuw. Navenant schrijven encyclopedische werken en schoolboeken tegenwoordig minder polemisch over zijn werk dan voorheen.

Bibliografie[bewerken]

  • 1799 - Proeve van sentimenteele geschriften en gedichten
  • 1800, 1802, 1805 - Proeve van minnezangen en idyllen (drie stukken)
  • 1801 - Nieuwe verhalen
  • 1802 - Dichtlievende mengelingen
  • 1803 - Tuiltje van geurige dichtbloemen, op Franschen bodem geplukt
  • 1805 - Lukretia of de verlossing van Rome
  • 1806 - De Hoekschen en Kabeljaauwschen
  • 1808-1815 - Gedichten
  • 1809 - Jubelzang voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (uitgegeven in 1813)
  • 1817 - Volkslied Wien Neêrlands bloed
  • 1818-1819 - Romancen, balladen en legenden, 2 stukken
  • 1820 - De overwintering der Hollanders op Nova Zembla
  • 1821, 1828 - Nieuwe gedichten
  • 1828 - Avondmijmering
  • 1832 - Liedjes van Matthias Claudius
  • 1839 - Dichtbloemen, bij de naburen geplukt
  • 1840 - Verstrooide gedichten
  • 1848, 1853 - Laatste gedichten
  • 1855 - Nalezing

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties