Jacob Grimm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacob Grimm (r.) met zijn broer Wilhelm

Jacob Ludwig Karl Grimm (Hanau, 4 januari 1785Berlijn, 20 september 1863) was een Duits jurist, taal- en letterkundige. Hij was hoogleraar in Göttingen en Berlijn, en verrichtte baanbrekend werk op het gebied van de lexicografie, de vergelijkende taalkunde en de mythologie. Jacob Grimm werkte vaak samen met zijn jongere broer Wilhelm Grimm (1786-1859). Samen staan ze bekend als de gebroeders Grimm.

Leven[bewerken]

Jacob werd geboren in Hanau , Hessen - Kassel. Zijn vader stierf terwijl Jacob nog een kind was daardoor bleef zijn moeder achter met Jacob, zijn broertje Wilhelm en zusje Lotte. Jacob en zijn jongere broer Wilhelm werden in 1798 naar de openbare school in Kassel gestuurd.

In 1802 ging Jacob naar de Universiteit van Marburg, waar hij rechten studeerde, een beroep waarvoor hij was voorbestemd door zijn vader omdat die advocaat was. Zijn broer voegde zich een jaar later bij hem in Marburg, nadat hij net hersteld was van een langdurige en ernstige ziekte. Ook Wilhelm begon met een studie van het recht.

Na dat Jacob zijn studie van het recht had afgerond, was hij nog steeds opzoek naar nieuwe kennis, het voelde niet alsof hij een doel had bereikt. De eerste impuls kwam van de collega Friedrich Karl von Savigny, de beroemde onderzoeker van het Romeinse recht, heeft hem eerst geleerd om te beseffen wat het betekent om een wetenschap te studeren. Daarna kreeg Jacob lezingen om de liefde voor historie en literatuur te ontdekken. De twee mannen werden goed bevriend. Het was in de goed gevulde bibliotheek Savigny dat Jacob de eerste bladzijdes van Bodmer editie van de Oude Duitse minnezangers en andere vroege teksten las en voelde een gretig verlangen om verder door te dringen in de onduidelijkheden en half - onthulde geheimen van hun taal.

In het begin van 1805 ontving Jacob een uitnodiging van Savigny , die naar Parijs was verhuisd, om hem te helpen in zijn literaire werk. Jacob had een erg gelukkige tijd in Parijs, door onder andere het versterken van zijn smaak voor de literatuur van de Middeleeuwen door zijn studies in de bibliotheken van Parijs. Tegen het einde van het jaar keerde hij terug naar Kassel, waar zijn moeder, Wilhelm en Lotte nog steeds woonde, Jacob had onder tussen zijn studie afgemaakt. Het jaar daarop behaalde hij een positie in het oorlog kantoor met de zeer kleine salaris van 100 daalders. Een van de mindere kanten was dat hij zijn stijlvolle pak uit Parijs moest omruilen voor een stijf uniform en een varkensstaart. Maar hij had de volledige vrije tijd voor het vervolg van zijn studies.

In 1808, kort na de dood van zijn moeder, werd Jacob benoemd tot inspecteur van de prive-bibliotheek van Jerôme Bonaparte, koning van Westfalen, Bonaparte benoemde hem een accountant aan de Raad van Staat. Zijn salaris werd verhoogd in een korte periode 2000-4000 frank en zijn officiële taken waren nauwelijks meer dan de nominale. Na de verdrijving van Bonaparte en het herstel van het rijk, werd Jacob benoemd tot secretaris van legatie in 1813, bij de Hessische minister in het hoofdkwartier van de geallieerde leger. In 1814 werd hij naar Parijs gestuurd om de boeken die uitgeleend waren aan de Franse op te eisen en hij heeft ook het Congres van Wenen als secretaris van legatie bijgewoond, 1814-1815. Bij zijn terugkeer uit Wenen werd hij voor een tweede keer naar Parijs gestuurd om het boek restituties te beveiligen. Ondertussen had Wilhelm een brief van de Kassel bibliotheek ontvangen en in 1816 werd Jacob tweede bibliothecaris gemaakt onder Volkel. Na de dood van Volkel in 1828, de broers hadden verwacht dat ze gepromoveerd zouden worden tot de eerste en tweede librarianships en waren ontevreden toen de eerste plaats werd gegeven aan Rommel, de bewaarder van de archieven. Een bijgevolg was dat de gebroeders het volgende jaar verhuisde naar Göttingen, waar Jacob de benoeming van professor en bibliothecaris ontving en Wilhelm die van de onder - bibliothecaris. Jacob Grimm gaf lezingen over juridische oudheden, historische grammatica, literatuurgeschiedenis en de diplomatiek, legde Oude Duitse gedichten uit en gaf commentaar op de Germania van Tacitus. Gedurende deze periode wordt hij beschreven als klein en levendig in figuur, met een harde stem, spreken deed hij in een Hessische dialect. Zijn krachtige geheugen stelde hem in staat af te zien van het manuscript waarop de meeste Duitse professoren vertrouwde en hij sprak onvoorbereid, verwees slechts af en toe naar een paar namen en data dat geschreven stonden op een papiertje. Hij betreurde het dat hij het werk van het onderwijs zo laat in zijn leven was begonnen, maar als een docent was hij niet succesvol. Hij had geen aanleg voor het verteren van feiten en voldoet ze aan het niveau van begrip van zijn studenten.

Jacob Grimm, ca . 1860 In 1837, na een van de zeven professoren te zijn geweest die een protest had ondertekend tegen de koning van Hannover wegens de afschaffing van de grondwet die werd vastgesteld, enkele jaren voordat Jacob werd ontslagen uit zijn hoogleraarschap en daarna werd hij verbannen uit het koninkrijk Hannover. Jacob keerde terug naar Kassel met zijn broer, die ook het protest had ondertekend. Zij bleven daar tot 1840. Toen ze een uitnodiging van de koning van Pruisen kregen om te verhuizen naar Berlijn, waar ze beiden hoogleraar werden en leden van de Academie van Wetenschappen. Ze waren niet onder enige verplichting om les te geven, wat Jacob zelden deed. Hij werkte samen met zijn broer aan hun eigen grote woordenboek. Tijdens hun tijd in Kassel, Jacob woonde regelmatig de vergaderingen van de academie bij waar hij de artikelen over zeer uiteenlopende onderwerpen las. De bekendste zijn die op Lachmann, Schiller, zijn broer Wilhelm, ouderdom en over de oorsprong van taal . Ook beschreef hij zijn indrukken van de Italiaanse en Scandinavische reizen, het tussenvoegen van zijn meer algemene observaties met taalkundige gegevens, zoals het geval is in al zijn werken.

Jacob was nooit ernstig ziek, en gewoonlijk werkte hij de hele dag zonder pauze, maar ook zonder haast. Hij toonde veel geduld voor onderbrekingen en in staat is om terug te keren naar zijn werk zonder erge inspanning. Jacob schreef voor de pers met grote snelheid en zelden bracht hij correcties aan. Hij heeft nooit herzien wat hij had geschreven, opmerkend met een zekere verwondering over zijn broer, Wilhelm, die zijn eigen manuscripten steeds opnieuw leest voordat hij ze naar de pers stuurt. Zijn karakter was uniform vrolijk en hij was gemakkelijk geamuseerd. Buiten zijn eigen werk had hij een duidelijke voorliefde voor plantkunde. Jacob stierf in Berlijn op 78-jarige leeftijd, werkend tot het einde van zijn leven.

De geest die zijn werk animeerde, werd op de beste manier omschreven door het stukje aan het eind van zij autobiografie: "Bijna al mijn arbeid is gewijd, direct of indirect, aan het onderzoek van onze vroegere taal, poëzie en wetten. Deze studies kunnen verschenen zijn voor velen, en zouden nog steeds kunnen verschijnen. Voor mij leek het een nobele en serieuze taak, definitief en onafscheidelijk verbonden met onze gemeenschappelijke vaderland en berekend om de liefde van het te stimuleren. Mijn principe is altijd in deze onderzoeken geweest om niets te onderwaarderen, maar de kleine te gebruiken voor de illustratie van de grote, de populaire traditie voor de opheldering van de schriftelijke monumenten. "

©LaraJacobs

Sprookjes van Grimm[bewerken]

Jacob en Wilhelm Grimm tekenden veel – vooral Duitse – volkssprookjes en sagen op, die ze tussen 1812 en 1815 als schrijvers-navertellers publiceerden onder de titel Kinder- und Hausmärchen'

Taalkunde[bewerken]

Jacob Grimm formuleerde in 1822 in zijn Deutsche Grammatik de wetmatigheid die in de historische taalkunde de eerste Germaanse klankverschuiving beschrijft. Hoewel hij niet de eerste was die deze klankwet beschreef, staat hij algemeen bekend als de wet van Grimm.

Het laatste grote project van de gebroeders Grimm was het Deutsches Wörterbuch, een groot beschrijvend woordenboek van het Duits, waaraan beiden vanaf 1838 werkten. Het eerste deel verscheen in 1852, maar de afronding van het project hebben ze niet meer meegemaakt: het laatste deel werd voltooid in 1960.

Rechtsgeschiedenis[bewerken]

Deutsche Mythologie, 4e uitgave

Jacob Grimm was ook actief op het terrein van de rechtsgeschiedenis. Hij publiceerde in 1828 een collectie Deutsche Rechtsalterthümer. Later begon hij met de uitgave van een omvangrijke verzameling zogeheten wijsdommen onder de titel Deutsche Weisthümer (7 delen, Göttingen 1840-1872). Grimm meende dat hij hierin het oeroude gewoonterecht van het Duitse Rijk had vastgelegd. Deze visie heeft lang standgehouden, maar tegenwoordig veronderstelt men dat in deze teksten een veel jongere rechtssituatie is vastgelegd. In dat boek beschrijft hij het Lohnse hofrecht welke ook in Nederland in de Heerlijkheid Bredevoort werd uitgevoerd [1].

Publicaties[bewerken]

Tot de publicaties van Jacob Grimm behoren de volgende werken:

  • Deutsche Rechtsalterthümer (1828)
  • Deutsche Grammatik (1819-1837)
  • Deutsche Mythologie (1835)
  • Deutsche Weisthümer (7 delen, Göttingen 1840-1872).
  • Geschichte der deutschen Sprache (1848)

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Van rechte unde wonte - Quellen zur Rechtsgeschichte des Westmünsterlandes: koeblergerhard.de