Mir (ruimtestation)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Mir insignia.jpg

Het Russische ruimtestation Mir (Мир, wat in het Russisch zowel wereld als vrede betekent) was het eerste permanent bewoonde ruimtestation in een baan om de Aarde. Het bestond uit verschillende met elkaar verbonden modules, waarvan de eerste module op 19 februari 1986 werd gelanceerd en de laatste in 1996. Mir was gebaseerd op de al eerder door de Russen gelanceerde Saljoet-ruimtestations. Gedurende de tijd dat Mir in een baan om de aarde cirkelde, is er veel wetenschappelijk onderzoek verricht.

Op een enkele uitzondering na, is Mir tot augustus 1999 continu bewoond geweest. Op 23 maart 2001 keerde Mir na 15 jaar terug in de Aardse atmosfeer om vervolgens in brokstukken in het zuiden van de Grote Oceaan neer te storten. Voor die tijd waren er nog vage plannen om Mir te gebruiken als televisie- of filmstudio, maar daarvoor bleek hij te onstabiel en te onveilig. Het zou eenvoudigweg te duur worden om Mir nog langer in gebruik te houden.

Modules[bewerken]

Mir
Model op ware grootte in Cité de l'espace.

De meeste modules zijn door de Proton-draagraket in hun baan om de aarde gebracht.

Basisblok[bewerken]

Het basisblok was de eerste module en werd geassembleerd in april 1985, vanaf mei 1985 onderging het verschillende testen. Het werd gelanceerd op 19 februari 1986. Deze basismodule had een sterke gelijkenis met de ruimtevaartstation-serie Saljoet. De module beschikte over een besturingseenheid en een woonruimte. Aan de module zaten drie zonnepanelen. Het had zes koppelpoorten voor koppelingen met vrachtschepen en de wetenschappelijke modules.

Kvant I-module[bewerken]

De Kvant I (Квант verwijst naar kwantum) werd op 31 maart 1987 gelanceerd en werd gekoppeld aan het station op 12 april 1987. Deze astrofysische module droeg onder andere instrumenten om röntgenbronnen in de ruimte te observeren. Ook konden er biotechnologische experimenten worden uitgevoerd, onder andere voor antivirale medicijnen.

Kvant II-module[bewerken]

De Kvant II-module werd op 26 november 1989 gelanceerd en werd gekoppeld aan het station op 6 december 1989. De module beschikte over wetenschappelijke instrumenten en een ruimte voor persoonlijke verzorging. De module droeg ook twee zonnepanelen.

Kristal-module[bewerken]

De Kristal (Кристалл verwijst naar kristal) werd op 10 juni 1990 gelanceerd en op 10 juli gekoppeld aan het ruimtestation. Deze module droeg verschillende wetenschappelijke instrumenten.

Spektr-module[bewerken]

De Spektr (Спектр verwijst naar spectrum)-module werd op 20 mei 1995 gelanceerd en gekoppeld aan het station op 1 juni 1995. De module leverde woon en werkruimte voor de Amerikaanse astronauten, die inmiddels ook regelmatig gebruik maakten van Mir. Hij werd ook gebruikt voor geofysisch onderzoek naar de atmosfeer, oceanen en het landoppervlak van de aarde. Daarnaast werd hij ook gebruikt voor biomedische onderzoeken.

Koppelingsmodule[bewerken]

Op 15 november 1995 werd er een koppelingsmodule aan het station gekoppeld, zodat de Spaceshuttles eenvoudiger konden koppelen aan het ruimtestation. Deze module werd geleverd door de Space Shuttle Atlantis.

Priroda-module[bewerken]

Op 23 april 1996 werd de Priroda (Природа verwijst naar natuur)-module gelanceerd en op 26 april 1996 gekoppeld. Deze module werd onder andere gebruikt voor de bestudering van het aardoppervlak en de effecten op de mens tijdens een langdurig ruimteverblijf.

Aan het eind van zijn levensduur was de omvang van Mir 33 × 31 × 27,5 m en de massa omstreeks 140.000 kg. In totaal zijn er ruim honderd ruimtevaarders aan boord geweest. Sinds de lancering van de eerste module heeft Mir ruim 360.000 keer rond de aarde gedraaid op een gemiddelde hoogte van 375 kilometer.

Codenaam 'Phase One'[bewerken]

De Amerikaanse president George H.W. Bush en zijn Russische collega Boris Jeltsin kwamen in juni 1992 overeen dat beide naties zouden samenwerken bij het verkennen van de ruimte. Het eerste resultaat daarvan was dat er een Amerikaan aan boord klom van Mir en er twee Russische kosmonauten aan boord van de Space Shuttle gingen. Deze samenwerking, waarbij de Amerikanen veelvuldig gebruik maakten van Mir, werd bekend onder de codenaam 'Phase One' (Eerste fase).

Ruim een jaar na de overeenkomst kondigen Al Gore en Viktor Tsjernomirdin in september 1993 de plannen voor een nieuw ruimtestation aan: Phase Two (Tweede fase). Hiermee was de basis voor het International Space Station (ISS) gelegd.

Problemen met Mir[bewerken]

De laatste jaren had Mir regelmatig problemen. Op 23 februari 1997 brak er brand uit aan boord en scheelde het weinig of de complete zeskoppige bemanning had het ruimtestation moeten verlaten (via de twee Sojoez-schepen). Vier maanden later kwam Mir in botsing met een onbemand Progress-vrachtschip, waarbij een module lek raakte en dat deel van Mir moest worden afgesloten. Andere problemen waren de energievoorziening die regelmatig uitviel, lekkende leidingen en de temperatuur, welke in de Kvant II-module regelmatig opliep tot meer dan 40 graden Celsius. Dat was ook geen wonder, want het oorspronkelijke ontwerp van het ruimtestation ging uit van een levensduur van slechts vijf jaar. Gebrek aan vertrouwen, coördinatiestoringen en taalproblemen verergerden de problemen nog eens.

Terugkeer naar aarde[bewerken]

Met behulp van een op 27 januari 2001 aangekoppeld Progress-vrachtschip werd tussen 7 maart en 21 maart Mir in een lager gelegen baan gebracht op 220 kilometer. Plotseling trad er een nieuw probleem op; Mir begon langzaam te tollen. Omdat het stabiliseren erg veel brandstof zou kosten werd dit uitgesteld tot de laatste dag voor de impact. In Japan, Nieuw-Zeeland en Australië ontstond grote onrust over de schade die eventueel op land neerstortende brokstukken zouden aanrichten. Om deze onrust weg te nemen werd er voor 2 miljoen dollar een verzekering afgesloten die eventuele schade dekte. Op 23 maart dook Mir met een snelheid van ongeveer 8 km/s de dampkring binnen. Door de grote plotselinge afremming door de toenemende luchtdruk en de hoge temperatuur brak het schip in stukken en sommige onderdelen verbrandden. Vanaf de Fiji-eilanden waren de verbrandende delen goed zichtbaar. Over een gebied van zo'n 5000 kilometer lang en 200 kilometer breed op 4000 kilometer ten oosten van Nieuw-Zeeland kwamen de brokstukken neer in de Grote Oceaan.

Europese inbreng[bewerken]

De ESA werkte al vanaf zijn oprichting nauw samen met zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie, ook als deze dit liever niet aan de grote klok hingen. Zo werd op zekere dag professor de Jager voor een saunabezoek uitgenodigd door de vicepresident van de Russische ruimtevaartorganisatie. Zonder pottenkijkers informeerde de Rus hem over de aanstaande lancering van MIR. Hij bood ESA aan om een instrument mee te sturen, maar maakte tevens duidelijk dat dit binnenskamers moest blijven. De keus viel op een instrument dat nauwkeurig de positie van uit het heelal afkomstige röntgenstraling vastlegde. Toen dit instrument mankementen vertoonde, vervoegden enige kosmonauten zich in Utrecht. Daar leerden ze hoe ze het ding weer aan de praat kregen.[1]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Meer dan de missies van André Kuipers, Eindhovens Dagblad, Achtergrond blz. 12 & 13, 15 december 2014