Philips Natuurkundig Laboratorium

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Philips Natuurkundig laboratorium ofwel NatLab is de in Nederland gevestigde researchafdeling van Philips, waar onderzoek gedaan wordt ten behoeve van de productdivisies van de Philips organisatie. Het NatLab bevond zich aanvankelijk in het stadsdeel Strijp in Eindhoven en verhuisde begin jaren zestig naar Waalre. Door gemeentelijke grenscorrecties in 1972 kwam het NatLab weer in Eindhoven te liggen.[1] Rond 1975 werkten circa 2000 mensen bij het NatLab, waarvan circa 600 onderzoekers met een universitaire opleiding. De Philips research tak heeft ook afdelingen in Duitsland, Engeland, USA, India en China. Ongeveer de helft van de Philips research vindt buiten Nederland plaats. Het aantal onderzoekers neemt steeds verder af.

Geschiedenis[bewerken]

De geschiedenis van het NatLab kent ruwweg drie perioden.

Begin (1914-1946)[bewerken]

Het NatLab is in 1914 opgericht op initiatief van Gerard en Anton Philips. Een belangrijke reden om onafhankelijk onderzoek te verrichten, en deze reden is tot op heden nog geldig, is het zelf creëren van octrooien, zodat Philips niet afhankelijk is van octrooien van derden. Zij trokken de fysicus Gilles Holst aan, die gedurende het eerste decennium samen met Ekko Oosterhuis en een handjevol assistenten de wetenschappelijke staf van het NatLab vormden. Vanaf het begin tot 1946 was Holst directeur. Holst zorgde voor een academische sfeer, en onderzoekers kregen veel vrijheid en werden geregeld bijgepraat door groten uit hun vakgebied. In 1923 kwam Albert Einstein op bezoek. Daarin verschilde het NatLab van vele andere laboratoria die Philips erop na hield; het NatLab leek sterk op het AT&T Bell Laboratorium in de Verenigde Staten. Er werd behalve industrieel ook fundamenteel onderzoek gedaan. Twee opvallende voorbeelden zijn de onderzoekers Tellegen en Van der Pol. De fysicus Balthasar van der Pol trad in 1922 in dienst met als opdracht een researchprogramma op te starten betreffende radiotechnologie. Van der Pol heeft belangrijke bijdragen geleverd aan onderzoek naar de voortplanting van radiogolven, waaronder de invloed daarop van de kromming van het aardoppervlak, alsmede aan theorie van elektrische schakelingen en trillingen en wiskundige problemen die daarmee in verband staan. Elektrotechnicus Bernard Tellegen trad in dienst bij het NatLab in 1923, en werd Van der Pols eerste medewerker. Tellegen richtte zich eerst op triodes, en vond in 1926 de pentode uit. De pentode, een radiobuis, werd gebruikt in Philips' eerste radio-ontvanger en later werd de pentode in vrijwel elke radio en elke versterker toegepast. Tellegen verrichtte ook baanbrekend theoretisch werk aan elektrische netwerken. Van der Pol werd in 1925 mentor van de briljante Delftse student Johan Numans, die een kristalgestuurde kortegolf-telefoniezender ontwierp en construeerde. Op 11 maart 1927 werd deze zender met roepletters PCJJ wereldnieuws, omdat de vrijwel onvervormde muziek in de hele wereld gehoord werd. Dit leidde tot het oprichten van de Philips Omroep Holland-Indië (PHOHI).

Grote groei en bloei (1946-1972)[bewerken]

Met het aantreden in 1946 van Holsts opvolgers, een driemanschap bestaande uit de fysicus Hendrik Casimir, die uiteindelijk de hoogst verantwoordelijk en lid van de Raad van Bestuur zou worden, de chemicus Evert Verwey en de ingenieur Herre Rinia brak de glorietijd van het NatLab aan. Onder Frits Philips was het concern definitief bij de giganten gaan horen met ruim 350 duizend werknemers in 1970. Het NatLab groeide mee tot wereldformaat. In 1963 werd de campus in Waalre ontworpen voor drieduizend medewerkers, groter dan enige Nederlandse universiteit. Die omvang zou het NatLab overigens nooit bereiken; 2400 werknemers was het hoogste aantal, inclusief de inmiddels toegevoegde buitenlandse vestigingen. Het NatLab was een superuniversiteit waar de 'besten van de klas' in grote vrijheid onderzoek konden verrichten onder welhaast ideale omstandigheden (geen college geven, vrijwel onbeperkte budgetten enz.).

Er zijn vele fundamentele en commerciële bijdragen geleverd, waaronder de Plumbicon-camerabuis en de videolangspeelplaat (VLP), die in 1980 de grondslag vormde voor de uiterst populaire compact disc. Er worden ook belangrijke bijdragen gedaan aan de IC-technologie: door Else Kooi werd de LOCMOS-techniek uitgevonden en Kees Hart en Arie Slob vonden begin jaren zeventig I²C uit.

Commerciële blunders werden er ook gemaakt. Fundamenteel gebruiksonderzoek van de eerste synthesizers door Dick Raaijmakers (onder de naam Kid Baltan) en Tom Dissevelt leidde tot internationaal gewaardeerde elektronische muziek en jazzmuziek, maar Philips zelf vond het gepruts en liet het onderzoek versloffen.

1972 tot heden[bewerken]

De derde periode, na het vertrek van Casimir in 1972, is een tijd van verschraling en teloorgang: er kwam een einde aan de periode van sterke economische groei en bedrijven konden het zich niet langer veroorloven om dure research uit te voeren. Het geloof in de stimulerende rol van fundamentele research was verwaterd. Ook verkeerde beslissingen van het NatLab management zoals de ontwikkeling van de geflopte videoplaat, V2000 videorecorder, en het initiële gebrek aan steun aan de ontwikkeling van de compact disc, – de cd-ontwikkeling was een initiatief van de audioafdeling – deden geen goed bij de raad van bestuur van Philips.

Begin 1974 begonnen de industriegroep Audio en het NatLab samen met het ontwikkelen van een optische audioschijf met een diameter van 20 cm.[2] De doelstelling was om de geluidskwaliteit van deze schijf die van de kwetsbare vinyl langspeelplaat te laten overtreffen. Om dit doel te bereiken vormde Lou Ottens, de technisch directeur bij Audio, een projectgroep bestaande uit zeven leden. Ir. Lorend Vries en zijn assistent Theo Diepeveen, beiden van het NatLab, behoorden tot deze projectgroep. In maart 1974 adviseerden Hans Peek en Vries tijdens een Audio-VLP bijeenkomst een digitale audioregistratie, omdat dan een fouten-corrigerende code kon worden toegevoegd.[2]

Tegen het einde van 1977 erkende de Audiogroep dat dit de enige resterende methode was om een compact disc met een superieure geluidskwaliteit te realiseren. Dit had tot gevolg dat Vries en Diepeveen een fouten-corrigerende coder-decoder bouwden die in de zomer van 1978 aan Audio overhandigd werd. De fouten-corrigerende decoder werd in het prototype van een cd-speler ingebouwd.[2] Deze speler werd, samen met een cd-schijf met een diameter van 11,5 cm, op 8 maart 1979 door Joop Sinjou, de leider van het Audio-CD-laboratorium, aan de internationale pers getoond en gedemonstreerd.[3] Om deze doorbraak te herdenken, ontving Philips op 6 maart 2009, tijdens een druk bezochte ceremonie in de aula van de TU/e, een IEEE Milestone award.[4] Ook Sony waardeerde deze doorbraak, met als gevolg dat in augustus 1979 een samenwerking met Philips ontstond. Dit resulteerde in juni 1980 in de Philips-Sony-cd-standaard.[3]

Het ging slechter met Philips en een bankroet dreigde eind jaren tachtig. Onder het bewind van researchdirecteur Kees Bulthuis ging het steeds sneller bergafwaarts met de langetermijnresearch, mede door het invoeren van een decentrale financiering. In drie jaar tijd bracht Bulthuis de uitgaven met 60 miljoen euro omlaag. Honderden NatLab-medewerkers werden ontslagen en afdelingen werden opgeheven, waaronder in 1990 de gehele wiskunde-afdeling in Brussel. Het NatLab, voorheen gebudgetteerd door de Raad van Bestuur, werd na 1989 voor twee derde betaald via contracten met productdivisies. De rol van het NatLab werd daardoor veel bescheidener: het diende slechts als kennisbron en niet meer als centrum van innovatie. De door nieuwsgierigheid gedreven research werd aan banden gelegd en de belangen van de productdivisies kregen de eerste prioriteit.

De High Tech Campus gezien vanuit de Genneper Parken

Dr. ir. A. Huijser, voormalig hoogste technologiechef van Philips, stelde[5] dat de research op het NatLab verder zal krimpen en naar het Verre Oosten verschuiven. Huijser verwacht[6] dat, bij gelijkblijvend beleid, het NatLab in vijftien jaar, dus net na het 100-jarig jubileum in 2017, verdwenen zal zijn. Door de verkoop in 2006 van het bedrijfsonderdeel Semiconductors verdwenen er in dat jaar circa 350 NatLab-medewerkers, hetgeen het aantal medewerkers naar circa 600 bracht (tegen ca. 2000 mensen in 1970).

High Technology Campus

In 2000 werd op het terrein van het NatLab een begin gemaakt met de bouw van de Philips High Tech Campus. Deze campus biedt nu, buiten het NatLab met circa 800 medewerkers, ook huisvesting aan diverse andere Philipslaboratoria en zelfs verkoopafdelingen. Dankzij een totale investering van 500 miljoen euro zal er over 5 à 10 jaar een groot aantal faciliteiten beschikbaar zijn voor circa 8000 wetenschappers. De campus biedt na de verkleining van de Philips’ aanwezigheid in R&D ook ruimte aan derden, en de naam werd gewijzigd in High Tech Campus Eindhoven.

Beroemde NatLab-onderzoekers[bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties
  1. De straat waaraan het terrein lag, kreeg de aanvankelijk de naam Prof. Holstlaan, naar de eerste directeur. Het verlengde ervan op Eindhovens gebied heette Bayeuxlaan. Na de grenswijziging heeft Eindhoven de straat langs het NatLab, tot aan de nieuwe grens met Waalre, omgedoopt tot Bayeuxlaan. Pas vele jaren later zag Eindhoven de onjuistheid hiervan in en hernoemde men het gedeelte tussen de Locatellistraat/Antoon Coolenlaan en de A67 weer tot Prof. Holstlaan. Zie ook Google Maps.
  2. a b c Peek, Hans B., "The Emergence of the Compact Disc", IEEE Communications Magazine 48 (1): 10-17 (januari 2010).
  3. a b Hans Peek, Jan Bergmans, Jos van Haaren, Frank Toolenaar & Sorin Stan: Origins and Successors of he Compact Disc. Springer, 2009, Philips Research Book Series, deel 11, hoofdstuk 2 en 3.
  4. IEEE CD Milestone. IEEE Global History Network.
  5. NRC Handelsblad, 18 juni 2005
  6. Financieel Dagblad, 15 oktober 2002