Rudolf Diesel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rudolf Diesel
Rudolf Diesel (1883)
Rudolf Diesel (1883)
Algemene informatie
Geboren Parijs, Frankrijk, 18 maart 1858
Overleden Het Kanaal, 29 september 1913
Beroep Ingenieur en Uitvinder

Rudolf Christian Karl Diesel (Parijs, 18 maart 1858Het Kanaal, 29 september 1913) was een Duitse werktuigbouwkundige. Hij is de uitvinder van de dieselmotor.

Jeugd en jongere jaren[bewerken]

Diesel werd geboren in Frankrijk als de zoon van Theodor Diesel en Elise Strobel, Duitse migranten die in 1848 op de vlucht waren geslagen voor de Duitse revolutie. Vader Diesel was een goed verdienende zelfstandige leerbewerker en boekbinder. Maar toen in 1870 de Frans-Pruisische oorlog uitbrak, was hun gezin vanwege hun Duitse afkomst in Frankrijk ongewenst, zodat ze tijdelijk naar Londen vertrokken. De jonge Diesel ging alleen bij een oom in het Beierse Augsburg wonen. Deze oom was een docent wiskunde, die zijn begaafde neefje verder liet studeren aan de Technische Universiteit van München, waar hij in 1880 afstudeerde.
Rudolf Diesel volgde hier onder meer de colleges van professor Carl Linde, die thermodynamica doceerde en er voortdurend op hamerde dat het rendement van de bestaande stoommachines amper 10% bedroeg, en dat dus 90% van de energie zonder meer verloren ging. Hier ligt de aanzet van Diesels jarenlange experimenteren en ontwerpen, die uiteindelijk leidden tot een eerste patent in 1892 en een volwaardige, nieuwe verbrandingsmotor in 1897.

Huwelijk en kinderen[bewerken]

Op 24 november 1883 trouwde Diesel te München met Martha Flasche. Uit dit huwelijk werden Rudolf Diesel jr. (26 november 1884), Hedwig (15 oktober 1885) en Eugen Diesel (3 mei 1889) geboren. Deze laatste zou in 1939 een boek over hem en zijn motor schrijven.

Eerste dieselmotor[bewerken]

eerste Dieselmotor

Rond 1882 was Rudolf Diesel van plan om een motor met een veel hoger rendement dan de stoommachine te ontwikkelen. Het was Diesels idee om lucht tot een dusdanig hoge druk te comprimeren dat in die gecomprimeerde en daardoor zeer hete lucht ingespoten brandstof tot ontbranding zou komen, zonder ontstekingsmechanisme. Op 28 februari 1892 werd Diesel patent nummer 67207 verleend op het idee in een verbrandingsmotor het brandstofmengsel door hoge compressie te ontsteken. Diesel heeft het idee voor zijn motor gepubliceerd in het boek Theorie en constructie van een rationelen warmte-motor. Een belangrijke mijlpaal werd gehaald in 1894 toen het eerste prototype van Diesels motor voor het eerst liep gedurende ongeveer één minuut. Dit prototype was ruim 3 meter hoog en haalde een compressie van 80 atmosfeer. Een verbeterd prototype werd gebouwd in 1897 in de Maschinenfabrik Augsburg Nürnberg.

Door het succes van zijn uitvinding raakte Diesel betrokken in verschillende patentdisputen, mede door overeenkomsten met een door Herbert Akroyd Stuart in 1890 uitgevonden machine. Na lange juridische strijd haalde Diesel zijn gelijk en werd zijn uitvinding bekend als de dieselmotor. Onderwijl werkte Diesel door aan de verdere ontwikkeling van zijn motor. Een Amerikaanse brouwer was de eerste commerciële gebruiker van de dieselmotor.

De Gentse firma Carels verwierf in 1894 als eerste ter wereld een licentie voor de bouw van dieselmotoren.

Na experimenten met poederkool, pindaolie en dierlijk vet bleek de Dieselmotor het beste te draaien op petroleum en later op een speciaal ontwikkeld aardolieraffinaat, dat dieselolie genoemd zou worden. De motor werd later dankzij de ontwikkeling van de inspuitpomp door Robert Bosch vooral een succes voor de zwaardere vervoermiddelen.

In eerste instantie is Diesel (meervoudig) miljonair geworden. Hij heeft dit geld echter verspeeld door onder andere slechte investeringen, technische problemen met de eerste dieselmotoren en geldverslindende proceskosten wegens patentrechten.

Aanvankelijk werden de motoren dus niet gebruikt voor de aandrijving van voertuigen, maar voor zogenaamd stationair gebruik (bijvoorbeeld de aandrijving van machines in een fabriek), dit heet ook wel industriemotor.

Pas in 1915 werd een dieselmotor ingebouwd in een MAN-vrachtwagen, waarna Mercedes-Benz vlak voor de Tweede Wereldoorlog de eerste Diesel-personenauto presenteerde.

Overlijden[bewerken]

Op 29 september 1913 verdween Diesel onder verdachte omstandigheden van het stoomschip de SS Dresden dat van Antwerpen naar Harwich voer. Hij was, samen met zijn vriend Carels, op weg om een nieuwe fabriek van Georges Carels te openen. 's Avonds dineerde hij nog met vrienden, 's ochtends was hij spoorloos. Zijn bagage stond onaangeroerd in zijn hut, het bed was onbeslapen. Vreemd genoeg bleek bij het onderzoek dat de naam Diesel niet voorkwam op de passagierslijst. Waarschijnlijk heeft Rudolf zelfmoord gepleegd, mogelijk vanwege zijn slechte financiële situatie. Er doen echter ook andere geruchten de ronde: de Duitse Geheime Dienst zou zijn contact met de Britse regering hebben willen verhinderen en grove middelen hebben gebruikt. Een Nederlands loodsschip stuitte later op het lichaam van Diesel, maar borg het niet. Na het ontdaan te hebben van alle persoonlijke bezittingen werd het teruggegooid, zoals in die tijd gebruikelijk was. Zijn zoon zou deze bezittingen later identificeren als die van zijn vader.

Trivia[bewerken]

  • Diesel stond ook bekend als Esperantist. Hij zei:
    "Sedert vele jaren ben ik geïnteresseerd in het Esperanto. Deze internationale hulptaal voldoet aan een basisvoorwaarde opdat de meeste volkeren ze zou waarderen en ze verder blijft bestaan in een natuurlijke verbinding met de belangrijkste talen in de geniale eenvoud en de logica van haar structuur.
    Deze taal bekijk ik uit het standpunt van een ingenieur, wiens betrachtingen gericht zijn op het sparen van energie... Het doel van Esperanto is tijd, energie, arbeid en geld te sparen en de internationale betrekkingen te versnellen en te vereenvoudigen.
    Vanuit dit standpunt is het moeilijk de tegenstand te begrijpen, die nog voorkomt tegen het invoeren van een zaak die zo nuttig is voor het mensdom. Ik ben van mening dat het invoeren van het Esperanto een absolute noodzaak is voor de vrede en cultuur."
    Das Esperanto ein Kulturfaktor, 1913