Baltische Duitsers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baltische Duitsers
Vlag van de Baltische Duitsers
Vlag van de Baltische Duitsers
Totale bevolking (onbekend)
Taal Nederduits, na de 15de eeuw Hoogduits
Geloof Lutheranisme
Verwante groepen alleen in taalkundig opzicht aan de Rusland-Duitsers
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Baltische Duitsers (Duits: Deutsch-Balten, Baltendeutsche, vroeger: Balten) waren meestal etnisch Duitse inwoners die in het gebied van het huidige Estland en Letland woonden. De Baltisch-Duitse bevolking vormde hier nooit meer dan 10% van het totaal. Zij vormden echter voor meerdere eeuwen de sociale, commerciële, politieke en culturele elite. Sommigen van hen namen hoge posities in het militaire en civiele leven van het Keizerrijk Rusland in.

Geschiedenis; de Middeleeuwen[bewerken]

Ruïnes van de kerk van Ikšķile

Bewoners uit het Duitse Rijk, en dat omvatte in de Middeleeuwen ook de Nederlanden, begonnen zich in de late 12e eeuw in wat nu Letland en Estland is te vestigen. Handelaren en missionarissen bezochten de kustlanden, bewoond door heidense stammen die Oostzeefinse talen spraken. Naar de stam der Lijven die de kusten van de Golf van Riga bewoonden noemden zij het gebied Lijfland. Aan de benedenloop van de Westelijke Dvina woonden de Baltische stammen der Selen en Letgallen, die onder vazalschap van het Oosters-orthodoxe Vorstendom Polotsk stonden. De migratie vanuit het westen kan gezien worden als onderdeel van de zogenaamde Duitse Oostkolonisatie.

In het kielzog van de Duitse kooplieden landde een monnik genaamd Meinhard in 1180 aan de monding van de Westelijke Dvina. In 1184 werd de eerste christelijke kerk in het gebied gebouwd bij het Lijfse dorp Ikšķile (Uexküll). In 1186 werd Meinhard gewijd als de eerste bisschop van Uexküll. Zijn werk richtte echter weinig uit en in 1193 gaf de paus toestemming tot een militaire bekeringscampagne, de zogenaamde Lijflandse Kruistocht onder leiding van bisschop Berthold van Hannover. Nadat de stamhoofden waren verslagen werd, in 1199, Albert van Buxhoeveden naar de Baltische landen gestuurd. Om een permanente militaire aanwezigheid te waarborgen, stichtte Albert, nu als bisschop van Lijfland, in 1202 de Orde van de Zwaardbroeders. Dertig jaar later was de verovering en formele kerstening van het huidige Estland en noordelijk Letland (Lijfland) afgesloten. Een kerkelijke staat Terra Mariana werd opgericht, gedragen door een ridderschap van militair weerbare monniken, afkomstig uit Westfalen. Zij noemden zich de Zwaardbroeders en ontvingen voor hun veroveringswerk een derde deel van het land in bezit. Toen de Zwaardbroeders in 1236 verslagen werden door de verenigde Russen en Litouwers, riepen zij de hulp in van de verwante Duitse Orde in West- en Oost-Pruisen en noemden zij zich voortaan de Lijflandse Orde. Deze Orde kreeg vaste greep op de omstreden gebieden en ontving in 1346 bovendien Estland in bezit uit de handen van de Deense koning die zijn macht daar sinds 1200 had gevestigd. De politieke macht van de Orde moest zij in overeenstemming met die van de Bisschop van Riga uitoefenen, terwijl een lagere adel van vasallen het gezag uitvoerde en, als exploitanten van de grond, de daarop wonende autochtone boeren tot lijfeigenschap veroordeelde. Naast de adel in zijn verschillende rangen en standen, waren het de steden die de voornaamste economische grondslag legden. Zij waren in de 13de eeuw bij adellijke burchten opgericht, bevolkt door handelaren en handwerkslieden uit Noord-Duitsland en Skandinavië, en zij sloten zich aan bij het Hanzeverbond. In de stadsbesturen hadden de gilden de macht in handen en deze sloten als lid autochtone Esten en Letten buiten. De politieke machtsverhoudingen speelden zich af tussen de bisschop van Riga, de Zwaardbroeders, de vasallen en de burgerijen. Onder de vasallen bevonden zich ook geslachten van autochtone stamhoofden maar deze integreerden in de Duits-baltische machthebbende kaste en vertegenwooordigden de autochtone Esten en Letten niet langer. Oorspronkelijk werd de administratie van Terra Mariana in het Latijn gevoerd. Al gauw verkreeg het Nederduits een overheersende positie. Na de opkomst van het lutheranisme werd dit door het Hoogduits verdrongen.

Toen de invloed van de Duitse Orde in de 15e eeuw door oorlogen met Polen en Litouwen verzwakte, begon de Lijflandse Orde in het noorden meer een zelfstandig beleid te voeren. De grootste tegenstander hier was het grootvorstendom Moskou, en verzwakt na meerdere nederlagen werd in 1419 de Lijflandse Confederatie opgericht.

Na de Reformatie[bewerken]

Toen de Duitse Orde in 1522 geseculariseerd werd als het hertogdom Pruisen, bleef de Lijflandse Orde onafhankelijk, hoewel omgeven door agressieve buren. De celibaatsverplichtingen werden ook in deze Orde opgeheven, en dat maakte de verschillende fracties meer gelijk aan elkaar. De elite van de Zwaardbroeders zou zich tot 1561 daartegen verzetten omdat zij haar exclusieve macht niet wilde delen.

In 1558 begon met de Russische inval in Lijfland de Lijflandse Oorlog tussen Rusland, Polen, Zweden en Denemarken, welke 20 jaar duurde. In de loop van de oorlog werd het gebied van de Lijflandse Confederatie verdeeld tussen Denemarken (eilanden Ösel en Dagö (Saaremaa) 1583-1645, daarna Zweeds tot 1721), Zweden (Zweeds-Estland 1561-1721) en Polen (hertogdom Lijfland) 1561-1621, daarna Zweeds tot 1721), en het hertogdom Koerland en Semgallen ook wel Pools Lijfland genoemd als een vazalstaat van het Pools-Litouwse Gemenebest (1561-1795). Op de hier vermelde einddata (1721, 1772, 1795) werden de betrokken gebieden Russisch.

Tussen 1522 en 1524 nam op gezag van de adel de gehele bevolking het lutheranisme aan, de stedelijke burgerij uit eigen keuze en ook op grond van haar contacten met de lutherse steden in het Duitse Rijk. De Esten en Letten op het platteland werd dit geloof opgelegd. De ridders verlieten hun geestelijke ordensgeloften en namen als seculiere adelskaste het staatsgezag over. De stedelijke burgerij liet voor eigen gebruik Nederduitse catechismussen drukken en voor haar dienstpersoneel ook de eerste gedrukte Estse en Letse religieuze werken, vooral gezangboeken en evangeliefragmenten, die in gebruik gegeven werden van predikanten die in het Ests en Lets preekten. De Bijbel zou overigens al snel in de Hoogduitse vertaling gebruikt gaan worden. Het Nederduits zakte sociaal af als gesproken taal van de lagere burgerij en als beroepsjargon in bepaalde gilden. Aan het einde van de 17de eeuw was het verdwenen, al zouden veel afzonderlijke woorden en uitdrukkingen lang blijven voortleven.

In 1629 veroverde Zweden de noordwestelijke helft van het hertogdom Lijfland, inclusief de stad Riga. Dit werd nu Zweeds Lijfland.

Viering van het 300-jarig bestaan van de universiteit Dorpat in 1939

Onder Zweeds koninklijk gezag maar in uitvoering van de Duits-Baltische ridderschap werd een Duitstalige Universiteit van Dorpat ingericht. Deze universiteit zou ok predikanten voor de Estse en Letse plattelandsbevolking gaan opleiden. Het zou nog tot 1689 duren voordat het Nieuwe en Oude Testament in het Lets werd gedrukt, en tot 1715 resp. 1739 voordat dat in het Estisch gebeurde. Ondanks deze zielzorg en dorpsonderwijs in de eigen taal zou de lutherse ‘Landeskirche’ een instelling van de Baltische adel blijven en daarom vreemd voor de lijfeigene Esten en Letten onder de plattelandsbevolking, maar overigens was zij het intellectuele centrum van de Baltische Duitsers. Aan het einde van de jaren 1600 introduceerde Zweden ook in de Baltische provincies de zogenaamde Reductie. Dit betekent dat het onroerend goed van de adel Zweeds Kroon werd en als zodanig aan de ridderschap werd beleend. Deze hervorming maakte formeel vrije boeren van de horigen, maar zou echter na de Russische verovering in 1710 weer ongedaan worden gedaan.

De situatie in het oostelijke gedeelte van Letland, het woiwodschap Lijfland, was geheel anders. Hier was de Poolse taal en cultuur overheersend. De Duitse minderheid was onbetekenend, en de weinige "Baltische baronnen" werden opgenomen in de Poolse adel en gepoloniseerd. De landbevolking werd eveneens onder gezag gesteld van de Rooms-katholieke kerk.

Het hertogdom Koerland en Semgallen, hoewel nominaal onder de Poolse kroon, bleef grotendeels autonoom. De Duitse ridderschap kon zich hier dan ook handhaven.

Na de Grote Noordse Oorlog kwam al deze gebied in 1721 onder het keizerrijk Rusland. Zweeds-Estland werd het gouvernement Estland, Zweeds-Lijfland het gouvernement Lijfland, en het hertogdom Koerland en Semgallen werd het gouvernement Koerland. De woiwodschap Lijfland werd uiteindelijk deel van het gouvernement Vitebsk. Tezamen heetten deze gebieden nu de 'Oostzeeprovincies'. Hoewel ze slechts een minderheid vormden, beheersten deze Baltische Duitsers dan 700 jaar de overheidsinstellingen, economie, onderwijs en cultuur van deze gebieden. De steden werden gedomineerd door de handelaren, het platteland werd beheerst door de zogenoemde 'Baltische baronnen'.

Onder de Russische Tsaren[bewerken]

Tussen 1710 en 1795, na het succes van Rusland in de Grote Noordse Oorlog en de Poolse Delingen, werden de door Baltische Duitsers bewoonde gebieden gouvernementen van het Russische Rijk. Echter, deze Baltische gouvernementen ook wel Oostzeeprovincies of Baltische provincies genoemd, bleven gedomineerd en bestuurd door de Duitstalige ridderschap, nakomelingen van de voormalige Zwaardbroeders en van meer recente immigranten uit het Duitse Rijk en uit Polen en Rusland. De ridderschap oriënteerde zich in toenemende mate op Duitsland, in het bijzonder op Pruisen en Saksen, maar was tegelijk loyaal aan het tsaristische Rusland waaraan ze het behoud van haar machtspositie dankte. Enkele families verbonden zich met hoge Russische adelgeslachten en een aanzienlijk aantal individuele Duitse Balten maakte carrière in Russische ambtelijke, wetenschappelijke of militaire staatsdienst. In de ‘Oostzeeprovincies’ , het huidige grondgebied van Estland en Letland, bewoonden ze ca. 2.000 ‘Herrenhäuser’ de meeste waren eenvoudige landhuizen, sommige hadden vorstelijke allure. Deze adellijke families hadden ca. 80% van de grond in bezit.

Het merendeel van de geletterde klasse in het gebied, uiteraard de adel en ook de burgerij, was Duitstalig. De Duitstalige burgers woonden hoofdzakelijk in aanzienlijke steden als Riga, Tallinn (Reval), Tartu (Dorpat), en kleine stadjes als Narva (Narwa), Bauska (Bauske), Cesis (Wenden), Haapsalu (Hapsal), Liepaja (Windau), Pärnu (Pernau) en vele andere. Nog in het midden van de 19e eeuw had de bevolking van veel van deze steden en stadjes nog een Duitse meerderheid, met een sociaal lager geklasseerde minderheid van Esten, Letten en Joden. Het aantal Russen, vooral als ambtenaren, nam gaandeweg toe. Ongeacht hun aantal bleven de stedelijke besturen tot ver in de 18de eeuw in Baltisch-Duitse handen, ook nadat het Duitstalige element in de minderheid was geraakt, omdat het stemrecht niet aan aantal maar aan inkomensposities gebonden was. In 1842 mochten de plattelanders zich vrij in de steden vestigen en dat deed het Estse en Letse element toenemen. In die tijd ondergingen sociaal stijgende elementen uit de Estse en Letse bevolking eerst nog een proces van germanisering in de steden om deel uit te kunnen gaan maken van de Batische-Duitse gemeenschap en de daaraan verbonden voorrechten. Op het platteland kregen bestuurlijke functionarissen – ambtenaren, private ondernemers en zaakwaarnemers in dienst van het grootgrondbezit – een plaats in Duits-Baltische gemeenschap. Zij bestonden uit Duitse Balten in eigenlijke zin en uit verduitste Esten, Letten en Joden en waren duidelijk afgescheiden van de adellijke bovenlaag. Vanaf het midden van de 19de eeuw kwam onder Esten en Letten een eigen nationale emancipatiebeweging op gang, geïnitieerd door lutherse plattelandsdominees die overigens zelf uit de Baltisch-Duitse cultuurgemeenschap stamden. Geleidelijk verloren de ridderschappen hun bestuurlijke autonomie. Onder controle van de centrale regering in Sint Petersburg gesteld, namen een aantal oude gezagsdragers na conflicten, o.a. over het gebruik van het Duits als ambtelijke taal, ontslag. Met privé-instituten hielden de Duitse Balten hun eigen Duitstalige onderwijs in stand, maar zij verloren de universiteit van Dorpat (Tartu) die een Russische staatsinstelling werd. Het volksonderwijs – overigens op het platteland in het Ests en het Lets - werd in de jaren 70 de ridderschap uit handen genomen. Russische onderwijzers, die de inheemse talen niet kenden werden aangesteld in het volksonderwijs en het analfabetisme onder de plattelanders steeg aanzienlijk. De russificatie deed onder de Duitse Balten een ondergangsstemming ontstaan en meer dan de helft van de Baltische studenten en docenten zou Dorpat verlaten en verdwijnen naar universiteiten in Duitsland en Oostenrijk vertrekken om daar hun carrières voort te zetten. De invloed van de Duitse taal en cultuur op de jonge Esten en Letten werd nu door het Russisch van de staatsinstellingen overgenomen. Aan het einde van de 19de eeuw was al de helft van de overheidsambtelijke posities door Russen overgenomen. De Duitse Balten domineerden toen nog steeds de sociale lagen van de adel, de rijke kooplieden, en de wetenschappelijke en vrije beroepen. Vooral de laatsten gaven de leiding aan een 16-tal literaire, natuurkundige, geschiedkundige en culturele genootschappen. Maar name onder de grootgrondbezittende adel waren daarentegen niet Duitsers, namelijk Russen, tot een derde toegenomen, en onder de door het Tsaristische Hof benoemde titulaire persoonlijke adel vormden zij zelfs de meerderheid. De Duitse culturele autonomie werd in de jaren 1870 opgeheven, toen met de Russificatie de Duitse taal in overheid en onderwijs werd vervangen door het Russisch, maar een veelzeggende indicatie voor de blijvende Duitse invloed geeft de statistiek van in het Lets uitgegeven boeken aan: in 1902 waren dat er 1582 waarvan 48% als vertaling uit het Duits, en 40% origineel in de Letse taal. Nog steeds dragen zeer veel Esten en Letten familienamen met een Duitse taalbasis. Na 1945 werden deze vaak in het Ests of Lets vertaald en soms na 1990 weer gerestaureerd in hun oude vorm

In de loop van hun 700-jarige geschiedenis hadden de Baltisch-Duitse families niet alleen etnisch Duitse en Nederlandse wortels. Ze waren soms ook gemengd met de inheemse Esten, Lijven en Letten, alsook met Denen, Zweden, Russen, Polen, en enkele Engelsen en Schotten, Polen. Zij assimileerden in de Duitse cultuur, en namen de Duitse taal over, waarbij hun namen en familienamen werden verduitst. Zij werden vervolgens ook als Baltische Duitsers beschouwd. Alleen enkele Baltische Duitsers die carrière maakten in de Russische hoge bureaucratie en onder de Russische adel huwelijkspartners vonden, werden na hun bekering in de orthodoxe kerk opgenomen in de elite van het Russische keizerrijk.

De etnische meerderheid van Esten en Letten woonde meest in landelijke gebieden als horige boeren en aan de adel verplichte handelaars en handwerkslieden, of in de steden als bedienden van de burgerij. Dit was overeenkomstig de sociale orde in het Russische Rijk, die duurde tot ver in de 19e eeuw, toen de emancipatie van de lijfeigenschap langzaamaan meer politieke rechten en vrijheden toestond.

De Revolutie van 1905 leidde tot aanvallen tegen de Baltisch-Duitse landeigenaren, waarbij veel landgoederen werden geplunderd en afgebrand, en 82 leden van de adel en van de geestelijke stand werden vermoord. Dit gebeurde meestal niet door de lokale bevolking, maar door revolutionaire bendes die van elders kwamen. Hierbij werden landgoederen verbrand, en leden van de adel vermoord. Dit gebeurde meestal niet door de lokale bevolking, maar door revolutionaire bendes die van elders kwamen. Vele adellijke families besloten in 1905 tot vertrek naar Duitsland; de burgerijen bleven vooralsnog, hoewel zij beseften nu voorgoed de macht in de stadsbesturen te zijn kwijtgeraakt.

Aantallen aan het einde van de Russische tijd[bewerken]

Het hoogste aantal Duitstaligen werd door de statistiek geregistreerd in 1881 met 185.182 (9% van de bevolking). In 1897 waren het er 165.627 (bijna 9%). Daaronder werden niet alleen de in etnische zin Duitse Balten gerekend, maar ook de Esten en Letten en Joden die een zekere germanisering hadden ondergaan in hun taal en cultuur. Schattingen van 40.000 Esten en Letten en een preciezer aan te geven aantal van ruim 30.000 Joden waren in taal en cultuur Duitstalig geworden zodat het statistische aantal Duitse Balten rond de eeuwwisseling op ca. 100.000 gesteld moeten worden. Na 1905 zullen onder de toenemende bedreiging van hun voorrechten steeds meer Duitse Balten vertrekken naar Duitsland. Als we hun statistische aanwezigheid in Riga nagaan maakten zij in 1881 42,9% uit van de bevolking (66.775), en waren zij in 1897 ingekrompen tot 25,5%, maar bij een sterk gegroeide stadsbevolking, maar in absolute zin toch nog vooruitgegaan. In 1913 vond een versterkte relatieve teruggang plaats, nu tot 16,7%, en absoluut 65.332. Zij waren in de metropool Riga statistisch voorbijgestreefd door Letten, hoewel hun aandeel in het onroerend bezit en het bankkapitaal nog steeds domineerde.

Bij het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog kwamen de Duitse Balten in een moeilijke positie. In hun benaming had al een accentverschuiving plaatsgevonden naar 'Baltische Duitsers'. Voor zover zij tot de adellijke kaste behoorden, deden zij als officier dienst in het Tsaristische leger. Maar door hun Duitse achtergrond werden ze door de Russen zowel als de Duitsers gewantrouwd. Hoewel maar een voorbeeld is het tekenend dat de grote Russische inval in Oost-Pruisen in 1914 werd geleid door een generaal uit Duits-Baltische kring, Paul von Rennenkampf die als vele Balten was opgeklommen tot de generale staf van het Russische leger. Zijn eveneens uit de Baltische elite afkomstige tijdgenoot was Graaf Sergej Witte, vormgever van de modernisering van Rusland en enkele decennia lang een bijzonder belangrijk minister in de tsaristische kabinetten. Hij sprak zich overigens in 1914 wel uit tegen de oorlogsverklaring aan Duitsland. Beiden werden in het verhittende nationale debat vervolgens als verraders bestempeld.

Revolutie en onafhankelijkheid (1917–1940)[bewerken]

Gedenkteken voor de eerste verjaardag van de Bevrijding van Riga door het Duitse leger. (Het monument bestond slechts september-november 1918, tot Riga tijdens de burgeroorlog door het Letse leger werd bevrijd)

Als gevolg van de Russische Revolutie van 1917 en de daaropvolgende Russische Burgeroorlog vluchtten veel Baltische Duitsers naar Duitsland. Afgelegen Baltisch-Duitse landgoederen waren regelmatig het doelwit van plaatselijke bolsjewieken, en de combinatie van lokale bolsjewieken en extreme nationalisten bracht een nationalisatie van het landbezit en een verplaatsing van de Baltische Duitsers uit hun posities van gezag.

Na de Russische overgave en de Vrede van Brest-Litovsk in 1917 organiseerde het Duitse Rijk de bezette gebieden in de Ober-Ost. In 1918 werd hieruit het hertogdom Koerland en Semgallen opgericht.

Na de Duitse verovering van Lijfland richtte de Duitse adel het Baltische Hertogdom op. Dit werd later samengevoegd met het hertogdom Koerland en Semgallen tot het Verenigd Baltisch Hertogdom onder Duitse soevereiniteit. Geen van deze "staten" had echter een daadwerkelijke macht.

In de Estse en Letse Onafhankelijkheidsoorlogen konden de Esten en Letten hun nationale onafhankelijkheid veroveren. De meeste Duitse landeigenaren werden onteigend.

In Letland vochten de Baltische Duitsers aanvankelijk als Baltische Landeswehr samen met de Letse vrijheidsstrijders tegen de bolsjewieken. Ze waren echter weinig geïnteresseerd in een zelfstandig Letland, en zagen meer in een herstel van het Russische Keizerrijk. Nadat de Letse regering door het Rode Leger naar Liepāja was verdreven, werd ze door de Duitsers afgezet en door een marionettenregering onder Andrievs Niedra vervangen. De Baltische Duitsers hielpen met de oprichting van het Westrussisch Bevrijdingsleger, dat uit pro-tsaristische Russen bestond. Gezamenlijk probeerden deze Riga op de inmiddels herstelde Letse nationalisten te veroveren.

De Baltisch-Duitse bevolking van Estland was kleiner, waardoor de Baltische Duitsers daar een minder overheersende rol speelden. Gedurende de Estische Onafhankelijkheidsoorlog hadden veel jonge Baltische Duitsers vrijwillig dienst genomen in het nieuw gevormde Estse leger. Deze Baltisch-Duitse militaire eenheid werd bekend als het Baltenregiment. Desalniettemin begonnen veel Baltische Duitsers de onafhankelijke republiek Estland te verlaten. Voor de emigratie in deze periode zijn geen exacte cijfers beschikbaar.

In de republiek Letland bleven de Baltische Duitsers de meest politiek actieve en georganiseerde etnische minderheidsgroep, hoewel ze na de nationalistische staatsgreep van Kārlis Ulmanis in 1934 aan invloed verloren.

Het Naspel[bewerken]

Met de bolsjewistische Oktoberrevolutie van 1917 en de ondergang van het Russische Rijk kwam aan de privileges en de feitelijke overheersing van de Baltische Duitsers een einde. Zij kwamen nu onder gezag van de nieuwe nationale staten Estland en Letland.

In het najaar van 1939, na de ondertekening van het Molotov-Ribbentroppact, kwam aan hun geschiedenis en aanwezigheid in de Baltische staten een abrupt einde. Onder het Heim ins Reich-programma werden bijna alle Baltische Duitsers door de Duitse regering geherhuisvest in de nieuw gevormde rijksgouwen Wartheland en Danzig-West-Pruisen (op het grondgebied van het bezette Polen).

Emigratie van de Baltische Duitsers (1939-1945)[bewerken]

Propagandaplakkaat uit 1939
Verlading in Riga

Als gevolg van de geheime afspraken van het Molotov-Ribbentroppact tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie in 1939 werden Estland en Letland aan de Sovjet-invloedssfeer toegewezen. Jozef Stalin kreeg hiermee de vrije loop over deze landen en hij maakte hiervan onmiddellijk gebruik door in eind 1939 militaire bases in Estland en Letland op te zetten. Dit was ter voorbereiding van een invasie van de Baltische staten door de Sovjet-Unie die in de zomer van 1940 plaatsvond.

Een van de belangrijkste in augustus 1939 door Duitsland gestelde voorwaarden was de voorafgaande overdracht van alle Baltische Duitsers uit Estland en Letland met medeneming van roerende en banktegoeden.

Daartoe werden met verdragen met Estland en Letland ondertekend met betrekking tot de emigratie van Baltische Duitsers en de liquidatie van hun educatieve, culturele en religieuze instellingen. Onder de dreiging van een Sovjet-invasie waren de meeste Baltische Duitsers hiertoe bereid. Begin 1940 werden rond 13.700 Baltische Duitsers uit Estland en rond 51.000 Baltische Duitsers uit Letland geherhuisvest, vooral in de rijksgouw Wartheland en andere door Duitsland van Polen geannexeerde gebieden, vaak in woningen van verdreven Polen. Deze gebieden waren bij het Molotov-Ribbentroppact aan de invloedssfeer van Duitsland gelaten en in september bezet en ingelijfd. Na de Sovjetinvasie en oprichting van de Letse Socialistische Sovjetrepubliek in het begin van 1941 regelde de Duitse regering nog een laatste emigratie-actie voor de weinigen die in 1939 of 1940 hadden geweigerd om te vertrekken. Deze keer zonder compensatie voor achtergelaten woningen of bezittingen. De actie werd de Nachumsiedlung genoemd. Onbekend bij het publiek lag de Duitse invasie van de Sovjet-Unie slechts 2-4 maanden in de toekomst, en dit was Hitlers laatste kans om deze mensen in vredestijd te evacueren.

In de zomer van 1941 werden Letland en Estland door Duitsland na de inval in Rusland bezet. Sommige emigranten keerden nu terug als functionaris in het Duitse bezettingsbestuur.

Een klein aantal bleef na 1944 in de Baltische staten, maar deze werden onderworpen aan wijdverbreide discriminatie (en tot 1953 mogelijke deportatie naar Siberië) door de Sovjet-autoriteiten. Als gevolg hiervan verborgen of ontkenden velen hun Baltisch-Duitse afkomst. De meeste Baltische Duitsers die na 1944 bleven waren kinderen van gemengde huwelijken of zelf getrouwd met etnische Esten, Letten of Russen.

Tweede evacuatie in 1945[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Door het oprukkend Sovjet-offensief eind 1944 en begin 1945, werden de Baltische Duitsers, die in de bezette Poolse gebieden zoals West-Pruisen en Warthegau, of in Oost-Pruisen woonden, gedwongen naar het westen te vluchten. Van de ca 60.000 die op weg gingen kwamen er ca. 10 tot 20.000 onderweg om. Veel Baltische Duitsers bevonden zich aan boord van de Wilhelm Gustloff, onderweg naar het westen, toen dit schip op 30 januari 1945 door een Sovjet-onderzeeër tot zinken werd gebracht, met het ergste verlies van levens van een enkel schip in de maritieme geschiedenis. Honderden andere Baltische Duitsers verdronken na het torpederen door de Russische marine van de Steuben op 10 februari 1945.

De meeste overlevenden vestigden zich in West-Duitsland, sommigen in Oost-Duitsland. In 1950 waren in Duitsland ca 50.000 Baltische Duitsers aanwezig. Een minderheid emigreerde vanaf 1948 naar Canada, met de steun van de Canadese gouverneur-generaal Harold Alexander, die tijdens zijn tijd als bevelhebber van de Baltische Landeswehr vele Baltische Duitsers had gekend.

In 1881 woonden er ongeveer 46.700 Duitsers, althans Duitstaligen op het grondgebied van het huidige Estland (5,3% van de bevolking), en volgens de volkstelling van 1897 waren er 120.191 Duitsers (Duitstaligen) op het grondgebied van het huidige Letland, of 6,2% van de bevolking. Nu zijn er nog enkele honderden in hun oorspronkelijk woongebied aanwezig. De hedendaagse afstammelingen van de Baltische Duitsers kan men over de hele wereld vinden, met de grootste groepen in Duitsland en Canada.

Vernietiging van het cultureel erfgoed in de Baltische staten 1945–1989[bewerken]

De Grosser Friedhof in Riga
Het Schwarzhäupterhaus, met rechts het standbeeld van de Roland

Tijdens de 50 jaar durende bezetting van de Baltische staten werden door de Sovjet-autoriteiten de sporen van etnische Duitsers uitgewist. Talrijke standbeelden, monumenten, bouwwerken of gedenkstenen met Duitse opschriften werden vernietigd of gewijzigd. Van de ca 2.000 'Herrenhäuser', adellijke landhuizen verviel de helft tot ruïne. De landhuizen die een publieke functie toegewezen werd, bleven behouden. Met name het grote paleis van de hertogen van Koerland te Rundale (Ruhenthal) bleef wel behouden als regeringsgebouw

De grootste Baltisch-Duitse begraafplaatsen van Estland in Kopli en Mõigu, beide bestaand sinds 1774, werden volledig verwoest door de Sovjet-autoriteiten. Op de Grote Begraafplaats (Grosser Friedhof) van Riga, de belangrijkste begraafplaats van de Baltische Duitsers in Letland en in gebruik sinds 1773, werd de overgrote meerderheid van de graven.

Na de vernieuwde onafhankelijkheid[bewerken]

De huidige regeringen van Estland en Letland, die hun onafhankelijkheid in 1991 herwonnen, tonen over het algemeen een soms positieve meestal echter neutrale visie op de bijdragen van de Baltische Duitsers in de geschiedenis. Omwille van het gewenste nationale karakter van die geschiedenis worden die bijdragen zeker niet in hun historische betekenis beklemtoond.

Nadat Estland op 20 augustus 1991 onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie herwon, stuurde de Associatie van de Duitse Baltische adel in ballingschap een bericht aan de presidentskandidaat Lennart Meri dat geen enkel lid van de vereniging eigendomsrechten op hun vroegere Estse landerijen zou claimen. Ook het feit dat de eerste Duitse ambassadeurs in Estland en Letland Baltische Duitsers waren hielp de verzoening.

De samenwerking tussen de verenigingen van Baltische Duitsers ('Baltische Landsmannschaften') en de regeringen van Estland en Letland heeft de restauratie van vele Baltisch-Duitse plakettes en gedenkstenen mogelijk gemaakt, met name als monumenten voor degenen die in de onafhankelijkheidsoorlog van 1918-1920 gevochten hebben. Een aantal landhuizen wordt met fondsen uit Duitsland gerestaureerd.

Burchten[bewerken]

De Baltisch-Duitse ridderschap oefende haar macht uit vanuit ca 150 burchten. De meesten werden gesloopt na de oorlogsverwoestingen tussen 1550 en 1730. Een aantal imposante ruïnes zijn nog over, zoals die van Sigulda (Segewold), Koknese (Kokenhusen), Rakvere (Wesenberg), Voltaiki (Neuenburg), Padise (Padis), Toolse (Tolsburg), Laidze (Laidsen), Bauska (Bauske). Een aantal burchten zijn bewaard omdat zij in of bij de steden stonden en daar een bestuurs- of religieuze functie konden blijven vervullen zoals in Riga en Talinn (Reval, Domberg), Kuressaare (Arensburg), Narva (Narwa), Cesis (Wenden), de slotkapel van Haapsalu (Hapsal). De oude burchten van Lielstraupe (Gross Roop) en Mazstraupe (Klein Straupe) behoren tot de weinige die in de 18de eeuw vernieuwd werden. Ter vergelijking, zie de beter bewaarde verwante burchten van de Duitse Orde in het voormalige Oost-Pruisen en West-Pruisen, sinds 1945 noordelijk Polen. Het omvangrijke paleis van de hertogen van Koerland in Rundale (Ruhenthal) bij Bauska en zijn Jagdsloss in Zalenieki (Grünhof), en het Biron-paleis in Jelgava (Mitau) werden in de tweede helft van de 18de eeuw opgericht en kunnen beschouwd worden als laatste machtssymbolen van de Ridderschap. In de 18de en 19de eeuw werden door de adel nog wel vele honderden nieuwe landhuizen in toentertijd in geheel Midden en Oost-Europa gebruikelijke classicistische stijl gebouwd. Daarvan zijn de meesten weer vervallen zijn, vooral na de revolutie van 1905 waaraan zij ten offer vielen. Een deel is inmiddels afgebroken. Bewaard gebleven zijn onder andere de zeer imposante landhuizen van Mezotne (Mesothen), Kraslava (Kraslau) en Kazdanga (Katzdangen), allen in Koerland waar de Baltische adel verbonden was met de hoven in Warschau en St.Petersburg. In Estland staan in Saue (Friedrichshof), Palmse (Palms) en Suuremoisa (Grossenhof) bescheidener landhuizen van een type dat ook voorkomt in Skandinavië, waarmee de Baltische adel daar ter plaatse vanouds banden had. De kerken en grote burgerhuizen in de steden geven in hun onmiskenbare stijl van de Hanzesteden de macht van de Baltisch-Duitse burgerijen aan.

Bekende Baltische Duitsers[bewerken]

De Baltische Duitsers speelden in de periode van de 13e tot halverwege de 20e eeuw een grote rol in de samenlevingen van het huidige Estland en Letland. Velen van hen werden belangrijke wetenschappers en ontdekkingsreizigers. Een aantal Baltische Duitsers diende als generaal in het Russische keizerlijke leger en de marine. Verschillende Baltische Duitsers vochten aan de kant van de Witten tijdens de Russische Burgeroorlog aan de vooravond van de gezagsovername door de Sovjets.

Lijst van bekende Baltische Duitsers[bewerken]

Standbeeld van Barclay de Tolly in Riga

Bronnen[bewerken]

  • W. Mitzka, Studien zum baltischen Deutsch, Marburg 1928
  • A. Tuulse, Die Burgen des deutschen Ritterordens in Estland und Lettland, Reval 1941, reprint Wolfenbüttel 2008
  • R. Wittram, Baltische Kirchengeschichte, Göttingen 1956
  • D. Loeber, Diktierte Option: die Umsiedlung der Baltendeutsche, 1939-1941, Neumünster 1972
  • M.H. Haltzel, The Baltic Germans, in: E.C. Thaden, Russification in the Baltic Provinces 1855-1914, Princeton 1981 p. 110 e.v.
  • R. Hootz e.a., Kunstdenkmäler Baltische Staaten; Estland, Lettland, Litauen, Moskou 1986, Leipzig 1992
  • G. von Pistohlkors, Baltische Länder, in: H. Boockmann, Deutsche Geschichte im Osten Europas, Bd 10, Berlijn 2002


Bronnen, noten en/of referenties