Boichgraeve

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Boichgraeve
(stadsmuur Sint Servaasklooster)
Stadsmuur in de kloostertuin van de Zusters Onder de Bogen
Locatie
Locatie Maastricht, Sint Servaasklooster / Kommel / Minderbroedersberg
Status en tijdlijn
Oorspr. functie stadsmuur,
Start bouw 13e eeuw (na 1229)
Erkenning
Monumentstatus rijksmonument
Monumentnummer 28008
De Boichgraeve achter de Sint-Servaaskerk in 1587
De Boichgraeve achter de Sint-Servaaskerk in 1587
Portaal  Portaalicoon   Civiele techniek en bouwkunde

Boichgraeve of Borchgraeve, vroeger ook wel aangeduid als Schuttenhof, tegenwoordig ook wel als stadsmuur achter het Sint Servaasklooster,[1] is de oude benaming voor een deel van de eerste middeleeuwse stadswal in de Nederlandse stad Maastricht. Het betreft de stadsmuur en droge gracht achter de straat Sint Servaasklooster aan de westzijde van de binnenstad. De resterende delen van de walmuur dateren uit de 13e eeuw, maar zijn in de loop der eeuwen vele malen hersteld.

Geschiedenis[bewerken]

Bouw eerste middeleeuwse stadsmuur[bewerken]

Eerste middeleeuwse stadswal met Boichgraeve (6) tussen Tweebergen- en Lenculenpoort (5, 7)

Over het precieze bouwjaar van de oudste middeleeuwse stadsmuur van Maastricht is geen duidelijkheid. In 1229 gaf de hertog van Brabant toestemming om een stenen muur om de stad te bouwen. Eerder was er al een aarden wal opgeworpen met daarop palissaden, maar deze was door de bisschop van Luik, medeheer van het tweeherige Maastricht, verwoest tijdens het Beleg van Maastricht (1204). Mogelijk lag op deze plek een nog oudere versterking, de zogenaamde Ottoonse muur. In 1229 of kort daarna werd begonnen met de bouw van stenen stadspoorten en waltorens, met elkaar verbonden door aarden wallen die in de loop van de 13e eeuw geleidelijk versteend werden. De nieuwe muur op de linker Maasoever bestond uit kolenzandsteen, strekte zich uit over een lengte van ongeveer 2,5 kilometer, was 6 à 8 meter hoog en had in totaal dertien stadspoorten, twee waterpoorten en een onbekend aantal muurtorens. Van de grotere poorten is alleen de Helpoort overgebleven.[2]

De walmuur aan de Boichgraeve is onderdeel van deze eerste middeleeuwse stadsmuur, die zich aan de westkant van de 13e-eeuwse stad uitstrekte tussen de Tweebergenpoort in het noordwesten en de Lenculenpoort in het zuidwesten. Een groot deel van de muur bevond zich op het terrein van de Proosdij van Sint Servaas, behorende tot de immuniteit van de Sint-Servaaskerk. Tussen het stadsbestuur en het kapittel van Sint Servaas waren er enkele malen conflicten over het eigendomsrecht van de stadsmuur en de bijbehorende droge gracht.[3] De naam Boich- of Borchgraeve wordt slechts enkele malen genoemd en zou kunnen verwijzen naar een oudere burgwal of walburcht, die volgens sommige auteurs al in de 9e of 10e eeuw rondom de bezittingen van de Sint-Servaasabdij zou hebben gelegen.[4]

De muur werd waarschijnlijk omstreeks 1250 opgetrokken boven op een bestaande aarden wal, die wellicht 12e-eeuws of ouder was. In de westelijke muur bevonden zich naast de twee genoemde poorten geen andere stadspoorten. Wel was er rond 1500 korte tijd een poterne (klein poortje) en waren er minstens twee waltorens.[3] De bewaard gebleven delen van de westelijke muur bevinden zich achter de bebouwing van het Sint Servaasklooster, deels in de tuin van het Klooster van de Zusters Onder de Bogen, deels in particuliere tuinen, en achter de Tweede Minderbroederskerk.

De muur tussen de Tweebergenpoort (linksboven) en de Lenculenpoort (rechtsonder), Atlas van Loon, 1652

De Boichgraeve als tweede verdedigingsmuur[bewerken]

Na het gereedkomen van de tweede middeleeuwse stadsmuur omstreeks 1350 fungeerde de eerste muur als reserve-verdedigingslinie. Ook al was het belang ervan verminderd, men bleef de oude stadsmuur zeker tot de 16e eeuw onderhouden. Zo werden rond 1500 de kantelen op de muren vervangen door een bakstenen borstwering. De borstwering was toegankelijk via de poorten en torens. In de middeleeuwen mochten de bogen van de oude stadsmuur in vredestijd gebruikt worden als bergplaats. Ook werd er op sommige plaatsen handel onder gedreven en verschenen er hier en daar bouwwerken op de muur. Achter het huis van kanunnik Willem van Enckevoirt (later kardinaal en bisschop van Utrecht) werd in 1474 een poterne uitgebroken, maar het poortje werd in 1529 weer dichtgemetseld.[5] Dat laatste hing samen met het oude conflict tussen stad en kapittel over het eigendomsrecht van de muur. Deze was bij besluit van aartshertog Filips de Schone van 18 juni 1505 toegewezen aan het kapittel, waarbij bepaald werd dat de kanunniken alles op de muur en de torens mochten neerzetten wat ze voor de verfraaiing van hun tuinen wenselijk achtten. In 1529 kaartte het stadsbestuur de kwestie opnieuw aan, maar de uitkomst daarvan is, op het dichtmetselen van de poterne na, onbekend.[3]

Tot omstreeks 1655 mocht tegen de veldzijde van de muur niet gebouwd worden.[6] Daarna werden de oude stadsgrachten gedempt en werden op veel plaatsen huizen gebouwd tegen de veldzijde van de muur. Het gebied van de Boichgraeve bleef echter grotendeels onbebouwd. Op de plattegrond van Maastricht in de Atlas van Loon uit 1652 is te zien dat het muurgedeelte langs de Boichgraeve aan de veldzijde geheel vrij ligt. Ook op de Maquette van Maastricht uit het midden van de 18e eeuw zijn vrijwel alle terreinen grenzend aan de westelijke muur nog onbebouwd. Wellicht lag hier een openbare weg, die in de 19e eeuw verdween. Het gebied werd al sinds 1420 gebruikt als oefenterrein voor de handboogschutters, later ook van de voetboogschutters.[7] De naam Boichgraeve kan dus ook betrekking hebben op het boogschieten, zoals ook de latere benamingen Schuttenhof of Schuttenhoven. Een andere verklaring van de naam duidt op de gebogen lijn die de droge gracht hier om het Sint-Servaascomplex heen beschrijft ('booggraaf').[8]

Sloop stadspoorten, ontmanteling vesting en behoud Boichgraeve[bewerken]

Tussen 1655 en 1660 werden de Gevangenpoort en de Leugenpoort gesloopt voor de bouw van het nieuwe stadhuis van Maastricht. In de 18e eeuw verdwenen ook de meeste andere poorten van de eerste omwalling: in 1734 werden de Tweebergenpoort, de Lenculenpoort en de Minderbroederspoort, wegens bouwvalligheid afgebroken. In 1772 viel ook de Looierspoort onder de slopershamer.[9]

In 1867 werd de vestingstatus van Maastricht opgeheven. In de jaren daarna werden grote delen van de middeleeuwse stadsmuren en de meeste buitenwerken in opdracht van het Ministerie van Oorlog geslecht. De overgebleven stadspoorten van Maastricht - op één na - werden tussen 1867 en 1874 gesloopt. De afbraak van de stadsmuren ging nog door tot begin 20e eeuw. Door toedoen van Victor de Stuers en anderen bleven hier en daar delen van de eerste en tweede wal gespaard.

De muur achter het Sint Servaasklooster bleef grotendeels gespaard, waarschijnlijk omdat deze geen hindernis vormde voor de uitbreiding van de stad en voor een deel dienstdeed als erfafscheiding. Het proosdijgebouw was vanaf 1845 in gebruik als klooster (zie Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus). Dit snelgroeiende zusterklooster nam in de loop van de 19e eeuw een groot terrein in beslag, zowel aan de stadszijde als aan de veldzijde van de muur. Voor de bouw van een nieuwe kloosterkerk werd in 1899 mogelijk een deel van de stadsmuur gesloopt. Het Tweede Minderbroedersklooster werd al in de Franse tijd herbestemd tot rechtbank en gevangenis. In 1997 werd hier de bestuurszetel van de Universiteit Maastricht gevestigd.

In 1981 kreeg de archeologische dienst van de gemeente Maastricht de mogelijkheid om op het terrein van de Zusters Onder de Bogen op beperkte schaal onderzoek te doen aan de Boichgraeve. Onder leiding van stadsarcheoloog Titus Panhuysen werd een klein deel van de voormalige stadsgracht opgegraven. Daaruit bleek dat de gracht minstens 20 m breed was en 7 m diep. Een restant van de muur ter plekke was 125 cm dik en 5,5 m hoog.[10]

Cultuurhistorische erfenis[bewerken]

De 13e-eeuwse walmuur achter het Sint Servaasklooster en aan de Minderbroedersberg is geclassificeerd als rijksmonument. Alleen het meest oostelijke deel is vrij te bezichtigen vanaf de parkeerplaats van het bestuursgebouw van de UM; de overige muurdelen bevinden zich in privétuinen. De circa 125 cm dikke muur is gebouwd van donkerbruine kolenzandsteen in onregelmatig verband met hier en daar blokken mergel of baksteen. De muur is aan de stadszijde opgebouwd uit een serie halfronde spaarbogen, die ongeveer 3,5 m hoog zijn; de hele muur is ongeveer 5,5 m hoog. De spaarbogen zijn deels dichtgemetseld. Enkele bogen zijn open en bevatten nissen met schietgaten. Tegen de veldzijde van de muur zijn op verschillende plaatsen steunmuren gemetseld. Van de oorspronkelijke weergang zijn hier en daar nog restanten over.[11]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en referenties[bewerken]