Jezuïetenwal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jezuïetenwal
(Tongersekat)
De Jezuïetenwal bij de Tongersekat in het Aldenhofpark
De Jezuïetenwal bij de Tongersekat in het Aldenhofpark
Locatie Maastricht, Tongersestraat / Stadspark
Oorspr. functie stadsmuur
Start bouw 14e eeuw
Monumentstatus rijksmonument
Monumentnummer 28012
Afbeeldingen
Tweede middeleeuwse stadsmuur met Jezuïetenwal (13) en Tongersekat (14) tussen Tongersepoort (12) en waterpoort De Reek (15)
Tweede middeleeuwse stadsmuur met Jezuïetenwal (13) en Tongersekat (14) tussen Tongersepoort (12) en waterpoort De Reek (15)
Portaal  Portaalicoon   Civiele techniek en bouwkunde

De Jezuïetenwal, ook wel stadsmuur in het Aldenhofpark of Tongersekat genoemd, is een deel van de stadsmuur in de Nederlandse stad Maastricht. De wal is in de 14e eeuw gebouwd als onderdeel van de tweede middeleeuwse stadsmuur van Maastricht en kreeg zijn huidige naam pas na de vestiging van een jezuïetenklooster in deze omgeving in de 19e eeuw. De wal is gelegen tussen de Tongersestraat (Jekerkwartier) en de waterpoort De Reek in het Aldenhofpark, onderdeel van Stadspark Maastricht. De wal is een rijksmonument.

Geschiedenis[bewerken]

Bouw tweede middeleeuwse stadsmuur[bewerken]

Nadat de eerste middeleeuwse stadsmuur uit ca 1230 te krap bleek, besloot men vanaf eind 13e eeuw de langs de uitvalswegen ontstane voorsteden geleidelijk binnen een nieuw te bouwen enceinte (ommuring) te brengen. Aanvankelijk betrof dit een aarden wal met palissade en waar mogelijk een natte gracht. Bij de zuidelijke stadswal fungeerde het riviertje de Jeker als gracht. Elders werd Maaswater benut en op de hogere gebieden werd volstaan met droge grachten. De nieuwe stadspoorten, vijf op de westoever en twee op de Wycker oever, waren van meet aan van steen, meestal blauwe hardsteen. De geleidelijke verstening van de wal strekte zich uit over een groot deel van de 14e eeuw. Waarschijnlijk was de muur omstreeks 1380 voltooid. De tweede stadsmuur had op de linker Maasoever een lengte van 3575 m en een hoogte variërend van 6 tot 9 m.[1] De eerste stadsmuur bleef als reserveverdedigingslinie in gebruik. Voor het onderhoud en de verdediging van de wallen werden de kerspels ingezet, bij de Jezuïetenwal was dit het Sint-Jacobskerspel.[2][3]

Tussen 1451 en 1470 werd de zuidelijke stadsmuur vernieuwd, waarbij de muur en de muurtorens werden verhoogd. Volgens de Maastrichtse humanist en stadshistoricus Matthaeus Herbenus (1451-1538) vond de (af)bouw van de zogenaamde Lange Toren op de zuidwesthoek van de stadsmuur plaats in 1464. Herbenus beschreef de toren als de hoogste en mooiste van de stad.[4] De grote toren werd ook aangeduid als thorne tiegen Viertornen (1402),[5] torne in den Vroenhoff (1457) en Vrundehoede (1528).[6]

De naam van het huidige park verwijst wellicht naar de in het verleden in deze omgeving gelegen Aldenhof, een begijnhof. Volgens andere bronnen lag dit eerste begijnhof meer naar het oosten, buiten de Aldenhof- of Minderbroederspoort. In de 14e en 15e eeuw lag, dichterbij maar eveneens buiten de wallen, een ander begijnhof, dat omstreeks 1465 werd verplaatst naar een veiliger plek ten noorden van de Nieuwenhofwal.[7]

Uitbouw van de vesting en bouw Tongersekat[bewerken]

Omgeving Lange Toren (atlas Civitates Orbis Terrarum, 1575)

Op de plattegrond van Maastricht in de bekende Atlas van Loon zijn tussen de Tongersepoort en de waterpoort De Reek drie ronde torens met puntdaken te herkennen. In werkelijkheid was er in dit deel van de stadswal in het midden van de 17e eeuw nog maar één halfronde toren over (de meest oostelijke) en deze had toen al meer dan een eeuw geen torenspits meer. Waarheidsgetrouwer is waarschijnlijk de kaart van Braun en Hogenberg in de atlas Civitates orbis terrarum uit 1575, waarop de Lange Toren zichtbaar is in de toestand kort voor de verwoesting, alhoewel hier nog met torenspits.[8]

Weinig waarheidsgetrouwe situatie, Atlas van Loon, 1649

Door de veranderde oorlogsvoering met zwaarder geschut bleken de stadsmuren rond het midden van de 16e eeuw niet meer te voldoen. In 1543 maakten drie Maastrichtenaren in opdracht van het stadsbestuur een studiereis naar de Brabantse steden Brussel, Leuven en Antwerpen. Geld voor een geheel nieuwe omwalling met stomphoekige bastions, zoals in de rijke handelsstad Antwerpen, was er niet. Besloten werd het voorbeeld van Brussel te volgen en de muren aan de stadszijde te verstevigen met aarden wallen. Tevens werden de muurtorens verlaagd tot het niveau van de stadsmuur en vervolgens volgestort met aarde. Ook de Lange Toren werd dat jaar ontdaan van zijn puntdak. Tien jaar later werd de toren ingekort en omgebouwd tot rondeel, zodat deze dienst kon doen als schietplatform voor het zware geschut. Aan de veldzijde werd tegen de torenvoet een halfrond platform aangelegd. Aan de stadszijde van het rondeel bevond zich een kat of cavalier met ruimte voor vier kanonnen, de zogenaamde Tongersekat.[9]

Door de gestaag uitdijende buitenwerken raakte de stadsmuur vanaf eind 16e eeuw steeds meer ingekapseld, wat op de maquette van Maastricht goed te zien is. In 1579 werd de Lange Toren bij het beleg van Maastricht door Parma totaal in puin geschoten. De toren werd niet meer herbouwd. In plaats daarvan werd hier een bastion aangelegd met daarachter de Tongersekat. Bij het beleg van 1673 werd hier hevig gevochten, waardoor het zwaargehavende vestingwerk eind 1673 hersteld moest worden. De kat werd toen aanzienlijk uitgebreid om plaats te bieden aan 12 à 14 kanonnen; een deel van de muren van het bastion (met speklagen) dateert waarschijnlijk uit deze periode.[10] Bij het beleg kwam de Franse kapitein-luitenant Charles de Batz de Castelmore, beter bekend als de musketier d'Artagnan, om het leven. Het dodelijk schot werd echter niet op deze plek gelost - gesuggereerd door het standbeeld - maar bij het ruim honderd meter zuidwestelijk gelegen lunet, dat daarna door de Fransen Demilune des Mousquetaires werd gedoopt.[11]

In de tweede helft van de 18e eeuw werden de vestingwerken onder directeur der fortificaties Pieter de la Rive verder uitgebreid. Aan de zuidwestzijde van de stad werd het inundatiegebied De Kommen uitgediept en werden diverse bastions en lunetten bijgebouwd: voor de Tongersekat waren dat het bastion en de lunet Wilhelmina met natte grachten, voor de Tongersepoort verrezen het bastion Waldeck en de lunet Drenthe, met droge grachten. De laatste twee zijn deels bewaard gebleven in het Waldeckpark.[12]

Ontmanteling vesting en restauratie Jezuïetenwal[bewerken]

Na de opheffing van de vestingstatus van Maastricht in 1867 werden in opdracht van het Ministerie van Oorlog grote delen van de middeleeuwse stadsmuren en de meeste buitenwerken geslecht. De eeuwenoude stadspoorten van Maastricht werden tussen 1867 en 1874 op één na allemaal gesloopt. Door toedoen van Victor de Stuers en anderen bleven hier en daar delen van de eerste en tweede wal gespaard, waaronder de Jezuïetenwal en de aansluitende Nieuwenhofwal. De afbraak van de vestingwerken ging echter nog tot begin 20e eeuw door. In 1917 werd het bastion Wilhelmina gesloopt, vier jaar later volgde de bijbehorende lunet.[13] Een deel van het vrijgekomen terrein tussen de Jeker en de Tongerseweg werd bebouwd; een ander deel werd gestemd voor de aanleg van de Prins Bisschopsingel, de zuidelijke ringweg. De rest van het terrein werd aan het Stadspark toegevoegd. Hier werd omstreeks 1920 het Wilhelminapark, later Aldenhofpark, gerealiseerd naar een ontwerp van de Belgische tuinarchitect Liévin Rosseels.[14] Op deze plek was onder andere van 1920-1993 de Maastrichtse berenkuil gevestigd. De wandelplaats boven op de walmuur vanaf het Nieuwenhofpoortje werd tijdens de bezettingsjaren 1940-'44 gerealiseerd. Drijvende kracht hierachter was de historicus Charles Thewissen.[15]

Cultuurhistorisch erfgoed[bewerken]

Parkzijde Jezuïetenwal[bewerken]

De Jezuïetenwal strekt zich aan de zijde van het Stadspark Maastricht uit tussen de voormalige Tongersepoort en de waterpoort De Reek. Het oostelijk deel van de muur is grotendeels van Naamse steen met een lage borstwering van baksteen. De enig overgebleven muurtoren in dit gedeelte heeft een wellicht nog 14e-eeuwse onderbouw van kolenzandsteen, die op halve hoogte ongeveer overgaat in Naamse steen met vullingen van baksteen. Hierboven bevindt zich een halfronde lijst van Limburgse mergel en een bekroning van baksteen met een band van mergel. De toren heeft nog een schietgat en drie eenvoudige kraagstenen boven de mergellijst. De muren van het bastion waarachter zich de Tongersekat bevindt, staan min of meer loodrecht op elkaar. De speklagen bestaan uit mergelsteen afgewisseld met baksteen en Naamse steen. Aan de voet van de muur liggen een drietal naamstenen van gesloopte buitenwerken uit de omgeving: Louise, Bentinck en Stad en Lande.[16] In de nabijheid bevinden zich het bronzen standbeeld van D'Artagnan van Alexander Taratynov en de Halfautomatische Troostmachine (in en rondom de voormalige berenkuil) van Michel Huisman.

Stadszijde Tongersekat[bewerken]

De Tongersekat ligt direct achter de Jezuïetenwal in de tuin van het voormalige jezuïetenklooster, thans economische faculteit van de Universiteit van Maastricht. Het terrein wordt nog steeds gekenmerkt door een verhoogde ligging ten opzichte van de omgeving. Een deel van de kat is begin 20e eeuw afgegraven voor de nieuwbouw van het klooster. In de jaren 1980 is een collegezaal van de universiteit naar een ontwerp van Jo Coenen deels in de Tongersekat uitgegraven. Ernaast ligt een ondergrondse opslagplaats voor buskruit uit 1692 met een mergelstenen tongewelf en een bakstenen trappartij. Ten oosten daarvan ligt een groter, bovengronds kruitmagazijn, het zogenaamde kruithuis van de Bleekhof.[17]

Zie ook[bewerken]