Oppidum Caestert

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kaart van Oppidum Caestert, met links het noorden. De cirkelvormen zijn dolines. Op de kaart staan eveneens de wegen en de Hoeve Caestert.
Op de Tranchotkaart van 1828 is het hoogteverschil van de versterking goed te zien: ter hoogte van de grote bocht in de Maas.

De Oppidum Caestert is een oppidum en archeologische vindplaats op de grens van de Belgische gemeentes Riemst en Wezet.

Situering[bewerken | brontekst bewerken]

De oppidum ligt op een hoogte van ongeveer 120 meter boven de zeespiegel in het zuidelijk deel van de Sint-Pietersberg op het Plateau van Caestert ten zuidoosten van Kanne en ten westen van Klein-Ternaaien. Het grootste gedeelte ligt in de Vlaamse gemeente Riemst in het Overbos en een smalle strook in de Waalse gemeente Wezet in het beschermde gebied van Thier de Caster. In het noordoosten van de oppidum is het latere Kasteel Caestert en de Hoeve Caestert gebouwd.

De hoogteversterking ligt ongeveer halverwege van het plateau dat zich uitstrekt tussen Maastricht in het noorden en Loën en Wonck in het zuiden. Het plateau is relatief smal en langgerekt met aan de oost- en westzijde twee rivierdalen van de Maas en de Jeker. De oppidum was strategisch aangelegd op een smalte van dit plateau, waardoor de versterking aan beide dalen grensde. Vanuit de versterking had men zo goed zicht op het Maasdal in het oosten en kon men door de ligging in een flauwe bocht het dal in twee richtingen in de gaten houden. Eveneens had men goed zicht op het Jekerdal door ook hier op de berg gelegen te zijn in een bocht van het dal waardoor men in twee richtingen ver kon uitkijken. Naar het noorden toe loopt het plateau langzaam af en naar het zuiden toe blijft het ongeveer op gelijke hoogte, zodat men in alle richtingen zicht had op wie er naderde.[1][2][3]

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

In de periode van ongeveer 250 tot 20 voor Chr., de late ijzertijd en de Gallo-Romeinse tijd, werd de versterking gebouwd en gebruikt door de Kelten.[2]

In 1936 verkreeg de cementfabriek Cimenteries et Briqueteries réunies (CBR) het plateau ter hoogte van Caestert met de bedoeling dit later voor de cementproductie af te graven.[4]

In 2003 werd een gebied met onder andere daarin de oppidum en de Hoeve Caestert door de CBR overgedragen aan het Waalse Ministerie van Landbouw en Plattelandsleven (Département de la Nature et des Forêts), aan Natuurpunt en Natuurmonumenten.[5]

In 2007 en in 2010 werden er opgravingen gedaan op het plateau.[2][6]

Atuatuca[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Atuatuca voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De versterking wordt gezien als de meest waarschijnlijke plaats van de vesting Atuatuca waar Julius Caesar melding van deed in zijn werk Commentarii de bello Gallico.[7] In dat werk beschreef hij een versterking in het gebied van de Eburonen waar hij Cicero met anderhalf legioen liet inkwartieren tijdens de Gallische Oorlogen in de winter van 54/53 v.Chr. Mogelijk noemde Caesar de hoogteburcht naar de Atuatuken omdat de Eburonen toen ondergeschikt waren aan deze stam.[8] Bij opgravingen in 1973-1975 en 2008-2011 hebben proefsleuven de murus Gallicus van de oorspronkelijke hoogteburcht blootgelegd, alsook een noordelijke uitbreiding bestaande uit een wal met palissade.[9] Er zijn geen sporen dateerbaar in 54 v.Chr. aangetroffen. Het vermoeden dat Atuatuca in Caestert lag is daarmee bevestigd noch ontkend.[3][2]

Bouwwerk[bewerken | brontekst bewerken]

De versterking had een oppervlakte van ongeveer 20 hectare en werd omgeven door wallen en grachten. De toegepaste bouwconstructie wordt aangeduid als murus gallicus, waarbij de wal van aarde en stenen verstevigd is met houten dwarsbalken. Rond de omwalling lag een gracht en tussen de wal en de gracht was een palissade van houten palen aangebracht.[2][6] Met het archeologisch onderzoek werd een sleuf gegraven waarin de afmetingen van de gracht 5,6 meter breed en 1,8 meter diep waren. De wal bleek met boringen 12 meter breed te zijn geweest.[10] In het oosten vormde de 60 meter hoge steilrand van het Maasdal een natuurlijke barrière. In het noordwesten, noorden, westen en zuiden waren er doorgangen.[3][2]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]