Engelbrecht II van Nassau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Engelbrecht II
1451-1504
Engelbrecht-II-Nassau.jpg
Graaf van Nassau-(Dillenburg)-Breda
Periode 1475-1504
Voorganger Jan IV
Opvolger Hendrik III
Vader Johan IV van Nassau
Moeder Maria van Loon-Heinsberg
Praalgraf in de Grote Kerk van Breda
Stamboom.png Stamboom

Engelbrecht II van Nassau (Breda, 17 mei 1451Brussel, 31 mei 1504) was een Brabants edelman. Hij was graaf van Nassau, Dietz en Vianden, heer van Breda en de Lek, Roosendaal, Nispen en Wouw. Hij was de zoon van Johan IV van Nassau en Maria van Loon-Heinsberg.

Hij bekleedde hoge militaire en bestuurlijke functies. Door consequent de zijde van Maximiliaan te kiezen, was hij op het einde van zijn leven de voornaamste vertegenwoordiger van de Habsburgers in de lage landen.

Levensloop[bewerken]

Hij treedt in dienst van Karel de Stoute (1467), die hem in de Luikse Oorlogen tot ridder slaat (1468). Hij trouwt met Cimburga van Baden in Koblenz (19 december 1468) en sluit een verdrag met zijn jongere broer Johan V van Nassau-Dietz (1472), waarin wordt bepaald dat Nederlandse en andere bezittingen links van de Rijn aan hem toekomen, en de Nassause aan zijn broer.

In 1473 wordt hij toegelaten tot de Orde van het Gulden Vlies en benoemd tot luitenant-generaal van Brabant en Limburg. In de Slag bij Nancy sneuvelt Karel en neemt de militie van Straatsburg Engelbrecht krijgsgevangen (1477). Na een drietal maanden komt hij vrij en treedt hij in dienst bij Maximiliaan van Habsburg die met de dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië is getrouwd.

In 1479 voert Engelbrecht het bevel tijdens de Slag bij Guinegate tegen de Fransen. Hij is één van degenen die hun armen hebben ontbloot als provocatie, en zo aan de basis liggen van de benaming Dag van de opgestroopte mouwen (Journée des Démanchés). Hij wordt voogd van de driejarige Filips de Schone (1482) en opperkamerheer van keizer Maximiliaan.

Op 25 juli 1487 nemen de Fransen hem gevangen tijdens de Slag bij Bethune. Na enkele jaren komt hij vrij tegen betaling van een forse som losgeld. Hij herneemt zijn taak als veldheer van Maximiliaan en heeft direct zijn handen vol met de Vlaamse Opstand tegen de niet-nagekomen toezeggingen van 1488. Hij neemt Damme in en snijdt zo de bevoorrading van het opstandige Brugge af. De uitgehongerde belegerden geven zich over en moeten de Vrede van Tours toestaan (29 november 1490). Plunderend en zich verrijkend trekt Engelbrecht twee jaar lang met zijn Duitse troepen door Vlaanderen.

Hij bereikt stilaan de top van de hiërarchie in de Nederlanden. In 1494 wordt hij voorzitter van de Grote Raad en in 1496 algemeen stadhouder van de Habsburgse Nederlanden. In 1499 komt hij in het bezit van het burggraafschap Antwerpen, door gebieden die zijn moeder Maria van Loon-Heinsberg had nagelaten te ruilen met hertog Willem IV van Gulik. Zo krijgt Engelbrecht Antwerpen, Diest, Seelhem en Zichem. In 1501 maakt Maximiliaan hem landvoogd van de Nederlanden. Hij laat zijn Brusselse paleis verfraaien en uitbreiden om de nieuwe status te weerspiegelen.

Engelbrecht sterft op 31 mei 1504 in Brussel en ligt begraven in een praalgraf uit 1530 in de Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk van Breda. Hij liet geen wettige kinderen na en benoemde Hendrik III van Nassau-Breda, een zoon van zijn broer, tot zijn erfgenaam.

Bastaardkinderen van Engelbrecht II en een onbekende vrouw:

  • Engelbrecht van Nassau, jonker van Nassau, van de stad Antwerpen genoot hij een lijfrente van 500 rijnse guldens, overl. 1532.
  • Barbara van Nassau, priores van het klooster Vredenberg, genoot eenzelfde lijfrente als haar broer sinds 1502. Na het overlijden van haar broer had zij recht op 1000 rijnse guldens per jaar; zij schreef hierover aan Willem van Oranje in 1554.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Paul de Win, "Engelbert II, comte de Nassau-Dillenburg et de Vianden, seigneur de Breda et de Diest, vicomte héréditaire d’Anvers", in: Raphaël de Smedt (red.): Les chevaliers de l'ordre de la Toison d'or au XVe siècle. Notices bio-bibliographiques, Lang, Frankfurt am Main, 2000, blz. 180–183