Hulda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Hulda is een profetes uit de Hebreeuwse Bijbel. Zij wordt genoemd in de Bijbelboeken Koningen en Kronieken. Ze was de vrouw van Sallum en woonde in Jeruzalem ten tijde van koning Josia.

Voorgeschiedenis[bewerken]

In het achttiende jaar van de regering van Josia vindt de priester Chilkia een verloren boekrol met tekst uit de wet. Hij geeft deze rol aan de hofschrijver Safan, die op zijn beurt de rol laat lezen aan de koning. Toen de koning de inhoud hoorde, scheurde hij zijn kleren. Dit gebaar was in die tijd een teken van rouw. Koning Josia geeft Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Abdon, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja de volgende opdracht: ‘Ga ter wille van mij en ter wille van het volk dat in Israël en Juda is overgebleven de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER zal zijn hevige woede over ons uitstorten omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan de woorden van de HEER en niet hebben nageleefd wat in dit boek geschreven staat.’ Vervolgens gaat Chilkia met de dienaren van de koning naar de profetes Hulda.

Profetie[bewerken]

Hulda is de vrouw van Sallum. Sallum was de zoon van Tokbat, de zoon van Chasra. Hij beheerde de priesterkleding. Hulda woonde in het nieuwe stadsdeel van Jeruzalem.

De profetie die Hulda uitspreekt als ze de hele toedracht heeft gehoord is de volgende: 'Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen degene die jullie naar mij heeft toegestuurd: “Dit zegt de HEER: Ik zal onheil brengen over deze stad en haar bewoners, ik zal alle vervloekingen die beschreven staan in het boek dat aan de koning van Juda is voorgelezen, voltrekken. Dat doe ik omdat zij zich van mij hebben afgekeerd en offers hebben ontstoken voor andere goden en mij hebben getergd met de beelden die ze gemaakt hebben. Mijn toorn zal over deze stad worden uitgestort en niet meer doven.” En tegen de koning van Juda persoonlijk, die jullie heeft gestuurd om de HEER te raadplegen, moeten jullie zeggen: “Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jij hebt je hart opengesteld voor de woorden die je hebt gehoord. Je hebt je verootmoedigd toen je hoorde wat ik over deze stad en haar inwoners heb gezegd. Je hebt je voor mij vernederd, je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ook ik naar jou geluisterd – spreekt de HEER. Je zult in vrede sterven en bij je voorouders begraven worden. Jij zult niet met eigen ogen hoeven aan te zien hoe ik onheil breng over deze stad en haar inwoners.”’ (citaat uit de Nieuwe Bijbelvertaling)

Uitwerking van de profetie[bewerken]

Koning Josia neemt de woorden van Hulda ter harte. Hij bekrachtigde het verbond van God weer en besloot Gods wetten na te leven. Later is de stad Jeruzalem ook daadwerkelijk verwoest door Juda's vijanden.