Jezusmythe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Jezusmythe is de opvatting dat de historische Jezus een mythe is. Het kan duiden op de opvatting dat Jezus nooit heeft bestaan of dat hij wel heeft bestaan, maar niets of heel weinig te maken heeft gehad met het ontstaan van het christendom.[1]

Het bestaan van een historische Jezus wordt door vrijwel alle deskundigen geaccepteerd.[2][3][4]

Opvattingen[bewerken | brontekst bewerken]

Historicus en theoloog Bruno Bauer stelde de theorie in de 19e eeuw als eerste voor. Bauer stelde dat Jezus in de tweede eeuw is ontstaan uit de samensmelting van joodse, Romeinse en Griekse religieuze opvattingen.

Er zijn veel verschillende opvattingen die alle Jezusmythe worden genoemd. Eén opvatting is dat er nooit een historische Jezus is geweest, alleen een mythologisch personage dat later in de evangeliën werd gehistoriseerd.[1][5] Een andere opvatting is dat ieder bewijs voor de historische Jezus zo wordt versluierd door mythen en dogma's dat "we er niet langer zeker van kunnen zijn dat er ooit een echte persoon aan de basis van de hele kwestie stond."[6] Nog een andere opvatting is dat verhalen over Jezus gebaseerd kunnen zijn op iemand die leefde vóór de 1e eeuw n.Chr., wiens levensverhaal werd verfraaid met elementen uit de mythe en literatuur.[7]

Richard Carrier verdedigt de opvatting dat Jezus nooit bestaan heeft,[8][9][10] terwijl Robert M. Price onvoldoende bewijs ziet dat een eventuele historische Jezus aan de basis ligt van het Nieuwe Testament en het christendom.[11][12]

Argumenten[bewerken | brontekst bewerken]

De meeste aanhangers van de Jezusmythe-these volgen een drieledig argument:[13][14]

  1. Ze betwijfelen de bruikbaarheid van de brieven van Paulus en de evangeliën als historische bronnen voor de zoektocht naar de historische Jezus.
  2. Ze stellen dat er een gebrek is aan informatie over Jezus in niet-christelijke bronnen uit de eerste en vroege tweede eeuw (een argumentum ex silentio). De vermeldingen van Flavius Josephus over Jezus (Oude geschiedenis van de Joden 18.63-64 en 20.200) en in Tacitus (Annales 15.44) kunnen volgens hen niet als historisch bewijs fungeren.
  3. Zij stellen dat het vroege christendom een syncretistische en mythologische oorsprong had. In de brieven van Paulus zou Jezus een hemels wezen zijn, dat in de evangeliën werd geconcretiseerd tot een historisch figuur.[15] Het christendom gaat dan niet terug op de gedeelde herinneringen van een historisch persoon, maar eerder op een oermythe.

Brieven van Paulus[bewerken | brontekst bewerken]

De zeven authentieke brieven van Paulus zijn de oudste geschreven christelijke bronnen. Paulus citeert of parafraseert enkele uitspraken van Jezus en verwijst volgens de gangbare wetenschappelijke uitleg naar Jezus als mens op aarde. De brieven bevatten echter geen verwijzingen naar Johannes de Doper, de namen van tien van de twaalf apostelen, Kajafas, Pontius Pilatus, Jezus' toespraken (zoals de Bergrede), zijn wonderen en parabels, Bethlehem, Nazareth, Kafarnaüm en veel delen van de passieverhalen.[16] Het is dan ook de vraag of Paulus de overleveringen over Jezus kende die later in de synoptische traditie te vinden zijn, en of deze toen al bestonden. De oorsprong, omvang en authenticiteit van de door hem overgeleverde Jezus-traditie zijn omstreden.[17] Voorstanders van de Jezus-mythe-these vermoeden dat Paulus geen enkele kennis had over de historische Jezus. Zij stellen (met een argumentum ex silentio) dat Paulus' brieven meer van Jezus' leven hadden moeten getuigen als hij had bestaan. De woorden van Jezus in Paulus' brieven zouden niet uit historische herinnering komen of niet gerelateerd zijn aan historische gebeurtenissen. De verwijzingen naar Jezus als mens moeten anders worden geïnterpreteerd. De synoptische Jezus-traditie als geheel ontstond pas decennia later.

De redenering die onder andere Carrier verdedigt is deze: dat Paulus enkel schrijft over Jezus als over een spirituele of geestelijke persoon, zoals binnen de gnostiek; dat het in die tijd gebruikelijk was om in dergelijke spirituele verlossers te geloven; dat het Marcusevangelie deze spirituele verlosser een aards leven gaf, onder meer op basis van bestaande mythologische geschiedenissen; en dat het in die tijd niet ongewoon was om een dergelijke aardse biografie te schrijven over een fictief persoon.

Meerdere passages in de brieven van Paulus vormen een probleem voor de Jezusmythicisten. Paulus schrijft dat hij in Jeruzalem Kefas ontmoette, en vervolgens: "Maar van de overige apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer" (Galaten 1:19). Carrier schreef hierover dat het onwaarschijnlijk is dat Paulus een biologische broer bedoelde, onder meer omdat uit het Nieuwe Testament duidelijk blijkt dat "broer van de Heer" een gebruikelijke benaming was voor medechristenen.[18] Deze bewering wordt ondergraven door het feit dat in het Nieuwe Testament de term 'broe(de)r van de Heer' niet voorkomt als gebruikelijke benaming voor christenen. Een tweede voorbeeld van een lastige passage is dat Paulus in de Brief aan de Romeinen 1:3 spreekt over Jezus Christus als een lijfelijke nakomeling van David. Volgens Carrier bedoelde Paulus dat God sperma van David had genomen en opgeslagen in een hemelse spermabank, om zo een geestelijke persoon uit dat zaad te verwekken, vergelijkbaar met hoe God Eva maakte uit een rib van Adam.[19] Vooralsnog zijn er geen wetenschappers die dit idee aannemelijker vinden dan dat Paulus bedoelt dat Jezus als messias lijfelijk van David afstamde.

Een argument tegen de Jezusmythe-these is dat de vroegste christenen geen vernederende kruisdood zouden hebben verzonnen voor hun messias, omdat volgens Joodse verwachtingen de messias zijn vijanden glorieus zou overwinnen. Carrier schrijft hierover dat geloof in een gekruisigde martelaar (zoals ook Johannes de Doper) juist aantrekkingskracht had voor bepaalde bevolkingsgroepen, vooral als deze vervolgens door God werd opgewekt en verheerlijkt.[20] Als dit klopt, verklaart dat echter nog niet de mismatch tussen het verhaal over Jezus en de verwachtingen die bij de titel messias hoorden.

Buitenbijbelse vermeldingen van Jezus[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens aanhangers van de Jezusmythe-these bewijst het feit dat de meeste niet-christelijke auteurs van de 1e en vroege 2e eeuw Jezus niet of slechts terloops noemden, het niet-bestaan van Jezus. Reeds Volney (1757–1820) en Dupuis (1742–1809) verwierpen het Testimonium Flavianum, de passage van de joodse historicus Flavius Josephus over Jezus en de verwijzing naar de kruisiging van Jezus door de Romeinse historicus Tacitus.[21] Ook hun volgelingen beschouwen de oude vermeldingen over Jezus als onbetrouwbaar, vervalst of afhankelijk van de christelijke traditie.[22]

Carrier en anderen volgen deze lijn en betogen verder dat er geen primaire bronnen bestaan die het bestaan van een historische Jezus ondersteunen en überhaupt geen buiten-Bijbelse bronnen uit de eerste eeuw. Zij wijzen erop dat de Joodse filosoof Philo Jezus niet noemde toen hij rond 40 n.Chr. schreef over de wreedheden van Pontius Pilatus.[23]

Invloeden vanuit mysteriecultussen[bewerken | brontekst bewerken]

Een theorie betoogt dat het levensverhaal van Jezus in de evangeliën mythologisch parallel loopt aan die van de mysteriecultussen, zoals het mithraïsme en verschillende mythes van Leven-Dood-Wedergeboorte godheden (buiten- en bovennatuurlijk). Dit kan erop duiden dat het Jezus-personage een euhemerisme is, of samengesteld uit verschillende gedeeltes van oude mythologie. Een alternatieve visie op de Jezusmythe houdt het ook voor mogelijk dat Jezus een fictioneel personage is, samengesteld uit personen die wel echt bestaan hebben.