Lode Craeybeckx

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

François Ferdinand Louis (Lode) Craeybeckx (Antwerpen, 24 november 1897 - aldaar, 25 juli 1976) was een Belgisch, socialistisch politicus. Hij was volksvertegenwoordiger (1932-1968) en burgemeester van Deurne (1933-1937) en van Antwerpen (1947-1976) en als zodanig een der belangrijkste architecten van het naoorlogse Antwerpen.

Levensloop[bewerken]

Jeugd en Studies[bewerken]

Craeybeckx was de zoon van een politieman en een huisvrouw. Lode liep school aan het Koninklijk Atheneum van Antwerpen dat in die tijd een bolwerk van flamingantisme was. Geïnspireerd door Albrecht Rodenbach en zijn medeleerling Paul van Ostaijen speelde de jonge Lode een actieve rol in allerlei Vlaamsgezinde jeugdverenigingen. In 1915 richtte hij samen met Frederik Van Eeden de maatschappij-kritische jongerenvereniging Johanneskring op die streefde naar pedagogische en culturele vernieuwing. In 1916 verliet Craeybeckx als leerling van de poësis (5e middelbaar) het Atheneum en behaalt hij zijn Humaniora-diploma via de Middenjury. In dat zelfde jaar schreef hij zich in aan de door de Duitse bezetter vernederlandste universiteit van Gent waar hij Germaanse Filologie volgt. In oktober 1918 stond hij mee aan de wieg van de Jeugdgemeente, een naar Vlaamse cultuurautonomie strevende intellectuele jeugdvereniging waar ook Herman Van den Reeck aan mee werkte. Hij schrijft radicale gedichten (zoals " De Daad ") en manifesteert zich als een begenadigd redenaar. Hij werd tevens lid van de Gentse activistische Vlaamsch-Nationale Partij.

Na de oorlog werd hij hiervoor veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf waarvan hij twee jaar en twee maanden effectief moet uitzitten. Hij was ook voor twintig jaar zijn politieke rechten kwijt. In de gevangenis deelde hij de cel met Lodewijk Dosfel. In deze periode leerde hij ook Irma Lauwers, zijn latere echtgenote, kennen die hem als lid van het Martelarenfonds regelmatig kwam bezoeken.[1] Na zijn vrijlating werkte Craeybeckx als handelscorrespondent, als bediende en uiteindelijk als redacteur Buitenland bij de Volksgazet. Inmiddels was hij toegetreden tot de Belgische Werkliedenpartij (BWP). In 1928 behaalde hij voor de Centrale examencommissie het doctoraat in de rechten en in 1931 startte hij een advocatenpraktijk.

Socialist én flamingant[bewerken]

'Waren Masaryk of Pilsudski eerst nationale of eerst sociale strijders, dan wel het ene omdat ze ook het andere waren'; zo vroeg hij zich luidop af. Hij vermeldde daarbij niet dat Hendrik De Man in zijn boekje 'Nationalisme en Socialisme' uit 1932, dat op jonge Vlaamse socialisten een grote invloed uitoefende, de Poolse nationalistische dictator Pilsudski had afgedaan als een autoritaire nationalist. Van 1933 tot 1937 was hij burgemeester van Deurne. Hij beweerde dat hij het burgemeesterschap van Deurne opgegeven had omdat hij de waarde van dat werk 'in perspectief' had gezien. Hij bekende dat hij de laatste tijd meer waarde hechtte aan het verdienen van geld om onafhankelijk te zijn. Als hij tijd had, zou hij niet weten wat ermee te doen.

Op het eerste Vlaams Socialistisch Congres anno 1937 in Antwerpen, een manifestatie om te midden van verrechtsing en Vlaamse radicalisering te bewijzen dat er een sterk Vlaams socialisme bestond, knoopte Craeybeckx weer aan bij zijn activistisch verleden met zijn oproep tot algehele amnestie voor de 'activistische idealisten'. In 1939 schreef hij het Manifest van Antwerpen. Daarin liet een reeks Vlaamse prominenten onder aanvoering van Camille Huysmans en Frans Van Cauwelaert aan de Franstaligen weten dat ze zich met Vlaamse culturele aangelegenheden niet te bemoeien hadden. Ze deden dat naar aanleiding van een regeringscrisis over de benoeming van de ex-activist dokter Adriaan Martens in de kersverse Vlaamse Academie voor Geneeskunde. De fundering van mensenrechten op de Vlaamse identiteit kwam nog voor. Nadat de Vlaamse Conferentie der Balie van Antwerpen in 1939 tot de uitsluiting van de joodse confraters had beslist, met Craeybeckx als één van de tegenstemmers, eiste de Volksgazet dat deze 'nazibeslissing' werd vernietigd. Een argument daarbij was dat de "schoone tradities van het Vlaamsche volk" dat vereisten. Craeybeckx’ flamingantisme ging samen met zijn socialistische bewogenheid en maatschappijvisie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam hij duidelijk afstand van de collaboratie.

Hij beweerde dat de ruggengraat van de Belgische democratie in Vlaanderen was gegroeid, en wel tijdens de middeleeuwse stedentijd. De Vlaamse steden waren de 'bakermat van de eerste vrijheidsvormen' geweest, "sterker en zuiverder dan deze van de 'Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen'". Bij katholieke flaminganten en Vlaams-nationalisten was het niet ongebruikelijk dat ze ronduit tegen '1789' gekant waren, maar het beantwoordt niet aan het geijkte beeld van een socialist dat hij de verworvenheden van de Franse Revolutie wilde overtroeven met een oudere 'Vlaamse' democratie, die 'sterker' en 'zuiverder' was geweest. Wat hij bedoelde met die laatste twee termen is niet helemaal duidelijk, Sommigen nemen aan dat Craeybeckx ermee alludeerde op de link tussen deze 'autochtone' democratie en de Vlaamse taal en cultuur, een band die sinds de Franse Tijd verbroken was. Hoe dan ook had Vlaanderen volgens Craeybeckx dankzij de democratie – lees: de door de socialisten bevochten uitbreiding van de aanvankelijk elitaire Belgische democratie – het algemeen stemrecht gekregen. Zonder algemeen stemrecht bleef het overheerst door kasteelheren en fabrieksbazen, beiden even 'volksvreemd' als 'Vlaamsch onkundig'. In 1946 was hij enkele weken minister van Koloniën.

Burgemeester van Antwerpen[bewerken]

Op 1 januari 1947 werd hij burgemeester van Antwerpen. In deze functie werd hij een van de meest gezaghebbende politici in Vlaanderen. In 1950 onthulde hij een standbeeld in Antwerpen met de plaque "Arbeid Vrijheid". Een beeld dat nu nog regelmatig gebruikt wordt bij Manifestaties van het Vlaams Belang. Tijdens een driepartijenvolksvergadering op 6 september 1954 in Antwerpen, lanceerde Craeybeckx de bekend geworden slagzin "Antwerpen laat Brussel niet los", bedacht door toenmalige stadsbibliothecaris Ger Schmook, de organisator van de vergadering. Er werd gepleit voor een definitieve wettelijke regeling van de taalgrensproblematiek, de stopzetting van de Brusselse expansie en de bescherming van de taalrechten van de Brusselse Vlamingen. Aanleiding daartoe was de wijziging van de taalwet van 1932 waardoor op grond van de zeer betwiste talentelling van 1947 de tot dan toe Nederlandstalige gemeenten Sint-Agatha-Berchem, Evere en Ganshoren ineens bij de Franstalige Brusselse agglomeratie werden gevoegd. Craeybeckx speelde een belangrijke rol in de actie tegen de talentelling, een vooral bij Vlamingen omstreden instrument waar bij a.d.h.v. een vragenlijst werd beoordeeld hoeveel mensen in een bepaalde streek Nederlands of Frans spraken. De koppeling van de taalwetgeving aan de volkstelling (talentelling) werd immers al van in het begin (1921) door de Franstaligen misbruikt als steekwapen in de communautaire strijd, met alle manipulatie en fraude van dien.[2] De door Craeybeckx geprefereerde ideologie van "éen volk, éen taal" , in juridische kringen het territorialiteitsbeginsel genoemd, werd uiteindelijk op definitieve wijze geconsacreerd door de taalwetgeving van 1961-63. De tienjarige talentellingen werden afgeschaft en de taalgrens definitief vastgelegd. Taalminderheden in de rand- en taalgrensgemeenten werden voortaan beschermd door de zgn. faciliteiten.[3]

In 1967 kwam onder zijn impuls het Vlaams Onderwijscentrum Brussel tot stand. Dit werd hem niet in dank afgenomen door de Franstaligen in de toen nog unitaire BSP. Vooral de Waalse socialist Henri Simonet had het voortdurend over de "onomkeerbare verfransing van Brussel". Craeybeckx was (met Frans Grootjans en Frans Detiège) ook de voorvechter van een Universiteit in Antwerpen. In 1972 was hij ook de spil van een actie die pleitte voor rust op het spellingsfront. Hij verzette zich tegen de zogenaamde 'fonologische' vereenvoudiging van de schrijfwijze.

Craeybeckx was de langstzittende burgemeester van Antwerpen. Naar hem is de Craeybeckxtunnel (1981) genoemd. Hij heeft belangrijke verdiensten gehad in de promotie van moderne kunst in Antwerpen. Zo was hij de grote bezieler van de later internationaal vermaarde maar (in 1951) in Antwerpen weinig gewaardeerde Biënnale in het Middelheim.[4] Hij had ook een grote bewondering voor de Belgische kunstenaar Albert Szukalski.

Controverse[bewerken]

In april 1964 had Craeybeckx in een café op de Grote Markt een hevige dronkenmansruzie met een paar joden en zei "dat het jammer was dat de Duitse verbrandingsovens niet meer van hun soortgenoten hadden doen verdwijnen". Ondanks de verontruste reacties wordt hij toch nog eens door zijn partij als kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen voorgesteld met het argument "Kan men iemand met al die verdiensten voor de beweging zomaar opzij zetten?"[5]. Volgens zijn biografen zou hem na dit "incident" de handen boven het hoofd gehouden zijn door Antwerpse katholieke bladen en door 't Pallieterke[6] [7] [8]

Citaten[bewerken]

Notities uit zijn notitieboekjes op 3 augustus 1938:
"Ik voel dat nu de tyd gekomen is. Het werd uitgesteld, en uitgesteld. Niet om de zaak zelf. Maar ik had geen tyd. En ik heb altijd gedacht dat wat binstwyl gebeurde, dienstig zou zijn voor wat het werk moest worden van mijn leven."

"De filosofie der samenleving – der politiek? De literatuur – in den ruimsten zin? Of de politiek zelf? Tusschen deze drie gaat het. Het lykt me moeilyker te kiezen tusschen deze drie, dan de gelegenheid te scheppen in eén dezer drie, mijn aktiviteit te ontwikkelen. De taak voor dit oogenblik is dus duidelijk, zoo komt mij nu voor: bepalen aan wat mijn kracht zal besteed worden. Dán zal de taak zijn, den tijd daarvoor vrij te maken."

Op 4 augustus 1938 vervolgde hij zijn overpeinzingen aangaande de politiek: "En eerst en vooral, wélke politiek. Deze van de B.W.P. of beter, van het internationaal socialisme, bevredigt me sinds zeer langen tijd niet. Daaraan is zeker toe te schryven dat ik het niet 'verder bracht' in de rangen van de BWP. Iets is niet te vergeten: sinds jaren, en – meer bepaald – reeds in den tyd van myn kiescampagne in Deurne, en in deze gansche periode – heb ik ideeën voorgestaan, die later hun weg hebben gemaakt; by zoover dat ze vandaag kenmerkend zyn geworden voor de nieuwe politiek van de B.W.P. De toenadering tot de Skandinaavsche landen met inbegrip van de zelfstandige buitenlandsche politiek, mitsgaders ook de door de Skandinaafsche socialisten gevolgde politiek voor te stellen als een te overwegen voorbeeld: hoéwel ik nooit de navolging ervan heb aanbevolen."

Politieke loopbaan[bewerken]


Voorganger:
Robert Godding
Minister van Koloniën
1946
Opvolger:
Robert Godding
Voorganger:
August Van de Wiele
Burgemeester van Deurne
1933-1937
Opvolger:
Alfons Schneider
Voorganger:
Camille Huysmans
Burgemeester van Antwerpen
1947-1976
Opvolger:
Frans Detiège
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Olivier Boehme; Lode Craeybeckx - Vlaams socialisme en identiteit (1914-1940) [1]
  2. Raskin, Brigitte, De Taalgrens, Davidsfonds Uitgeverij, Leuven, 2012, pag. 221
  3. Alen André en Muylle Koen, Compendium van het Belgisch Staatsrecht, Deel 1B, Kluwer, 2004, pag. 258
  4. Sakelaropolus, Ronny, Burgemeesters van Antwerpen, van 1830 tot heden, Lode Craeybeckx, burgemeester van 1947 tot 1976, Brochure Burgemeesters Expo, juni 2000.
  5. Walter Pauli, Waarom de sp.a nood heeft aan epo - De memoires van politicus Wim Geldolf tonen een proces van bloedarmoede, De Morgen 30/01/2007
  6. Lieven Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad: een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944), Lannoo Uitgeverij, 2000 ISBN 9789020941098, p.817 n.2105
  7. Gijs Garré, Lode Craeybeckx 1897-1976, Brussel, Grammens, 1986, pp.94-95
  8. Wim Geldof, Camille Huysmans en Lode Craeybeckx 1922-1968. Het verhaal van een politieke relatie in goede en in kwade dagen», Antwerpen, Facet, 1999, ISBN 9050162916 , pp.278-292