Samenstelling Tweede Kamer 1901-1905

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1901-1905 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 14 juni 1901. De zittingsperiode ging in op 17 september 1901.

Nederland was verdeeld in 100 kiesdistricten, waarin 100 Tweede Kamerleden werden verkozen. Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde.

Gekozen bij de verkiezingen van 14 en 27 juni 1901[bewerken | brontekst bewerken]

Katholieken (25 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

ARP (22 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberale Unie (18 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

VDB (9 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Vrije Liberalen (8 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

VAR (7 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

SDAP (6 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Friese CH (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

CH-Kiezersbond (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Vrije Socialist (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Onafhankelijk a.r. (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Groep Staalman (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 42 kiesdistricten was een tweede verkiezingsronde nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd gehouden op 27 juni 1901.
  • De verkiezing van Hendrik Lodewijk Drucker (VDB) in het kiesdistrict Groningen, in de tweede stemronde op 27 juni 1901, werd ongeldig verklaard omdat hij te laat had aangegeven of hij zijn verkiezing zou aannemen. Bij een nieuwe verkiezing op 9 augustus dat jaar werd Drucker herkozen.
  • Cornelis Lely (Liberale Unie) werd in de tweede stemronde verkozen in twee kiesdistricten, Amsterdam IX en Lochem. Hij opteerde voor Amsterdam IX, als gevolg hiervan werden op 13 en 20 augustus 1901 naverkiezingen gehouden in Lochem. In de tweede stemronde van die naverkiezing werd Willem Helsdingen (SDAP) verkozen.
  • Jan Schaper (SDAP) werd in de tweede stemronde verkozen in twee kiesdistricten, Appingedam en Veendam. Hij opteerde voor Appingedam, als gevolg hiervan werden op 30 juli en 7 augustus 1901 naverkiezingen gehouden in Veendam. In de tweede stemronde van die naverkiezing werd Eerke Albert Smidt (VDB) verkozen.
  • Geert van der Zwaag (Vrije Socialist) werd in de tweede stemronde verkozen in twee kiesdistricten, Schoterland en Weststellingwerf. Hij opteerde voor Schoterland, als gevolg hiervan vonden op 6 en 13 augustus 1901 naverkiezingen plaats in Weststellingwerf. In de tweede stemronde van die naverkiezing werd Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz (SDAP) verkozen.
  • Hendrik Goeman Borgesius (Liberale Unie) werd verkozen in twee kiesdistricten, Amsterdam IV en in de tweede stemronde eveneens in Zutphen. Hij opteerde voor Zutphen, als gevolg hiervan vond op 11 juli 1901 een naverkiezing plaats in Amsterdam IV, waarbij Henri François Rudolf Hubrecht werd verkozen. Omdat Hubrecht bij de tweede verkiezingsronde op 27 juni 1901 reeds verkozen was in het district Amsterdam I, besloot hij zijn verkiezing in Amsterdam IV niet aan te nemen. Bij een nieuwe naverkiezing in dit district, op 30 juli dat jaar, werd Jacob Theodoor Cremer verkozen.
  • Theo Heemskerk (ARP) werd verkozen in twee kiesdistricten, Amsterdam VII en in de tweede stemronde eveneens in Gouda. Hij opteerde voor Amsterdam VII, als gevolg hiervan vond op 30 juli 1901 een naverkiezing plaats in Gouda, waarbij Alexander Willem Frederik Idenburg werd verkozen.
  • Titus van Asch van Wijck (ARP) werd verkozen in Amersfoort, maar nam zijn verkiezing niet aan vanwege zijn benoeming tot minister van Koloniën in het kabinet-Kuyper. Bij een naverkiezing op 20 augustus 1901 in Amersfoort werd Hubert van Asch van Wijck verkozen.
  • Johannes Willem Bergansius (katholieken) werd verkozen in Elst, maar nam zijn verkiezing niet aan vanwege zijn benoeming tot minister van Oorlog in het kabinet-Kuyper. Bij een naverkiezing op 20 augustus 1901 in Elst werd Stephanus Martinus van Wijck verkozen.
  • Jan Harte van Tecklenburg (katholieken) werd verkozen in Grave, maar nam zijn verkiezing niet aan vanwege zijn benoeming tot minister van Financiën in het kabinet-Kuyper. Bij een naverkiezing op 20 augustus 1901 in Grave werd Wilhelmus Jacobus Mattheüs Christianus Friesen verkozen.
  • Jan Loeff (katholieken) werd verkozen in 's-Hertogenbosch, maar nam zijn verkiezing niet aan vanwege zijn benoeming tot minister van Justitie in het kabinet-Kuyper. Bij een naverkiezing op 20 augustus 1901 in 's-Hertogenbosch werd Alexander van Sasse van Ysselt verkozen.
  • Abraham Kuyper (ARP) werd verkozen in Sliedrecht, maar nam zijn verkiezing niet aan vanwege zijn benoeming tot minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Kuyper. Bij een naverkiezing op 20 augustus 1901 in Sliedrecht werd Alexander Dirk Peter Valentijn van Löben Sels verkozen.
  • Maurits van Asch van Wijck (ARP) werd verkozen in Wijk bij Duurstede, maar nam zijn verkiezing niet aan omdat hij tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal was gekozen. Bij een naverkiezing op 3 oktober 1901 in dit kiesdistrict werd Nicolaas de Ridder verkozen, die op 9 oktober dat jaar werd geïnstalleerd.
  • De verkiezing van Jan Schokking (Friese CH) in Harlingen werd ongeldig verklaard wegens onregelmatigheden. Bij een nieuwe verkiezing op 10 oktober dat jaar in dit kiesdistrict werd Schokking herkozen, hij werd op 19 november 1901 geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1901[bewerken | brontekst bewerken]

  • 13 november: Johannes Franciscus Jansen (katholieken) overleed voor hij formeel geïnstalleerd kon worden. Om die reden werden op 3 en 12 december 1901 tussentijdse verkiezingen gehouden in Tilburg. In de tweede stemronde werd Antoine Arts verkozen, die op 18 december dat jaar werd geïnstalleerd.

1902[bewerken | brontekst bewerken]

  • 16 maart: Martin de Ras (katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Algemene Rekenkamer. Daarom vonden op 8 en 15 april 1902 tussentijdse verkiezingen gehouden in Maastricht. In de tweede stemronde werd François Isidore Joseph Janssen verkozen, die op 29 april dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 12 augustus: Jan Frederik Willem Conrad (vrije liberalen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 september dat jaar in 's-Gravenhage II werd Willem Dolk (Liberale Unie) verkozen als zijn opvolger, hij werd op 18 september 1902 geïnstalleerd.
  • 16 augustus: Cornelis Lely (Liberale Unie) vertrok uit de Tweede Kamer omwille van zijn benoeming tot gouverneur-generaal van Suriname. Als gevolg hiervan werden op 11 en 18 september 1902 tussentijdse verkiezingen gehouden in Amsterdam IX. In de tweede stemronde werd Hendrik Bijleveld (ARP) verkozen, die op 23 september dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 25 september: Alexander Willem Frederik Idenburg (ARP) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot minister van Koloniën in het kabinet-Kuyper. Bij een tussentijdse verkiezing op 22 oktober dat jaar in Gouda werd Simon de Vries Czn. verkozen als zijn opvolger, hij werd op 18 november 1902 geïnstalleerd.
  • 28 oktober: Antonius Everdinus van Kempen (ARP) overleed. Als gevolg hiervan werden op 25 november en 2 december dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Leiden. In de tweede stemronde werd Willem van der Vlugt (vrije liberalen) verkozen, die op 9 december 1902 werd geïnstalleerd.
  • 30 oktober: Cornelis Herman den Hertog (Liberale Unie) overleed. Om die reden werden op 2 en 9 december dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Amsterdam III. In de tweede stemronde werd Pieter Jelles Troelstra (SDAP) verkozen, die op 13 december 1902 geïnstalleerd.
  • 2 december: de Tweede Kamerleden die verkozen werden voor de Liberale Unie vormden de Vooruitstrevend-Liberale Kamerclub. Hendrik Goeman Borgesius werd aangesteld als voorzitter van deze kamerclub.
  • 7 december: Henri van Kol nam ontslag als fractievoorzitter van de SDAP. Hij werd op 13 december dat jaar opgevolgd door Pieter Jelles Troelstra.

1903[bewerken | brontekst bewerken]

  • 12 januari: Christiaan Lucasse (ARP) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot kantonrechter in Goes. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 februari dat jaar in Middelburg werd Lucasse herkozen, waarna hij op 24 februari 1903 werd geïnstalleerd.
  • 21 januari: Herman Schaepman (katholieken) overleed. Hij werd als voorzitter van de Rooms-Katholieke Kamerclub op 4 maart dat jaar opgevolgd door Maximilien Joseph Caspar Marie Kolkman. Bij een tussentijdse verkiezing op 18 februari dat jaar in Almelo werd Piet Aalberse verkozen als zijn opvolger, hij werd op 24 februari 1903 geïnstalleerd.
  • 1 februari: Lodewijk Henrick Johan Mari van Asch van Wijck (ARP) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot lid van de Centrale Raad van Beroep. Bij een tussentijdse verkiezing op 25 februari dat jaar in Ede werd Maurits Anton Brants verkozen als zijn opvolger, hij werd op 11 maart 1903 geïnstalleerd.
  • 1 maart: Eduard Fokker (VDB) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot voorzitter van de Centrale Raad van Beroep. Daarom werden op 31 maart en 7 april dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Alkmaar. In de tweede stemronde werd Pieter van Foreest (vrije liberalen) verkozen, die op 12 mei 1903 werd geïnstalleerd.
  • april: De Vrij-Antirevolutionaire Kamerclub en Johannes Theodoor de Visser (CH-Kiezersbond) vormden samen de Christelijk-Historische Kamerclub. Alexander Frederik de Savornin Lohman werd aangesteld als voorzitter van deze kamerclub.
  • 28 juni: Jean Arnoldts (katholieken) werd vervallen verklaard van het Tweede Kamerlidmaatschap vanwege het faillissement van zijn sigarenfabriek. Bij een tussentijdse verkiezing in Sittard op 30 juli dat jaar werd Jan Hendrik Joseph Beckers verkozen als zijn opvolger, hij werd op 9 oktober 1903 geïnstalleerd.
  • 21 september: Jan van Alphen nam ontslag als voorzitter van de ARP-Kamerclub. Hij werd op 22 september 1903 opgevolgd door Theo Heemskerk.
  • 23 oktober: Eduard Ellis van Raalte (VDB) nam ontslag omwille van zijn benoeming tot rijksadvocaat in Rotterdam. Bij een tussentijdse verkiezing op 3 november dat jaar werd van Raalte herkozen, waarna hij op 11 november 1903 werd geïnstalleerd.

1904[bewerken | brontekst bewerken]

  • 6 februari: Stephanus Martinus van Wijck (katholieken) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 1 maart dat jaar in Elst werd Antonius van Wijnbergen verkozen als zijn opvolger. Zijn verkiezing werd echter ongeldig verklaard, waardoor op 30 maart 1904 nieuwe verkiezingen werden gehouden in Elst, waarbij van Wijnbergen werd herkozen. Hij werd op 19 april 1904 geïnstalleerd.
  • 6 september: Jan Jacob Willinge (Liberale Unie) nam ontslag vanwege zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Als gevolg hiervan werden op 4 en 11 oktober 1904 tussentijdse verkiezingen gehouden in Assen. In de tweede stemronde werd Willem Treub (VDB) verkozen, die op 8 november dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 20 december: Gerardus Jacobus Goekoop (vrije liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Algemene Rekenkamer. Daarom vonden er op 26 januari en 3 februari 1905 tussentijdse verkiezingen plaats in Brielle. In de tweede stemronde werd Antonie Roodhuyzen (Liberale Unie) verkozen, die op 14 februari dat jaar werd geïnstalleerd.

1905[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]