David Livingstone

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
David Livingstone, door Thomas Annan

David Livingstone (Blantyre bij Glasgow, 19 maart 1813Chitambo aan het Bangweulumeer, 1 mei 1873) was een Schots zendeling en een van de bekendste ontdekkingsreizigers van zuidelijk Afrika.

Jeugd[bewerken]

Livingstone werd geboren in Blantyre, een plaats op een tiental kilometer van Glasgow in Schotland in een klein appartement van een huurkazerne, Shuttle Row genaamd, speciaal gebouwd voor de arbeiders van de katoenfabrieken aan de oevers van de rivier Clyde.

Zoals alle andere kinderen van het dorp werd hij reeds op tienjarige leeftijd tewerkgesteld in de katoenfabrieken voor een veertien uur durende werkdag - van 's morgens zes uur tot 's avonds acht uur. Samen met de kinderen die in deze katoenfabrieken werkten diende hij ook nog de nachtschool te volgen. De meeste kinderen konden door vermoeidheid nauwelijks hun ogen openhouden en sliepen tijdens deze lessen. Maar Livingstone concentreerde zich en volgde aandachtig de lessen. Bij zijn thuiskomst studeerde hij verder en leerde zijn lessen tot diep in de nacht. Ook gebruikte hij, zowel in de katoenfabriek als daarbuiten, elk vrij ogenblik om boeken en de natuur te bestuderen.

Tijdens deze periode trok een oproep voor Chinese zendingsposten zijn aandacht. Deze oproep sprak hem aan en hij besloot om als medisch zendeling naar China te gaan.

Maar zelfs door hard en onverzettelijk verder te studeren kon hij zich pas op 23-jarige leeftijd inschrijven bij de medische en theologische faculteit van het Anderson College van Glasgow. Hij studeerde er tijdens de wintermaanden en keerde tijdens de zomermaanden terug naar de katoenfabrieken om er te werken.

In 1838, toen zijn studie voldoende ver gevorderd was, wendde hij zich tot het Londens Zendingsgenootschap (London Missionary Society) en solliciteerde er met succes naar een aanstelling als zendeling in China.

Naar Afrika[bewerken]

Zijn vertrek naar China werd echter vertraagd door het uitbreken van de Eerste Opiumoorlog in november 1839. In afwachting van zijn vertrek woonde Livingstone een lezing bij van een andere Schotse zendeling, Robert Moffat. Deze Anglicaanse zendeling was op verlof vanuit zijn zendingspost in Kuruman, in zuidelijk Afrika, ongeveer 800 km ten noorden van Kaapstad. Hij sprak over de uitgestrekte en ongerepte gebieden van Centraal-Afrika waar het christelijk geloof nog niet of nauwelijks verkondigd was.

De belangstelling van Livingstone werd daardoor verlegd van China naar Afrika. Hij verzocht en verkreeg van het Londense Zendingsgenootschap een wijziging in zijn aanstelling en vertrok in 1840 naar Afrika.

Nadat Livingstone in Kuruman was aangekomen, trok hij verder noordwaarts om nog verder in de binnenlanden het geloof te verkondigen. In 1843 stichtte hij een nieuwe zendingspost, te Kolobeng, 350 km ten noorden van Kuruman. In 1845 trouwde hij met Mary, de dochter van Robert Moffat. Een ander voorval in deze eerste jaren in Afrika was een aanval door een leeuw. Doordat een van zijn mannen de aandacht van de leeuw kon afleiden, bracht Livingstone het er levend vanaf. Wel hield hij er een blijvend letsel aan zijn linkerarm aan over.

Door de Kalahari[bewerken]

Ten noorden van Kolobeng lag de Kalahari en voorbij deze woestijn lag het Ngamimeer, dat nog nooit door Europeanen was gezien. Livingstone wilde de woestijn doorkruisen en bij de ten noorden van de woestijn wonende Makololo-stam zendingswerk verrichten. Met enkele metgezellen trok hij in 1849 de woestijn in. Hun gids verdwaalde, maar ze slaagden er uiteindelijk toch in om de ten noorden van de woestijn gelegen rivier de Zouga te bereiken, en daarna het meer. De Makololo's, 300 km verder naar het noorden, bereikten ze echter niet.

In 1850 herhaalde hij deze tocht, met in zijn gezelschap onder meer zijn hoogzwangere vrouw en zijn kinderen. Door malaria verzwakt, lukte het Livingstone en zijn medereizigers opnieuw niet om voorbij het Ngamimeer door te dringen.

In 1851 waagde Livingstone nogmaals een poging, via een andere route, en opnieuw met vrouw en kinderen. Na diverse ontberingen, waaronder gebrek aan water, bereikten zij de Chobe, een zijrivier van de Zambezi. Hier bleef Livingstones familie achter, hijzelf reisde met zijn vriend Cotton Oswell verder, en bereikte nu wel Sebituane, de koning van de Makololo's. Hij kreeg toestemming een zendingspost op te richten, doch tijdens zijn verblijf stierf de koning. Livingstone reisde nog verder noordwaarts totdat hij de Zambezi bereikte.

Hier kreeg Livingstone het idee om naar de westkust te reizen, doch hij keerde eerst om, terug naar zijn vrouw en kinderen, die hij begeleidde naar Kaapstad. Nadat zij op het schip naar Engeland waren gezet, volgde Livingstone zijn roeping als ontdekkingsreiziger.

Dwars door Afrika[bewerken]

Kaart van de reizen van Livingstone in Afrika tussen 1851 en 1873

In 1852 trok Livingstone vanaf Kaapstad weer noordwaarts, naar Linyanti, een stad van de Makololo (tegenwoordig in noord-Botswana). Daar ontmoette hij de nieuwe koning, Sekeletu, een zoon van Sebituane. Deze betoonde zich, net zoals zijn vader, zeer vriendelijk tegenover Livingstone, en deze kreeg een groep van 27 Makololo's mee om hem te vergezellen tijdens zijn reis.

Livingstone vertrok in januari 1854 stroomopwaarts de Zambezi op. Na de Zambezi bijna tot aan de bron gevolgd te zijn, trok hij westwaarts naar de kust. Hierbij kwam hij in Portugees gebied (Angola), en hier kwam hij ook voor het eerst in aanraking met de slavenhandel, die hem met afschuw vervulde. Na een reis van 2400 km door grotendeels onbekend gebied, bereikte Livingstone Luanda, waar de Portugezen hem zeer hartelijk ontvingen. In september koos Livingstone de weg terug, maar het duurde bijna een jaar eer hij Linyanti weer bereikte.

Nog geen maand later vertrok Livingstone opnieuw, ditmaal de Zambezi stroomafwaarts volgend. Op 17 november 1855 bereikte hij een reusachtige waterval, die hij de Victoriawatervallen noemde. Op 10 mei 1856 bereikte hij uiteindelijk de stad Quelimane in Mozambique, waarmee hij als eerste van west naar oost dwars door Afrika was getrokken. In Engeland werd Livingstone als een held binnengehaald.

In 1862 overleed zijn vrouw aan de rand van de Zambezi aan malaria.[1] Zij is begraven in Chupanga, het dorpje waar zij overleed.

Nyasameer[bewerken]

David Livingstone, Frederick Havill

De Britse regering en de Royal Geographical Society bekostigden de volgende expeditie van Livingstone. Hij wilde in deze expeditie Zuidoost-Afrika openleggen voor de handel. Hier had hij twee redenen voor. Ten eerste hoopte hij dat de komst van 'normale' handel een belangrijke factor zou zijn voor de uitroeiing van de Arabische slavenhandel in het gebied. Ten tweede hoopte hij dat dit het land ook voor de christelijke zending open zou leggen. Er werd onder meer een stoomboot ingezet, de Ma-Robert, gebouwd in Liverpool en het eerste schip ter wereld met een stalen romp, waarmee men de Zambezi op wilde varen. In mei 1858 stond Livingstone aan de mond van de Zambezi.

Dit bleek echter tegen te vallen. Tot Tete en verder ging het goed, maar de stroomversnellingen van Quebrasa, waar Livingstone op zijn vorige reis zonder ze te zien omheen was getrokken, bleken moeilijker te zijn dan hij had gedacht, en het schip kon hier niet verder.

Livingstone besloot daarop zijn aandacht te verleggen naar de Shire, een zijrivier van de Zambezi. Doch ook hier werd hij door stroomversnellingen tegengehouden, en hij besloot het gebied te voet te verkennen. Hij ontdekte het Chiwameer en hoorde van het Nyasameer (het huidige Malawimeer). Bij een volgende tocht trok hij de Shire op tot aan de stroomversnellingen, en vervolgens over land naar het Malawimeer, dat hij op 16 september 1859 bereikte.

Hier bevond hij zich ook bij een van de grootste slavenroutes van het binnenland naar de kust. Hij stuurde plannen naar Engeland om een boot te laten maken die uit elkaar genomen en voorbij de stroomversnellingen gedragen kon worden. Een enkele gewapende boot op het Nyasameer kon de slavenhandel een grote slag toebrengen, zo geloofde hij.

Nu werden eindelijk de Makololo's, die al veel langer bij Livingstone waren dan eigenlijk de bedoeling was geweest, terug naar Linyanti gebracht. Kort na Livingstones terugkeer in Tete arriveerde ook de gewenste uitneembare boot, evenals een aantal missionarissen voor de streek rond de Shire en het Shirwameer, geleid door de pas benoemde bisschop voor Centraal-Afrika, Charles Mackenzie.

Een boot op het Nyasameer krijgen was echter nog niet zo gemakkelijk. De route over de Zambezi en de Shire ging door Portugees gebied, de Portugezen waren nauw betrokken bij de slavenhandel en dus niet van zins zich met de bestrijding daarvan bezig te houden. Livingstone voer de Ruvuma op, in de hoop dat deze een route naar het Nyasameer zou opleveren, maar deze bleek al snel te ondiep te worden, zodat er niets anders opzat dan toch via de Shire te reizen. Er werd een zendingspost opgericht en Livingstone bracht het Nyasameer in kaart. Pogingen om een schip op het meer te krijgen mislukten echter. In 1863 werd de expeditie door de regering teruggeroepen.

Bronnen van de Nijl[bewerken]

Een van de belangrijkste vragen van de geografie van Afrika in deze tijd was dat van de bron van de Nijl. Burton en Speke hadden respectievelijk het Tanganyikameer en het Victoriameer ontdekt, maar de kaart van het gebied was nog erg onduidelijk. Livingstone werd gevraagd om dit raadsel op te lossen. Livingstone geloofde dat de rivier wellicht door de door Burton en Speke gevonden meren stroomde, maar dat de eigenlijke bron zuidelijker lag.

Op 19 maart 1866 vertrok Livingstone vanuit Zanzibar naar de Ruvuma. Hij trok eerst langs de Ruvuma, daarna over land naar de Shire, en vervolgens noordwestwaarts naar het Tanganyikameer. Livingstone en zijn expeditie leden honger; de gebieden die zij doortrokken waren ooit landbouwgebieden geweest, maar de slavenhalers hadden ze voor een groot deel ontvolkt.

Bij aankomst aan het Tanganyikameer waren het nota bene Livingstones grootste vijanden, Arabische slavenhandelaren, die hem verzorgden, en hem meenamen westwaarts, waar hij het Mwerumeer op de kaart zette. De slavenhandelaren keerden terug naar Ujiji aan het Tanganyikameer, doch Livingstone trok door naar het zuidoosten, waar volgens hen nog een meer te vinden was. Slechts vier mannen trokken met hem mee. Hij bereikte dit meer, het Bangweulumeer, maar had geen ruilmiddelen en was ernstig verzwakt. Hij kon niet verder reizen, en moest zich opnieuw onder de zorg van slavenhandelaren stellen. In 1869 bereikte hij Ujiji.

Met slechts drie helpers, Susi, Chuma en Gardner, trok hij in 1870 noordwestwaarts, en bereikte op 29 maart 1871 de Lualaba. Livingstone dacht dat dit dan toch eindelijk de Nijl was; in werkelijkheid was het de Kongo. Livingstone keerde terug naar Ujiji, in de hoop daar proviand te krijgen, maar deze was tussen Zanzibar en Ujiji door een karavaanleider gestolen.

Dr. Livingstone, I presume?

In Europa en de Verenigde Staten was men zich echter over de ontdekkingsreiziger zorgen gaan maken. Een van de personen die erop uitgestuurd werd om hem te zoeken was een journalist van the New York Herald, Henry Morton Stanley. Op 10 november 1871 ontmoetten de twee elkaar in Ujiji. Stanley sprak bij de ontmoeting de later legendarische woorden "Dr. Livingstone, I presume?" ("Dr. Livingstone, naar ik mag aannemen?")

Stanley probeerde Livingstone over te halen naar de kust terug te keren om proviand en een nieuw gebit te halen, maar Livingstone weigerde. Nadat hij nieuwe proviand had gekregen, trok hij opnieuw naar het Bangweolomeer, waar hij de bronnen van de Nijl vermoedde - al kwam ook bij hem het bange vermoeden op dat hij al die tijd achter de Kongo in plaats van de Nijl had aangejaagd (wat later inderdaad het geval bleek). Door moerassen en ander onherbergzaam terrein ploeterde hij voort. Op 1 mei 1873 stierf Livingstone in hartje Afrika.

Zijn overgebleven helpers, Susi en Chuma, begroeven zijn hart en ingewanden bij een boom. Ze balsemden de rest van zijn lichaam en reisden naar Zanzibar om het lichaam van Livingstone, zijn dagboeken en zijn aantekeningen te bewaren. Livingstone werd in Westminster Abbey begraven, maar zijn hart bleef in Afrika.

All I can add in my solitude, is, may Heaven's rich Blessing come down on every one, American, English, or Turk who will help to heal this open sore of the world
Livingstones laatste (geschreven) woorden ('this open sore' is de Arabische slavenhandel)

Hoewel hij nooit naar de benedenloop van de Kongostroom had gereisd, noemde journalist en ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley de Livingstonewatervallen in dat deel van de rivier naar hem. Verder werd Livingstone, de hoofdstad van de provincie Southern in Zambia, naar hem vernoemd.

Trivia[bewerken]

  • Hoewel Livingstone bekend staat als Afrika's grootste zendeling heeft hij slechts één Afrikaan tot het christendom bekeerd: koning Sechele, die op zijn beurt weer duizenden Afrikanen bekeerde tot zijn eigen versie van het christendom, inclusief polygamie.[2]
  • Een Boeing 737-406 van de Nederlandse luchtvaartmaatschappij KLM werd naar David Livingstone vernoemd (registratie PH-BTC). Het toestel is overigens niet meer in dienst bij de luchtvaartmaatschappij, na een crash-landing op de luchthaven van Barcelona waarbij het toestel total-loss verklaard werd.
Bronnen, noten en/of referenties