Slag bij Ashkelon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Slag bij Ascalon)
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag van Ashkelon
Onderdeel van Eerste Kruistocht
Fictionele slag bij Ashkelon ;gravure C.W.Sharp (1881)
Fictionele slag bij Ashkelon ;gravure C.W.Sharp (1881)
Datum 12 augustus 1099
Locatie Ashkelon, Israël
Resultaat Kruisvaarders overwinning
Strijdende partijen
Kruisvaarders Fatimiden
Commandanten
Godfried van Bouillon
Robrecht II van Vlaanderen
al-Afdal Shahanshah
Troepensterkte
mogelijk 10.000 mogelijk 50.000
Verliezen
onbekend mogelijk 10-12.000
Eerste Kruistocht

Nicea · Dorylaeum · Antiochië · Jeruzalem · Ashkelon

Kruisvaart Veldslagen in de Levant (1096-1303)

Eerste Kruistocht
Xerigordon · Civetot · Nicea · 1ste Dorylaeum · 1ste Antiochië · Ma'arrat · 1ste Jeruzalem · 1ste Ashkelon


Inter-Kruisvaart periode
Melitene · Kruisvaart van 1101 · Harran · Artah · Ramla · 1ste Tripoli · Sidon · 1ste Shaizar · Al-Sannabra · Sarmin · Ager Sanguinis · Hab · Slag bij Yibna · Azaz · Marj es-Suffar · Ba'rin · 2de Shaizar · Edessa · Bosra


Tweede Kruistocht
2de Dorylaeum · Ephesus · Meander · Mont Cadmus · Damascus


Inter-Kruisvaart periode
Inab · Aintab · 2de Ashkalon · Kruisvaardersinvasie van Egypte · Meer van Huleh · al-Buqaia · 1ste Bilbeis · Harim · al-Babein · 2de Bilbeis · 1ste Damietta · Montgisard · Marj Ayyun · Jakobs Voorde · kasteel Belfort · Al Fule · Kerak · Cresson · Hattin · 2de Jeruzalem · Tyrus


Derde Kruistocht
Iconium · 1ste Akko · Arsuf · Jaffa


Vijfde Kruistocht
3de Jeruzalem · 2de Damietta


Nasleep van de Zesde Kruistocht
4de Jeruzalem · La Forbie


Zevende Kruistocht
3de Damietta · Al Mansurah · Fariskur


Late Kruisvaart Periode
Caesarea · Haifa · 2de Arsuf · 2de Antiochie · Krak des Chevaliers · 2de Tripoli · 3de Tripoli · 2de Akko · Ruad ·

De Slag van Ashkelon vond plaats op 12 augustus 1099 en wordt vaak aangeduid als het laatste gevechtsoffensief van de Eerste Kruistocht.

Achtergrond[bewerken]

De kruisvaarders hadden onderhandeld met de Fatimiden uit Egypte, gedurende hun tocht richting Jeruzalem, maar er kon geen overeenkomst gesloten worden. De Fatimiden wilden wel het gebied rond Syrië uit handen geven, maar het Palestijns gebied was uitgesloten. Voor de kruisvaarders was dit niet acceptabel, voor hen was het grootste doel het bereiken van de Heilig Grafkerk in Jeruzalem. Jeruzalem werd dan ook ingenomen op 15 juli 1099, na een lang beleg. Onmiddellijk na het veroveren van de stad vernamen de kruisvaarders dat er een Fatimidisch leger onderweg was om hen te belegeren.

De kruisvaarders handelden vlug: Godfried van Bouillon werd benoemd tot beschermheer van het Heilige Graf op 22 juli en Arnulf van Choques werd tot Patriarch van Jeruzalem benoemd op 1 augustus. Op 5 augustus werden er Relikwieën van het Heilige Kruis ontdekt, kort daarna arriveerden er twee Fatimidische ambassadeurs, die de kruisvaarders bevalen de stad te verlaten, maar deze werden genegeerd. Op 10 augustus leidde Godfried zijn overgebleven leger uit Jeruzalem naar Ashkelon, wat een dag marcheren was. Ondertussen leidde Peter de Kluizenaar de katholieken en Grieks-orthodoxe kerkdiensten in processie van de Heilig Grafkerk naar de tempel. Robrecht II van Vlaanderen en Arnulf vergezelden Godfried naar Ashkelon, terwijl Raymond IV van Toulouse en Robert van Normandië achterbleven in de stad. Wat daar de reden van was, zou mogelijk kunnen zijn uit meningsverschillen of omdat ze het aankomend nieuws van de Fatimiden liever van hun eigen verkenners vernamen. Toen ze het nieuws vernamen marcheerden ze de volgende dag Godfried achterna. Dichtbij Ramala sloot het leger van Tancred en Eustatius van Boulogne zich bij Godfried aan, die een maand daarvoor er op uit waren gestuurd om Nablus te veroveren. Op kop van het kruisvaardersleger, droeg Arnulf de Relikwie van het Heilige Kruis en Raymond van Aguliers, de Relikwie van de Heilige lans die gevonden was tijdens het Beleg van Antiochië.

De slag[bewerken]

De Fatimiden werden geleid door de vizier al-Afdal Shahanshah, die mogelijk een leger van 50.000 manschappen aanvoerde (andere bronnen uit de Gesta Francorum reduceren dit tot 15-20.000 of anderzijds 200.000 manschappen). Zijn leger bestond uit diverse huurlingen, zoals Seltsjoeken, Turken, Perziërs, Armeniërs, Koerden en Ethiopiërs. al-Afdal was van plan om de kruisvaarders in Jeruzalem te belegeren, al had hij geen grootschalig belegeringsmaterieel bij zich. Wel had hij een vloot tot zijn beschikking die voor de havenpoort van Ashkelon lag. Het precieze aantal kruisvaarders dat op de been was is onduidelijk gebleven. Maar door Raymond van Aguilers werd 1.200 ruiters en circa 9.000 infanterie genoemd dat deelnam aan de slag. De hoogste schatting werd op 20.000 manschappen gehouden, maar dit werd onmogelijk geacht. al-Afdal sloeg zijn kamp op in de vallei al-Majdal, dicht bij Ashkelon en bereidde zich voor op zijn doortocht naar Jeruzalem, en was er onbewust van dat de kruisvaarders al onderweg waren zijn kant uit. Op 11 augustus stuiten de kruisvaarders op ossen, schapen, kamelen en geiten, samengebracht om het Fatimidenkamp te voeden en al grazend buiten de stad. Volgens gevangenen die bij Ramla tijdens een schermutseling gevangen werden genomen, stond het vee daar om de kruisvaarders te ontmoedigen om meer land van de Fatamiden af te nemen, en om het zo makkelijker te maken voor de Fatimiden om aan te vallen. Maar al-Afdal wist nog steeds niet dat de kruisvaarders dicht in zijn buurt waren en was hen vermoedelijk ook niet aan het verwachten. Vervolgens zou het vee met het kruisvaardersleger meegelopen zijn, en leek het leger veel groter.

Op de ochtend van 12 augustus, kwamen kruisvaartverkenners hun leidinggevende melden dat ze het kamp van de Fatimiden hadden gevonden, vervolgens marcheerde het leger richting de nederzetting. Tijdens hun mars werden er negen divisies geformeerd. Godfried leidde de linkervleugel, en Raymond de rechter. In het midden werden de divisies aangevoerd door Eustatius, Robert van Normandië, Tancred en Gaston IV van Bearn. Er werd verder nog een divisie in tweeën gesplitst, waarbij bij elke groepering een kleine infanterie vooropliep.

Volgens de meeste verslagen (zowel christen als moslim), werden de Fatimiden compleet verrast door de aankomst van de kruisvaarders, en waren ze vooral onvoorbereid en was de veldslag kort en bondig. Alleen Albert van Aix beschreef dat de veldslag langer duurde dankzij een wel voorbereid Egyptisch leger. De twee hoofddivisies (vermoedelijk de rechter- en linkerflank) bestookten elkaar met pijl en boog totdat ze dicht bij elkaar waren om elkander met lansen te bevechten. De Ethiopiërs vielen vanuit het centrum aan, gesteund op de flank door de Fatimiden, deze wisten een gedeelte van de kruisvaarders de pas af te snijden, totdat Godfried van Bouillon zijn mensen bijstond. Ondanks de grote meerderheid en superioriteit van de Fatimiden, waren ze niet zo sterk te noemen als voorheen de Seltsjoeken. De veldslag leek al over voordat de Fatimiden de zware cavalerie in kon zetten, die nog niet zo ver waren. Waarna al-Afdal en zijn in paniek geraakte troepen, de aftocht bliezen en zich terugtrokken naar hun veilige Egypte. Raymond achtervolgde een aantal de zee in, anderen namen hun toevlucht in bomen, waarna ze met pijl en boog neer werden geschoten. al-Afdal liet zijn kamp met alle rijkdommen achter, de verliezen aan kruisvaarderszijde zijn onbekend gebleven. De verliezen aan Egyptische zijde werden geschat op 10-12.000 manschappen.

Nasleep[bewerken]

De kruisvaarders brachten de nacht door in het verlaten kamp, een volgende aanval voorbereidend. Maar de volgende morgen merkten ze dat het Fatimidische leger zich definitief naar Egypte had teruggetrokken. Al-Afdal had zich teruggetrokken met een schip. De kruisvaarders zagen hun kans schoon om te plunderen, waaronder al-Afdals krijgsstandaard en zijn enorme tent. De rest van het tentenkamp werd verbrand. Hierna trokken de overwinnaars terug naar Jeruzalem, waar zowel Godfried als Raymond de stad Ashkelon opeisten.

Na deze veldslag besloten bijna alle kruisvaarders terug te keren naar hun plaats van herkomst binnen Europa. Hun belofte als pelgrim hadden ze vervuld. Aan het eind van het jaar waren er nog maar enkele honderden kruisvaarders in het Heilig Land. Deze werden in de loop der tijd aangevuld door nieuwe kruisvaarders die ook een pelgrimsgelofte hadden afgelegd.

Referenties[bewerken]

Primaire bronnen[bewerken]

Secundaire bronnen[bewerken]

  • Hans Mayer, The Crusades. Oxford, 1965.
  • Jonathan Riley-Smith, The First Crusade and the Idea of Crusading. Philadelphia, 1999.
  • Steven Runciman, The First Crusaders, 1095–1131. Cambridge University Press, 1951.
  • Kenneth Setton, ed., A History of the Crusades. Madison, 1969–1989.