Steenfabriek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Steenfabriek in het Tsjechische dorp Kryry: Stenen worden geperst en gesneden, waarna ze naar de oven worden getransporteerd om te worden gebakken.

Een steenfabriek of steenbakkerij, vroeger ook steenplaats, steenoven of tichelwerk genoemd, is een fabriek waar grofkeramiek wordt geproduceerd, in het bijzonder bakstenen en vaak ook aanverwante producten, zoals dakpannen en stenen buizen.

Belangrijk voor steenfabrieken was de beschikbaarheid van klei en brandstof, zodat veel steenfabrieken zich vestigden in kleigebieden of aan de rand daarvan. Zo werden de steenfabrieken in het Nederlandse Winschoten (de plaats telde 5 steen- en pannenfabrieken in 1819) op de grens van het klei- met het veengebied gebouwd. Langs de grote rivieren is rivierklei aanwezig, en de gebakken stenen werden vroeger per schip naar de afnemers vervoerd, daarom zijn juist daar veel steenfabrieken te vinden.

De grootste baksteenfabrikant ter wereld is het Oostenrijkse Wienerberger dat ook in Nederland veel fabrieken bezit.

Geschiedenis[bewerken]

Organisatie in Nederland
In 1884 werd de 'Vereniging van Nederlandse Baksteenfabrikanten' opgericht. Later volgden ook organisaties op religieuze grondslag, zoals katholieke. In de eerste decennia was het animo voor organisatie nog niet erg groot, maar dit veranderde na de economische malaise in de jaren 1920. In 1942 werden alle neutrale en religieuze brancheverenigingen door de Duitse bezetter samengevoegd, waarbij de Vakgroep Baksteenindustrie werd gevormd. Na de oorlog richtten katholieken echter hun eigen branchevereniging weer op, die uiteindelijk in 1950 toch fuseerde met de vakgroep tot de (federatieve) Vereniging De Nederlandse Baksteenindustrie (DNB), die sinds 1984 Koninklijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten (KNB) wordt genoemd. Het katholieke zuiden had nog wel tot 1990 een eigen vereniging van werkgevers, maar reeds vanaf 1966 zonder katholieke signatuur.

De vroegste steenbakkerijen zijn aangetroffen in het Oude Egypte, Mesopotamië, en in de Indusvallei, waar reeds rond 3000 v. Chr. stenen gebruiks- en kunstvoorwerpen werden gebakken uit klei. Al snel moet men tot de conclusie zijn gekomen dat steen ook een goede bouwstof vormde voor gebouwen. In de Romeinse tijd werd overgeschakeld op steeds verfijndere methoden en groeide het bakken van stenen uit tot een industrie. Na het uiteenvallen van dit wereldrijk, verloor men ook de kennis van het stenenbakken, die pas weer werd opgepakt in de 12e eeuw. Tijdens de middeleeuwen maakten de steenbakkerijen een groei door nadat steeds meer steden een verbod uitvaardigden op brandgevaarlijke houten huizen, die niet zelden veroorzakers waren van stadsbranden. Hierbij vormde baksteen in Nederland een logisch alternatief omdat klei voldoende voorhanden was langs de grote rivieren en andere waterwegen en hout en natuursteen nauwelijks aanwezig waren. Hieruit ontwikkelde zich de bekende Nederlandse baksteenarchitectuur. Met de groei van de bevolking en de industriële revolutie nam de vraag naar stenen halverwege de 19e eeuw een grote vlucht; tussen 1850 en 1880 groeide het aantal steenfabrieken van 469 naar 881. Vaak waren dit slechts kleine bedrijven. Na 1880 volgde in Nederland echter afname van de vraag als gevolg van economische neergang en nam bovendien de buitenlandse concurrentie toe, waarop de fabrieken zich begonnen te organiseren.

De bedrijvigheid was seizoensgebonden (wanneer het weer het toeliet) en eenvoudig van opzet met veel handwerk. De arbeidsomstandigheden waren vaak erbarmelijk. Het werk was zwaar en arbeiders maakten vaak lange dagen. Berucht was de steenbakkerij van Franeker, waar gewerkt werd van 2 uur 's morgens tot 10 uur 's avonds. Ook vrouw- en kinderarbeid was heel gewoon. Daarbij deden veel eigenaren -vaak waren het familiebedrijven van de landadel- het er een beetje bij, zodat werknemers ook zo weer op straat konden komen wanneer de vraag afnam. Veel werknemers waren dan ook seizoensarbeiders, waarvan de Duitse Lipskers (uit Lippe), die elk jaar naar Friesland kwamen enige bekendheid genoten.

De eerste helft van de 20e eeuw werd gekenmerkt door oprukkende mechanisatie en na de Tweede Wereldoorlog werden ook de arbeidsomstandigheden aangepakt. De tweede helft van deze eeuw werd gekenmerkt door toenemende automatisering, waarbij begrippen als schaalvergroting en efficiency steeds belangrijker werden. Tegelijkertijd nam het aantal vestigingen en werknemers af. In 1950 telde Nederland bijvoorbeeld 227 steenfabrieken waar 13.000 mensen werkten, hetgeen in 1995 was teruggelopen tot 52 fabrieken met nog 1500 werknemers, waarbij de productie gelijk was gebleven. Vanaf de jaren 1980 werden steeds meer steenfabrieken overgenomen door het Oostenrijkse Wienerberger en het Ierse CRH plc. Er waren een aantal grote bedrijven die in particulier eigendom waren in de jaren tot 1982 w.o De gebr Laumans, T&A, V.S.G. en de NeHoBo bedrijven waar de aandelen waren ondergebracht bij een aantal fabrikanten w.o. De V.S.G.(45%), Gebr Laumans(44%), Deester pannenfabriek(5%), Thissen(5%). Door de slechte omstandigheden in de markt is uiteindelijk de NeHoBo gesloten.

Groningen[bewerken]

In de provincie Groningen worden sinds de 12e eeuw stenen gebakken, in het begin met name door monniken gebakken kloostermoppen voor kerken (zoals die op de wierden van Marsum, Oosterwijtwerd en Eenum), kloosters en later ook steenhuizen. Hieruit ontstonden in de 16e eeuw tichelwerken, waarbij soms tichelborgen ontstonden van de eigenaren. In de 19e eeuw groeide het aantal steenfabrieken sterk als gevolg van steeds meer huizenbouw en de ontwikkeling van de Groninger Veenkoloniën. Rond 1900 telde Groningen ongeveer 80 steenfabrieken. Factoren als beperkingen in de afgraving van klei, verandering van de vraag en inertie bij de toepassing van technische vernieuwingen en schaalvergroting leidden ertoe dat hun aantal in de 20e eeuw snel afnam. In 1979 is door de Verenigde Steenfabrieken Groningen de modernste steenfabriek van Nederland nog in gebruik genomen t.b.v de productie van NeHoBo. De V.S.G. Had nog 2 fabrieken over te Winneweer en Boerdam bij Middelstum. In de hoogtijdagen van de V.S.G. stonden er 5 fabrieken te produceren. In 1982 moest de V.S.G. de poorten sluiten vanwege de slechte marktomstandigheden in die jaren. In 2002 sloot de verouderde steenfabriek Fivelmonde uit Delfzijl en werd Strating in Oude Pekela de laatste steenfabriek van Groningen. Sinds de sluiting van steenfabriek Smeijers-Voortman uit het Overijsselse Rijssen in 2005, is het tevens de enige steenfabriek ten noorden van de grote rivieren.

Lijst van steenfabrieken en steenbakkerijen[bewerken]

Lijst van steenfabrieken in Nederland[bewerken]

Steenfabriek bij Tolkamer

In Nederland staan anno 2010 nog 39 steenfabrieken die ondergebracht zijn in 12 bedrijven, waarvan het Oostenrijkse Wienerberger verreweg het grootste is. Van de fabrieken staan de meeste aan of nabij de rivieren Maas (ruim 25%) en Waal (ruim 20%). Tegenwoordig staan er echter ook steeds meer fabrieken op bedrijventerreinen die niet aan het water liggen.

Voormalige steenfabrieken in Nederland[bewerken]

Vaak bleven de gesloten steenfabrieken lange tijd leegstaan en werden uiteindelijk (deels) gesloopt, waarbij vaak als eerste de schoorsteen tegen de vlakte ging. Tegenwoordig worden steeds meer restanten van voormalige steenfabrieken vanwege hun historische betekenis aangewezen als monument. Voorbeelden hiervan zijn:

Lijst van steenbakkerijen in België[bewerken]

Voormalige steenbakkerijen in België[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Afbeeldingen[bewerken]

Externe links[bewerken]

Brancheorganisaties
Geschiedenis