Turnen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Turnen op het paard

Toestelturnen of kortweg turnen is een individuele sport die wordt uitgevoerd met behulp van toestellen. Het is een onderdeel van de Olympische Spelen, en is ontstaan in de zogenaamde Duitse school uit de 19e eeuw. Het (toestel)turnen is een onderdeel van de gymnastieksport.

Geschiedenis van het turnen

Turnen was al bekend in de tijd van de Romeinen, die het arte Gymnastica noemden. De basisvormen van de huidige turntoestellen en turnbewegingen werden echter ontwikkeld door Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852), de grondlegger van de 'Duitse School'. In 1811 opende Jahn op de Hasenheide bij Berlijn de eerste Turnplatz. Samen met zijn leerling Ernst Eiselen ontwierp hij turntoestellen, onder andere de brug en de rekstok.

In Nederland ontstond de eerste gymnastiekvereniging in 1830. Op 15 maart 1886 werd het Nederlandse Gymnastiek Verbond opgericht. Vijftig jaar later mocht dit verbond zich Koninklijk noemen en sindsdien heeft het zich ontwikkeld tot een sportbond van meer dan een kwart miljoen leden. Later volgde een fusie met de NKGB, en gingen de beide organisaties verder als de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Bond (KNGB). Sinds het seizoen 1999/2000 zijn de KNGB en de christelijke bond Koninklijk Nederlands Christelijk Gymnastiek Verbond (KNCGV) gefuseerd tot de huidige Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU). Bij de christelijke bond turnde men op 5 toestellen, terwijl bij de KNGB op 6 toestellen werd geturnd. Door de fusie werden enkele regels voor het wedstrijdturnen gewijzigd voor een tijdelijke periode van drie jaar, behalve in de A-lijn (het hoogste niveau). Een van deze tijdelijke veranderingen was dat het toestel waarop het slechtst gepresteerd was niet meetelde in de puntentelling.

Het verschil tussen gymnastiek en turnen

Hoewel gymnastiek en turnen soms als synoniemen worden gebruikt, is het toch niet hetzelfde.

Gymnastiek in het onderwijs

In de volksmond wordt Lichamelijke Opvoeding vaak gymnastiek genoemd. Echter is Lichamelijke Opvoeding de naam van het bewegingsonderwijs. Gymnastiek is slechts één van de sporten die in het programma voorkomt, samen met onder andere spel- en vechtsporten.

Gymnastiek bij de bonden

Door de Nederlandse KNGU en de Vlaamse GymFed worden behalve toestelturnen ook andere gymnastiekdisciplines aangeboden. De disciplines van de bonden zijn:

Al deze disciplines samen vormen de gymnastieksport.

De training

Turnen is een sport waarbij kracht, flexibiliteit, snelheid, coördinatie, balans en elegantie naar voren komen. Al deze eigenschappen zijn van groot belang in de sport.

Sommige toestellen en elementen vragen veel van bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld balk bij de dames, waar elegantie en balans sterk in naar voren komen. Maar sowieso zijn op alle toestellen alle eigenschappen benodigd en kunnen deze elkaar ook sterk aanvullen.

Flexibiliteit, ook wel lenigheid, kan de kans op blessures verminderen. Kracht maakt veel elementen makkelijker. Ook oefeningen zijn dan minder moeilijk, turnen is een erg intensieve sport: een krachtsexplosie en daarna weer uitrusten. Na een korte oefening is een deelnemer meestal al erg moe.

Trainingsfrequentie

Wedstrijdturners trainen minimaal 2 tot 3 uur per week om de elementaire beginselen van het turnen te leren. Om aan de landelijke competitie mee te doen, is meer training nodig en zal een turner al op jonge leeftijd, vaak voor het negende jaar, moeten beginnen met de training. Drie tot vijf keer per week trainen, en dan 3 à 4 uur per keer, is geen uitzondering bij deze sport.

Bij topsport (hoogste niveau) wordt vaak 20 tot 30 uur per week getraind, wat soms moeilijk te combineren is met school en werk.

Materiaal

Turnen is als toestelsport uitermate geschikt voor hulpmiddelen. Trainers en toestelproducenten verzinnen gezamenlijk van alles om de opbouw van de elementen nog gemakkelijker te laten verlopen. Hieronder wordt ingegaan op de hulpmiddelen en de mogelijkheden van een accommodatie.


Hulpmiddelen

Om het turnen gemakkelijker te maken kunnen allerlei hulpmiddelen gebruikt worden. Voor alle toestellen zijn er in de loop der jaren trainingshulpmiddelen uitgevonden. Hieronder staan enkele voorbeelden:


Straps / Klosjes voor rekstok en ongelijke brug

Straps en klosjes zijn hulpmiddelen om een turner of turnster 'vast te maken' aan een rekstok. Zwaai elementen kunnen hier geoefend worden zonder het risico van 'losschieten'.


Handstandhulpmiddelen

De handstand is een van de kernelementen van het turnen. Een goede handstand is binnen het turnen dus zeer belangrijk. Zodoende dat er speciaal voor de handstand vele hulpmiddelen ontwikkeld zijn. Het bekendst zijn de klossen, ook wel grondbrug genoemd. Een klos is één houten legger (stok) tussen twee blokken vlak boven de grond. Het controleren van een handstand is door de handplaatsing op klossen makkelijker dan op de vloer. Ook werkt de handstand hierop toe naar de handstand op ongelijke brug (dames), gelijke brug, voltige en rek (heren). Om de handstand uiteindelijk nog stabieler te maken zijn hulpmiddelen als handstandbollen, -schalen en -schommels uitgevonden. Ook elastieken worden veel gebruikt. Turn(st)ers veren tussen de handstand en de elastieken heen en weer. Onder andere het uit een beweging of zwaai komen tot een stille handstand wordt hiermee getraind.


Balk

Voor de dames is de balk een lastig toestel om nieuwe elementen op te leren. Vanwege de geringe breedte van 10cm en de wedstrijdhoogte van 125cm is het lastig en soms ook gevaarlijk om zomaar aan nieuwe elementen te beginnen. Vrij 'logisch' was de oplossing voor een grondbalk dus. Dit is een wedstrijdbalk, alleen op slechts enkele cm boven de mat. Ook lijnen, zowel op de vloer als op matten, worden veel gebruikt voor de trainingen. Behalve de hoogte zijn er ook hulpmiddelen om de breedte aan te passen. De zogenaamde 'balkverbreders' zijn een goed middel om de veiligheid zeker te stellen.

Paddenstoel voor Voltige

Voltige

Voltige staat bij de heren bekend als het moeilijkste toestel. Zodoende dat er voor de heren in de loop van de jaren veel uitvindingen zijn gedaan om met name de scholing van de kringflanken te vergemakkelijken. De 'paddenstoel' is een nieuw toestel in de vorm van een paddenstoel waarop het makkelijker is een kringflank te leren, omdat turners hun benen aan de zijkant vele malen minder hoog hoeven op te zwaaien. Ook de ronde vorm, bolling en breedte zijn voor de handenplaatsing gemakkelijker dan het voltigepaard zelf. Als overgang tussen de paddenstoel en het voltigepaard is de voltigebank ontwikkeld. Dit is een toestel dat breder is dan het voltigepaard (45cm in plaats van 35cm), schuin gezet kan worden en toch net als het paard langwerpig is, waardoor de benen hoger opgezwaaid moeten worden, maar ook magyars (wandelen van de ene naar de andere kant) mogelijk zijn. Zowel de paddenstoel als de voltigebank kunnen ook nog voorzien worden van beugels, waardoor de situatie steeds verder toewerkt naar het uiteindelijke voltigepaard. Behalve deze zelfstandige toestellen bestaat ook de emmer als hulpmiddelen. Dit is letterlijk een emmer, vastgemaakt aan een touw of de ringen, waar de turner zijn voeten in kan leggen. Hij kan dan trainen aan de beweging van de kringflank maar hoeft nog niet zelf zijn voeten omhoog en in de zwaai te houden.

Saltogordels

Gordels worden gebruikt om turn(st)ers in veilige situaties vast te maken. Vaak zijn ze bevestigd aan touwen en elastieken, waardoor trainers de mogelijkheid hebben om de hoogte mede te regelen. Saltogordels bevatten een metalen ring waardoor breedteasdraaien mogelijk zijn. Schroefsaltogordels hebben daarbij ook nog de mogelijkheid voor lengteasdraaien.


Fifty-Fifty

Fifty-Fifty is een apparaat om krachttraining en bepaalde oefeningen makkelijker te maken. Hierdoor wordt het lichaamsgewicht en daarmee de benodigde kracht met de helft verminderd. Dit hulpmiddel wordt met name gebruikt door heren bij de training van krachtelementen aan de ringen.

Al deze hulpmiddelen zijn bedoeld om het aanleren van elementen te vergemakkelijken. Vele zijn al opgenomen in de standaard methodische leerlijnen, sommige zijn zelfs opgenomen in het wedstrijdturnen. Een voorbeeld daarvan is de paddenstoel.


Accommodaties

De meeste verenigingen bieden hun lessen aan in gymzalen en sporthallen. Accommodaties ingericht om een verscheidenheid aan sporten te kunnen huisvesten, meestal gebouwd voor het bewegingsonderwijs van scholen. Hierdoor moeten de zalen leeg achtergelaten worden en toestellen dus voor elke training opgebouwd en daarna weer afgebroken worden. Een tijdrovend en inspannend karwei. Hierdoor is voor de turnsport een speciale accommodatie, de turnhal, een uitkomst. Voor de meeste verenigingen is dit geen optie door de hoge kosten. De hal wordt immers enkel gebruikt door de gymnastiekvereniging en verder niet. Is het gebruik echter voldoende dan is een turnhal een geweldige uitkomst voor clubs.

Behalve dat toestellen mogen blijven staan schept een turnhal ook andere mogelijkheden. Een valkuil is het bekendste voorbeeld. Deze kuil is gevuld met schuimrubber blokken die de val vaak breken als het mis gaat. Ook kunnen toestellen ideale plekken en hoogte neergezet worden. Denk aan een trampoline met het springdoek op de hoogte van de omliggende matten.

De toestellen

Er zijn 6 verschillende onderdelen voor het herenturnen en 4 verschillende voor het damesturnen.

Voor de Heren (in olympische volgorde):

Voor de Dames (in olympische volgorde):

Sprong en vrije oefening vloer bestaan dus zowel voor dames als voor heren. Vroeger werden deze twee onderdelen verschillend gebruikt; tegenwoordig geldt dat alleen nog voor de vloer. Bij sprong moesten de heren lengte paard springen en de dames breedte paard. Omdat door de toenemende moeilijkheidsgraad van de sprongen het klassieke paard onveilig was geworden, is het paard sinds 2002 vervangen door de 'Pegasus'.

Bij de vrije oefeningvloer doen de dames hun oefening op (instrumentale) muziek en de heren zonder. De oefening mag niet langer dan 1 min 30 duren en de tijd wordt pas opgenomen vanaf de eerste beweging . Als men de 1 min 20 bereikt heeft, hoort men een piep (dames - alleen bij de balkoefening) die aangeeft dat de oefening afgerond moet worden. Duurt dit te lang, dan zullen er punten voor afgetrokken worden van de score van de turner of turnster. Dit geldt hetzelfde voor de evenwichtsbalk. De evenwichtsbalk is 10 cm breed.

De oefeningen

Bij de meisjes tot en met de leeftijd van pupil 2 zijn de te turnen oefeningen voorgeschreven. Wanneer de turnster 'jeugd' wordt, zijn de oefeningen gebaseerd op keuze. De turnster kan dan, in overleg met de trainer, zelf een oefening samenstellen met verschillende elementen, volgens de in het reglement gestelde eisen. In de hogere niveaus wordt hiervoor het reglement van de internationale turnfederatie (FIG) aangehouden. Afhankelijk van het aantal geturnde onderdelen per moeilijkheidsgraad (A t/m super E) kan een bepaalde uitgangswaarde voor een oefening worden verdiend. Uitzondering hierbij is sprong, waarbij de waarde wordt bepaald door de 'sprongtabel'. Daarnaast wordt een turnoefening beoordeeld op uitvoering (netheid, techniek, etc.). De totaalscore wordt bepaald door de combinatie van het uitgangscijfer met het cijfer voor uitvoering.

Enkele voorbeelden van turnoefeningen:

De kleding

Ook de kleding en andere materialen van de deelnemer zijn op een wedstrijd van belang. Voor verkeerde kleding kunnen door de juryleden punten worden afgetrokken. De kledingvoorschriften zijn daarom opgenomen in de jureringregels (Code of Points) van de FIG (Fédération Internationale de Gymnastique - Internationale Gymnastiekfederatie).

Heren

  • Paard (voltige), ringen, rekstok, brug: singlet (mouwloos T-shirt), lange gymnastiekbroek, sokken. Donkere kleuren voor de kleding zijn niet toegestaan. Turnschoentjes zijn toegestaan, maar niet verplicht. De schoentjes moeten sterk, maar tevens flexibel zijn. Ze moeten bij het turnen goed meebewegen en tevens de turner tegen wegglijden behoeden.
  • Sprong en vloer: ofwel zelfde kleding als boven, ofwel een korte broek met of zonder sokken en/of schoentjes. Deze beide oefeningen mogen naar keuze van de gymnast dus blootsvoets worden uitgevoerd.
  • De heren gebruiken ook nog zogeheten "leertjes" voor de rekstok en de ringen voor de rekstok gebruiken ze leertjes waar 3 vingers in passen, voor de ringen gebruiken ze leertjes waar maar 2 vingers inpassen, dit is omdat er op de rekstok veel grotere krachten op de handen plaatsvinden dan bij de ringen. Dames gebruiken vaak ook leertjes, dit verschilt alleen per turnster. De een vindt het prettig en de ander niet. Dit heeft onder andere te maken met de dikte van de stok. Leertjes zijn een soort handschoentjes die de handen beschermen tegen blaren. Verder zorgen ze ook voor meer grip, maar het belangrijkste is dat ze de krachten van de handen overbrengen naar de polsen. Bij het turnen wordt verder dikwijls magnesiumcarbonaat gebruikt. Ook dit dient om betere grip op de toestellen te krijgen, magnesiumcarbonaat zorgt er namelijk voor dat je geen zweethanden krijgt.

Dames

Dames dragen tijdens wedstrijden verplicht een turnpakje. Het mag geen smalle schouderbandjes hebben; de keuze voor een pakje met of zonder mouwen is vrij. Het dragen van een turnbroekje is voor dames niet toegestaan. Het ondergoed mag niet onder het pakje uitkomen en men mag geen sieraden dragen. Dat laatste heeft ook te maken met veiligheid; het voorkomt dat de deelnemers met hun sieraden ergens aan kunnen blijven hangen. Het dragen van sokken en/of turnschoentjes is bij de dames toegestaan, maar voor geen enkele oefening verplicht. In de meeste gevallen turnen dames overigens op blote voeten. Dit wordt in de eerste plaats gedaan om meer grip te hebben; men kan het toestel dan beter aanvoelen. Veel mensen vinden blote voeten ook esthetischer. Op de ongelijke brug wordt door steeds meer dames gebruikgemaakt van leertjes.

De leeftijdscategorieën

Heren

Voor wedstrijdturnen zijn leeftijdscategorieën ingesteld. De leeftijdscategorie wordt aangegeven door een letter die het niveau/ categorie aangeeft en een cijfer dat de leeftijd aangeeft. Doorgaans schuift men na twee jaar door naar de volgende en tevens wat moeilijkere leeftijdscategorie. Het top- en dus wereldniveau is de "A"-lijn. De gewone topsport is de "B" -lijn. De gewone wedstrijdsport is de "C"-lijn. In zowel de B- als de C-lijn komt men uit op de Nederlandse Kampioenschappen. Het volgende niveau is meer een recreatieniveau. Hierbij doet men alleen mee aan regionale wedstrijden. Het cijfer uit de leeftijdscategorie staat verwijst naar het geboortejaar van de deelnemer. Is deze bijvoorbeeld in 1981 of 1982 geboren dan zit hij in leeftijdscategorie 1. En is hij in 1983 of 1984 geboren dan zit hij in leeftijdscategorie 2. Wie twee jaar in leeftijdscategorie 1C heeft geturnd gaat niet direct naar de B-lijn, maar dan moet eerst 2 jaar achtereen 1e of 2e zijn geworden op de Nederlandse Kampioenschappen.

Op dit moment zijn er in Nederland bij de heren 7 leeftijdscategorieën, te weten:

  • Benjamin (6-7 jaar)
  • Instap (8-9 jaar)
  • Pupil (10-11 jaar)
  • Jeugd (12-13 jaar)
  • Junior I (14-15 jaar)
  • Junior II (16-17 jaar)
  • Senior (18 jaar en ouder)

De leeftijdscategorieën Benjamin, Instap en Pupil werken volgens voorgeschreven oefenstof. Dit is bij de niveaus 11-17 volledig voorgeschreven en bij de niveaus 10-6 voorgeschreven met keuze-elementen. Een hoger niveau dan niveau 6 kan in de voorgeschreven oefenstof niet bereikt worden. De talentendivisie, de hoogste divisie, voor de leeftijdscategorie Pupil is niveau 6. Hierna ga je over naar de leeftijdscategorie Jeugd, waar je niveau weer kan stijgen. In de leeftijdscategorieën Jeugd, Junior I, Junior II en Senior werk je in de niveaus 1-10 met keuze-oefenstof. Bij de niveaus 11-17 blijft dit voorgeschreven oefenstof, welke dezelfde is als voor de categorieën Benjamin, Instap en Pupil.

Dames

Bij de dames wordt een ander systeem gehanteerd. Voor de leeftijdsgroepen is de leeftijd die de deelneemster op 31 december van het betreffende seizoen heeft bereikt bepalend. Dus als de turnster in het jaar waarop de wedstrijden gehouden worden 16 jaar wordt, maar het nog niet is op de wedstrijden zelf, wordt zij toch ingedeeld bij de Senioren. (NL)

  • Instap: 9 jaar
  • Pupil 1: 10 jaar
  • Pupil 2: 11 jaar
  • Jeugd: 12 - 13 jaar
  • Junior: 14 - 15 jaar
  • Senior: 16 jaar en ouder

(BE)

  • pupil (instap): 8 jaar
  • benjamin: 9 jaar
  • miniemen: 10 - 11 jaar
  • beloften: 12 - 13 jaar
  • juniores: 14 - 15 jaar
  • seniores: 16 jaar en ouder

Naast leeftijdsklassen kunnen er ook verschillende niveaus worden onderscheiden. Met ingang van het seizoen (2005-2006) is in Nederland het Nationaal Turn Systeem (NTS) ingevoerd, waarin 17 verschillende niveaus worden onderscheiden. In de jaren daarvoor werd er onderscheid gemaakt tussen topsport - het hoogste niveau, de Nationale Wedstrijd Sport (NWS) en het uit 12 niveaus bestaande Landelijk Oefenstof Systeem (LOS) waar alle leeftijdsgroepen aan konden deelnemen. Vanaf 2009 is er een nieuw wedstrijdsysteem, het NTS. Hierbij is eredivisie het hoogste niveau waarop deelgenomen kan worden en de 7e divisie het laagste niveau. Er worden landelijke wedstrijden geturnd van de ere- tot de 3e divisie. Daar onder turnt men de wedstrijden in de eigen regio.

De wedstrijden

Een turnseizoen telt diverse wedstrijden voor zowel jongens en heren als meisjes en dames. De meeste wedstrijden betreffen een meerkamp volgens de 'olympische' standaard, dus 4 voor de dames en 6 voor de heren. In Nederland worden door de KNGU Nederlandse Kampioenschappen georganiseerd (alleen voor senioren dames en heren op het hoogste niveau), Bondskampioenschappen en voorrondes (meestal per district). Lokaal vinden ook regionale wedstrijden plaats en onderlinge wedstrijden binnen verenigingen. Naast individuele wedstrijden, waarbij clubleden van verschillende turnverenigingen het individueel tegen elkaar opnemen, zijn er ook clubteamwedstrijden. Bij teamwedstrijden telt niet het individuele resultaat, maar de totale score van een door een vereniging afgevaardigd team van turners. Hierbij wordt bij ieder turn-onderdeel cijfers gegeven door juryleden. Hierbij kijken ze naar de lenigheid, of er bepaalde bewegingen, zoals een handstand, in zit en de nauwkeurigheid. De cijfers worden gegeven op een schaal van 1 tot 10. Degene met de hoogste cijfers krijgt bij een clubteamwedstrijd meestal een beker. Nummer 2 en 3 zullen een medaille ontvangen en de rest krijg meestal een vaantje.

Recente internationale wedstrijden

Zie ook

Andere vormen van turnen/gymnastiek

Ook andere vormen van gymnastiek dan toestelturnen worden wel als 'turnen' aangeduid, zoals:

Externe links