Pinus monophylla
| Pinus monophylla IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2011) | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Loof en onvolgroeide kegels van P. monophylla subsp. monophylla in de Pah Rah Range | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus monophylla Torr. & Frém. (1845) | ||||||||||||||
| Verspreidingsgebied van de drie ondersoorten | ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| Pinus monophylla op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Pinus monophylla is een groenblijvende conifeer uit de dennenfamilie (Pinaceae) die voorkomt in de droge berggebieden van het Noord-Amerikaanse Grote Bekken. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van Zuid-Idaho tot Baja-California en Zuidwest-New Mexico. In de Verenigde Staten kent men de boom als single-leaf pinyon of piñon, terwijl men hem in Mexico kent als pino monoaguja. P. monophylla is een van acht verwante soorten pinyon-dennen. In Nederlandse arboreta, pineta en gespecialiseerde kwekerijen komt Pinus monophylla voor, zoals in Pinetum Blijdenstein en Arboretum Trompenburg. In Nederland zijn verschillende cultivars verkrijgbaar.[2]
P. monophylla is een vrij kleine boom, die 10 tot 20 meter hoog wordt en een stamomtrek van 80 centimeter haalt. De schors is onregelmatig gegroefd en geschubd. De bladeren (naalden) zijn – en dit is uniek voor een den – enkel, wat betekent dat er slechts blad in een bundeltje zit, in plaats van twee of meer. De naalden zijn verder vrij dik en 4 tot 6 centimeter lang. Ze zijn grijzig groen met een soms blauwe schijn. De kegels zijn scherp en rond en groter dan die van andere pinyons: 4,5 tot 8 centimeter lang en breed. De kegels doen er 26 maanden over om te volgroeien. Lege pijnboompitten met onontwikkelde zaden (zelfbestoven) zijn lichtbruin van kleur, terwijl de "goede" pitten donkerbruin zijn. De pijnboompitten worden verspreid door de pinyongaai, die de zaden uit de open kegels plukt, waarbij hij alleen de donkere zaden uitkiest en de lichte laat liggen. De pinyongaai, die de zaden als voedselbron gebruikt, bewaart veel zaden voor later gebruik door ze te begraven. Sommige van deze opgeslagen zaden worden niet gebruikt en kunnen uitgroeien tot nieuwe bomen. Enkelbladige den zaden ontkiemen in het wild zelden, tenzij ze door gaaien of andere dieren worden verstopt.
Voor de Europese kolonisatie van Amerika was de boom van ontzettend groot belang voor de inheemse volken van het Grote Bekken, zoals de Washo, Paiute, Shoshone en Ute. Zij leefden onder andere van de eiwitrijke pijnboompitten van de verschillende pinyonsoorten.
Ondersoorten
[bewerken | brontekst bewerken]- P. monophylla subsp. monophylla
- Kenmerken: dikke, helder-blauwgroene naalden en lange kegels. 2 tot 7 harskanalen en 8 tot 16 stomatale lijnen per naald.
- Verspreidingsgebied: in de Transverse Ranges, de Sierra Nevada en het Grote Bekken in Nevada en het westen van Utah.
- P. monophylla subsp. californiarum
- Kenmerken: minder dikke en meer grijsgroene naalden en brede kegels. 8 tot 16 harskanalen en 13 tot 18 stomatale lijnen per naald.
- Verspreidingsgebied: van het uiterste zuiden van Nevada door het zuidoosten van Californië tot in het noorden van Baja California.
- P. monophylla subsp. fallax
- Kenmerken: minder dikke en meer grijsgroene naalden en brede kegels. 2 tot 3 harskanalen en 8 tot 16 stomatale lijnen per naald.
- Verspreidingsgebied: van het zuidwesten van Utah door Arizona tot in het zuidwesten van New Mexico.
De ondersoort fallax gelijkt sterk op Pinus edulis en is louter op basis van het aantal naalden per bundel (één in plaats van twee) ingedeeld bij P. monophylla. In gebieden waar beide bomen naast elkaar voorkomen, hybridiseren ze makkelijk, wat resulteert in bomen met een- en tweenaaldige bundels aan een en dezelfde tak.