Albert van Giffen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
plaquette van Albert Egges van Giffen
Het door Van Giffen in 1953/1954 gerestaureerde, bij zijn landgoed De Heezeberg te Diever gelegen, hunebed D52
De Papeloze kerk een door Van Giffen in 1959 gerestaureerd hunebed nabij Schoonoord

Albert Egges van Giffen (Noordhorn, 14 maart 1884Zwolle, 31 mei 1973) was een Nederlands archeoloog. Hij wordt wel de vader van de hunebedden genoemd. Daarnaast werd hij door de Drentse bevolking enigszins liefkozend ook wel 'het Spittertien' genoemd. Aangezien hij destijds in heel Drenthe veel in de grond heeft gespit.

Achtergrond[bewerken]

Van Giffen werd geboren als zoon van een hervormd predikant en groeide op in het Drentse Diever waar hij zijn eerste ervaring met archeologie had. Als jongen maakte hij mee dat in de Ossekoele, waar vroeger de ossen werden gewassen, opgravingen plaatsvonden.

Na het gymnasium te Sneek en Zutphen koos hij voor de studie in de plant- en dierkunde in Groningen. Het kandidaatsexamen legde hij af op 28 februari 1908, het doctoraalexamen op 6 juli 1910 en op 20 juni 1913 promoveerde hij cum laude bij J.F. van Bemmelen (1859-1956).

Zijn eerste archeologische project was in 1908 toen hij opziener werd bij de afgravingen van de wierde van Dorkwerd. Jhr. Mr. Johan Adriaan Feith, de Groningse rijksarchivaris, had hem aangespoord om archeoloog te worden.

Ezinge[bewerken]

Met zijn opgravingen in Ezinge in de jaren 20 en 30 legde Van Giffen als eerste de structuur van een dorp door de eeuwen heen in zijn geheel bloot. Tijdens dit project ontwikkelde hij de zogenaamde kwadrant- of taartpuntmethode, waarbij de plek van onderzoek in zowel verticale als horizontale sleuven wordt afgegraven. Op deze manier wordt een maximum aan gegevens verkregen met een minimale verstoring. Tot die tijd werd een vindplaats in zijn geheel, laag voor laag, afgegraven, maar door de nieuwe methode bleef een deel van de vindplaats onaangeroerd bewaard.

In het museum in Ezinge is informatie te vinden over zijn opgravingen aldaar, de wijze waarop de opgravingen tot stand zijn gekomen en door Van Giffen blootgelegde paardengraf.

Hunebedden[bewerken]

Naast zijn werk in Groningen verrichtte hij veel onderzoek in Drenthe. Hij bracht alle nog bestaande hunebedden in kaart en verrichtte bij meerdere daarvan bodemonderzoek. In 1928 publiceerde hij hierover een boek dat nog steeds als standaardwerk wordt beschouwd. Zonder zijn inspanningen zou waarschijnlijk een groot deel van de nu aanwezige hunebedden niet meer hebben bestaan. Naast onderzoek heeft hij veel ingestorte en deels vernielde hunebedden gerestaureerd.

In 1920 richtte hij aan de Rijksuniversiteit Groningen het Biologisch-Archeologisch Instituut op. Verder was hij voorzitter van de Vereniging van Terpenonderzoek, inspecteur bij het Groninger Museum en conservator bij het Drents Museum. In 1932 werd hij verkozen tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Latere carrière[bewerken]

Opgraving Domplein te Utrecht in 1933 met oa Romeinse barakmuur

Rond de jaren 30 deed hij meerdere archeologische opgravingen op het Domplein in Utrecht, waar zich de restanten bevinden van het Romeinse castellum Traiectum en (vroeg)middeleeuwse kerken. Te Valkenburg in Zuid-Holland was hij vanaf 1941 bezig met opgravingen in het castellum Praetorium Agrippinae, en in 1947 in Fectio.

In 1930 kocht hij heidegrond bij Diever en liet daar de directiekeet van zijn opgraving in Ezinge neerzetten. Dat werd zijn zomerhuis De Heezeberg. Hij verbleef er veel tijdens de zomermaanden en schreef er een groot aantal van zijn publicaties. Hij overleed op 89-jarige leeftijd in Zwolle.

In het Groninger Museum vond van december 2005 tot april 2006 de tentoonstelling Professor van Giffen en het geheim van de wierden plaats. In het tijdschrift van het museum, het Groninger Museum Magazine van 2006, wordt uitgebreid verhaald hoe Van Giffen het onderzoek der wierden heeft opgezet.

Promovendi[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]