Charles Vanel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Charles Vanel, Charles-Marie Vanel (Rennes, 21 augustus 1892 - Cannes, 5 april 1989) was een Frans acteur en filmregisseur. Hij speelde in ongeveer 200 films in een tijdspanne van meer dan 70 jaar. Zijn voorkeur ging naar drama's en politiefilms.

Biografie[bewerken]

Charles Vanel werd geboren in Rennes. Zijn kindertijd bracht hij door in Saint-Malo wat hem al gauw deed dromen over een loopbaan bij de marine. Hij werd afgekeurd omdat zijn zicht onvoldoende was. Hij volgde zijn ouders naar Parijs waar hij in 1908 begon te spelen in toneelstukken. Enkele jaren later maakte hij zijn filmdebuut in de kortfilm Jim Crow (Robert Péguy, 1912). Tijdens de Eerste Wereldoorlog streed hij mee tot in 1916. Daarna werd hij ingeschakeld in een propagandatournee en vertrok hij ook meermaals op theatertournee. In het begin van de jaren twintig besloot hij zich te concentreren op een filmcarrière die algauw heel druk werd want hij speelde jaarlijks in zo'n vijf à zes films. Louis Mercanton, Henri Étiévant en vooral Jacques de Baroncelli waren de cineasten die toen het meest een beroep op hem deden. Tot zijn markantste prestaties behoorden zijn vertolking van de visser Yann in Pêcheur d'Islande (Jacques de Baroncelli, 1924), van de piloot in La Proie du vent (René Clair, 1927) en van Napoléon Bonaparte in het tweeluik Königin Luise (Karl Grune, 1927-1928). In 1929 regisseerde hij zelf het drama Dans la nuit

De opkomst van de geluidsfilm bekrachtigde zijn succes. Jacques de Baroncelli bezorgde hem met L'Arlésienne (1930) zijn eerste geluidsfilm. In de heel vruchtbare jaren dertig bereikte hij een eerste toppunt van zijn kunnen. Met regisseur Raymond Bernard draaide hij drie literatuurverfilmingen waarvan de oorlogsfilm Les Croix de bois (naar de gelijknamige roman van Roland Dorgelès, 1932) en vooral Les Misérables (naar de gelijknamige roman van Victor Hugo, 1934) veel bijval kregen. Andere sleutelfilms waren Au nom de la loi (1932) van Maurice Tourneur met wie hij ook regelmatig samenwerkte, Le Grand Jeu (Jacques Feyder, 1934), Jenny (Marcel Carné, 1936), de dramatische arbeiderskomedie La Belle Équipe (Julien Duvivier, 1936) en het drama Abus de confiance (1938) van Henri Decoin die eveneens meerdere keren op zijn acteurstalent rekende. In die tijd draaide hij ook zijn tweede en laatste film, de kortfilm Affaire classée (1932).

De jaren veertig verliepen iets moeizamer voor Vanel. Tijdens de bezetting speelde hij in La Nuit merveilleuse (1940) met Fernandel als tegenspeler en draaide hij nog drie films samen met Jean Dréville met wie hij al enkele films gemaakt had. Hij nam ook de hoofdrol op zich in Le ciel est à vous (1944), de meest succesrijke film van Jean Grémillon. Op het einde van de jaren veertig begon hij in Italië te werken. Zo vertolkte hij een belangrijke rol in In nome della legge (1949), een van de eerste films van Pietro Germi. Hij zou blijven samenwerken met Italiaanse cineasten tot op het einde van zijn carrière.

In de jaren vijftig kende zijn carrière een tweede bloeiende periode dankzij Henri-Georges Clouzot onder wiens regie hij vier films draaide. In de eerste, het avontuurlijke drama Le Salaire de la peur (1953) speelde hij samen met de jonge Yves Montand. Het festival van Cannes wist zijn acteerprestatie naar waarde te schatten. Twee jaar later speelde hij een ex-commissaris die Simone Signoret en Paul Meurisse moest strikken in de thriller Les Diaboliques (1955). Hetzelfde jaar was hij nog te zien in To Catch a Thief van Alfred Hitchcock waar hij zowel Cary Grant als Grace Kelly van repliek diende. Even later volgde de dramatische avonturenfilm La Mort en ce jardin (Luis Bunuel, 1956) waar hij Simone Signoret weer op zijn pad vond. In 1959 maakte hij onder leiding van de jonge cineast Pierre Schoendoerffer een remake van Pêcheur d'Islande, een van zijn stomme films die gebaseerd was op de gelijknamige roman van Pierre Loti.

Eind jaren vijftig-begin jaren zestig begon Vanel dikwijls te acteren in een aantal politiefilms die geregisseerd werden door Jacques Deray, Bernard Borderie (in twee gorille-films) en Pierre Chenal. Toen regisseerde Henri-Georges Clouzot hem een derde keer, nu als advocaat, in het gerechtsdrama La Vérité (1960). In 1961 verleende hij zijn medewerking aan Tintin et le Mystère de la Toison d'or (Jean-Jacques Vierne), de eerste langspeelfilm die gedraaid werd naar een stripverhaal van Hergé. Jean-Pierre Melville gaf hem de rol van een oude bankier in L'Aîné des Ferchaux (1961), naar de gelijknamige roman van Georges Simenon en Costa-Gavras liet hem een hoofdrol spelen in het weerstandsdrama Un homme de trop (1967).

In 1972 triomfeerde hij in het televisiefeuilleton Les Thibault, in de rol die al een tijdje op zijn lijf geschreven was, die van patriarch. Zijn verweerde en gegroefde gezicht dreef hem naar hardere rollen zoals de oude boosaardige chirurg en clanchef in Sept morts sur ordonnance (Jacques Rouffio, 1975) en de procureur in de politieke thriller Cadaveri eccellenti (Francesco Rosi, 1976).

Een van zijn mooiste vertolkingen bracht hij op het einde van zijn carrière in een tweede film van Francesco Rosi, Tre fratelli (1981). Als bijna 90-jarige gaf hij ontroerend gestalte aan de oude boer en kersverse weduwnaar die zijn drie zonen ontvangt naar aanleiding van het overlijden van hun moeder. De film Si le soleil ne revenait pas, in 1987 door Claude Goretta gedraaid naar de roman van zijn landgenoot Charles Ferdinand Ramuz, geldt als Vanel's testamentfilm. Hij speelde er de rol van een oude profeet in. Twee jaar later, in 1989, overleed Charles Vanel op 96-jarige leeftijd.

Filmografie[bewerken]

Regisseur[bewerken]

Acteur[bewerken]

Stomme film (selectie)[bewerken]

Geluidsfilm (selectie)[bewerken]

Televisie (selectie)[bewerken]

Prijzen[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Charles Ford : Charles Vanel, un comédien exemplaire, Éditions France-empire, 1986.
  • Jacqueline Cartier : Monsieur Vanel : un siècle de souvenirs, un an d'entretiens, Éditions Robert Laffont, Paris, 1989.
  • Yvan Foucart : Dictionnaire des comédiens français disparus, Éditions cinéma, Mormoiron, 2008.