Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en erfenis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) is een kenniscentrum ter bevordering van onderzoek naar en de verspreiding van kennis en informatie over het Nederlandse slavernijverleden en de gevolgen daarvan voor de hedendaagse samenleving. Het NiNsee heeft als doel de Nederlandse samenleving een waarheidsgetrouw beeld van het Nederlandse slavernijverleden en erfenis te geven. Het instituut houdt zich bezig met historisch onderzoek, het ontwikkelen van educatieve programma's, museale presentaties en het faciliteren van informatie en documentatie over het Nederlandse slavernijverleden en erfenis. Door het ontwikkelen en verzamelen van kennis en het verspreiden hiervan wordt getracht bij te dragen aan de erkenning van het slavernijverleden als deel van de gemeenschappelijke geschiedenis van alle Nederlanders.

Geschiedenis[bewerken]

De aanleiding voor de oprichting van het NiNsee was de plaatsing van een monument in het Oosterpark. De vrouwenbeweging Sophiedela, van Afro-Europese origine, bood het kabinet op 3 juli 1998 een petitie aan. Deze petitie bracht het spreekwoordelijke balletje aan het rollen. Het verzoek om een monument waar het slavernijverleden herdacht kon worden, bereikte minister Roger van Boxtel (Grote Steden- en Integratiebeleid). Hij nam namens het kabinet de coördinatie van de totstandkoming van het monument op zich. De kiem voor het monument, en later het NiNsee, was daarmee ontsproten.

De betrokkenen bij de oprichting van het monument verenigden zich in de Stichting Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden. Daarbij sloten zich diverse netwerken van Surinaamse, Antilliaanse, Arubaanse en Afrikaanse signatuur aan. Deze stichting werd de officiële gesprekspartner van de rijksoverheid betreffende de realisatie van het monument.

Op 14 november 2000 is in overleg met het college van B&W van Amsterdam, het stadsdeelbestuur van Amsterdam Oost/Watergraafmeer, het Landelijk Platform Slavernijverleden en het Comité van Aanbeveling Nationaal Monument Slavernijverleden definitief besloten het Amsterdamse Oosterpark aan te wijzen als standplaats voor het Nationaal Monument Slavernijverleden.

Wie het daadwerkelijke monument mocht realiseren is besloten op basis van de uitkomst van de publiekspoll, de adviezen van het Comité van Aanbeveling en de Commissie van Deskundigen en de meningen/keuzes van de gemeente Amsterdam en het Landelijk Platform Slavernijverleden. Het ontwerp van Erwin de Vries werd gekozen om uitgewerkt te worden tot het uiteindelijke nationaal monument slavernijverleden. Op 1 juli 2002 was het zover en werd het Nationaal Monument Slavernijverleden onthuld in het Amsterdamse Oosterpark.

Gedurende dit traject bleek er vraag te zijn naar een instituut dat zich bezighoudt met onderzoek naar en bewustwording van het Nederlands slavernijverleden. Op 24 juni 2002 werd het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis opgericht. Op 1 augustus 2012 werd het instituut opgeheven.

Verleden en heden[bewerken]

Het Nederlandse slavernijverleden en de erfenis daarvan zijn een fundamenteel onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. De slavernij was dusdanig opgezet en van aard dat iedereen er direct of indirect mee te maken had, aldus de visie van het NiNsee. De aard, gevoeligheid, onmenselijkheid en het belang van het Nederlandse slavernijverleden voor de hedendaagse samenleving verdienen dan ook een andere plaats binnen het gedachtegoed van alle belanghebbenden. Het slavernijmonument in het Oosterpark in Amsterdam, het initiatief dat ten grondslag lag van de oprichting van het NiNsee, staat daar symbool voor.

Het NiNsee beschouwt het slavernijverleden en de erfenis ervan als de belichaming van het kolonialisme en het hedendaagse racisme. Met andere woorden: ook de erfenis van dat verleden is bepalend voor de graad van sociale cohesie in de huidige samenleving. Het antizwarte racisme uit het verleden, vormt vermoedelijk de basis van het hedendaagse antizwarte racisme in Nederland. Voor het werken vanuit een antiracistische houding in Nederland is het dan ook nodig dat de ernst van deze beproeving voor de slaven en hun nazaten onder ogen wordt gezien en erkend. Pas dan kan er ruimte ontstaan voor de verwerkelijking van een meer rechtvaardige en open samenleving voor alle burgers en bewoners.

Vieren en herdenken[bewerken]

Hoewel Nederland op 1 juli 1863 een einde heeft gemaakt aan de slavernij, kan nog steeds niet gesproken worden van een slaafvrije wereld. Over de hele wereld leven en werken nog veel jonge en oude mensen in slavernij. Om de afschaffing van de slavernij te herdenken, gedenken en te vieren, maar ook stil te staan bij hedendaagse slavernij heeft het NiNsee zich tot doel gesteld elk jaar op 1 juli een herdenking en het Keti Koti festival te organiseren.

Het NiNsee onderzoekt, gedenkt en herdenkt het Nederlands slavernijverleden en haar erfenis, opdat deze erkend wordt als deel van de gemeenschappelijke geschiedenis van alle Nederlanders en bewustwording, acceptatie en verwerking van de erfenis van slavernij bevordert.

Wandelroute Amsterdam in de slavernij[bewerken]

De wandelroute Amsterdam in de slavernij wordt via de museumapp aangeboden door het Ninsee. Volgens het Ninsee is het belangrijk om meer te weten over de slavernijgeschiedenis van de stad Amsterdam. Tijdens de wandelroute wordt de deelnemer in de Amsterdamse binnenstad geleid langs verschillende herinneringsplekken aan de slavernij.


In het Spinhuis werd in 1768 de zogenaamde ‘Swartin’ Christina opgesloten. Zij had onder andere de kleren die ze op dat moment aan had verkocht en bedelde. De aanklacht die daarom tegen haar werd uitgesproken luidde: ‘verstoring van de openbare orde door ontuchtig gedrag´.

Bij het adres Rokin 64, Amsterdam, wordt men gewezen op de gevel van het pand. Hier is namelijk een beeld te vinden van een donker persoon. Het beeld lijkt op de Indiaanse man die is afgebeeld op een prent uit ‘suikerriet, suikerverdriet’ van P. Keijser. In het werk van Keijser gaat het om een voorstelling van een inheemse familie van de stam Cariben.

In de Engelse Presbyteriaanse kerk werd op 2 mei 1802 de vrijgemaakte slavin Lea Parijs gedoopt. Haar achternaam was de naam van haar laatste slavenmeester.

Tijdens de wandelroute wordt men ook geleid langs enkele panden aan de Herengracht. Herengracht 433 was in de eerste helft van de 18e eeuw van de slavenhandelaar Jacob van der Dussen.

Het pand dat te vinden is aan de Herengracht 502, dient als woning voor de burgemeester van Amsterdam. In deze woning woonde en werkte vanaf 1674 Paulus Godin. Hij was voorzitter van de WIC en bestuurder van de Sociëteit van Suriname. Door informatie uit archieven weet men dat zijn rijkdom een direct gevolg was van de handel in slaven.

In het Museum van Loon aan de Keizersgracht 672 hangt er een portret van de weduwe Johanna Borski (1764-1849). Zij was ooit de rijkste vrouw van Nederland. Haar vermogen waarmee zij onder andere een groot aantal plantages in Suriname en elders in het Caribische gebied financierde, werd geschat op ongeveer vier miljoen gulden.

Externe links[bewerken]