Nepotisme
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Nepotisme (van het Latijn 'nepos', kleinzoon; nakomeling, ook: neef) is het begunstigen van eigen familieleden door autoriteiten, bijvoorbeeld door ze in hoge functies te benoemen of door ze opdrachten te gunnen. Het is dus een vorm van corruptie.
In de Kerk kwam nepotisme reeds voor onder paus Adrianus I (772-795). In de middeleeuwen kwam het veelvuldig voor en in de renaissance bereikte het fenomeen zijn hoogtepunt onder Alexander VI (1492-1503) en Julius II (1503-1513). Het Concilie van Trente (1545-1563) trachtte een einde te maken aan het nepotisme. In 1692 werd door de bul Romanum decet Pontificum de pausen verboden kerkelijke goederen aan familieleden over te dragen.
Ook in het staatkundig leven heeft het nepotimse altijd een grote rol gespeeld en het verschijnsel is ook in de moderne tijd niet onbekend. Een bekend voorbeeld van nepotisme in de moderne tijd is erfopvolging in een republiek:
- In Noord-Korea werd Kim Il Sung opgevolgd door zijn zoon Kim Jong Il
- In Congo-Kinshasa werd Laurent-Désiré Kabila opgevolgd door zijn zoon Joseph Kabila
- In Cuba Fidel Castro en zijn opvolger en broer Raúl Castro.
De populaire naam voor nepotisme is vriendjespolitiek.

