Tijnje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tijnje
Plaats in Nederland Vlag van Nederland
Wapen van Tijnje
Tijnje
Tijnje
Situering
Provincie Vlag Friesland Friesland
Gemeente Vlag Opsterland Opsterland
Coördinaten 53° 2′ NB, 5° 59′ OL
Algemeen
Inwoners (2007) 1500
Overig
Postcode 8406
Netnummer 051357
Foto's
Tijnje
Tijnje
Gereformeerde kerk van Tijnje
Gereformeerde kerk van Tijnje
Portaal  Portaalicoon   Nederland
Friesland

Tijnje (Fries: De Tynje) is een dorp in de gemeente Opsterland, provincie Friesland (Nederland) en telt ruim 1500 inwoners.

Naam[bewerken]

De naam van het dorp is een vernederlandsing van het Friese woord tynje waarmee oorspronkelijk een visdam in een waterloop werd aangeduid. De benaming hangt waarschijnlijk samen met een constructie waarin tenen werden verwerkt.[1] Vaak was er bij een tynje ook gelegenheid het water over te steken, ofwel met een voorde dan wel met een zet (een wegneembare brug).

Ligging[bewerken]

Tijnje ligt ongeveer 16 kilometer ten noordoosten van Heerenveen.

Bij Tijnje was er sprake van twee tynjes: de Lúxter tynje (Luxter tinie) en de Wynjetynje (Winietinie) die al staan afgebeeld op de kaart van Opsterland van Schotanus uit 1718.[2] Deze bevonden zich in de vaart die ten oosten van Oldeboorn van de Boorne naar de hoogvenen in Kortezwaag en rond Gorredijk voerde. Deze vaart werd, waarschijnlijk in het begin zeventiende eeuw, gegraven ten behoeve van de turfwinning. Rond Tijnje bestond de vaart uit drie verschillende delen: het Langerak in de richting van Oldeboorn, het Schietersrak en tenslotte het Tijnjerak dat de verbinding met de Wispel vormde.

De tynjes bevonden zich op de plaats waar de vaart twee oudere hooiwegen kruiste: de Winiaweg (Fries: Wynjewei) en de Luxter hooiweg (Fries: Lúkster heawei). De zetten werden later door bruggen vervangen. In 1955 werden het Schietersrak en het Tijnjerak gedempt; het Langerak werd aanmerkelijk versmald.[3]

Toen er eind achttiende, begin negentiende eeuw huizen werden gebouwd in de buurt van de tynjes ontleende het gehucht Luxtertienje ten zuiden van het Tijnjerak zijn naam aan de Luxtertinie. Dit gehucht bestond in het midden van de negentiende eeuw uit 3 huizen.[4]

Ten noorden van de Lúkster tynje, onder Terwispel, lag in de dezelfde tijd de herberg De Tijnje.[5]

In het gebied ten noordwesten van Tijnjes dorpskern heeft in de middeleeuwen vermoedelijk een dorp gelegen, Rijp genaamd. Verscheidene veld- en wegnamen in deze streek lijken nog naar dit Rijp te verwijzen. In Rijp stond in 1315 een kapel. Van die kapel werden sporen gevonden toen men rond de jaren tachtig van de twintigste eeuw een sloot groef waarbij middeleeuwse kloostermoppen naar boven kwamen.[6] Later was dit gebied dat niet door dijken tegen het water van de Boorne beschermd werd hoofdzakelijk in gebruik als hooiland.

Ontstaan[bewerken]

Tijnje is als dorp ontstaan in de negentiende eeuw ten tijde van de turfgraverijen in het laagveengebied in het uiterste westen van Opsterland. Tot circa 1910 [bron?] hoorde Tijnje bestuurlijk-administratief onder het Opsterlandse dorp Terwispel.

Pas rond 1800 kwamen de eerste turfgravers en verveners uit de omringende grietenijen naar het gebied rond Tijnje. De zogeheten Gietersen brachten hun specifieke verveningsmethode mee. Daarbij werd elke vierkante meter diep uitbaggerd met de beugel tot op de onderliggende zandlaag. Het gevolg was dat er alom een onmetelijke vlakte ontstond aan waterplassen en poelen van een paar meter diep. De ontberingen en ziekten onder de bevolking werden zo ernstig en omvangrijk dat koning Willem I het nodig vond er een raadsman op af te sturen. Deze jonkheer Edmond de la Coste rapporteerde in 1823 dat het om allerlei redenen, ook waterstaatkundige, zo niet langer kon.[7] Prominenten en grootgrondbezitters hebben zich nog enige tijd verzet, maar uiteindelijk werden er goed bestuurde grote polders, veendistricten, ingesteld om met spoed in droogmaking te voorzien. De grote eigenaren en verveners moesten armen- en slikgelden afdragen.

In 1828 werd de bouw van een school bij de Tijnjen aanbesteed door de grietenij Opsterland.[8]

Periode 1850-1910[bewerken]

In 1852 lag de Nije Feart (Nieuwe Vaart) erin, de ringvaart om het vierde tot en met zevende veendistrict. Van toen af aan ging het snel, vooral dankzij het toen moderne stoomgemaal, dat na gemotoriseerd te zijn geweest in ruste nog steeds de naam draagt van zijn eerste machinist: Trip.

Dankzij de inpoldering kon het drooggevallen land worden benut door veeboeren, huismannen (die werkten bij een boer en hadden ook en paar beestjes thuis) en kleine koemelkers. Een weldoener als P.W. Janssen bood velen van hen de gelegenheid om een bedrijfje te beginnen. Veel werd coöperatief georganiseerd, niet alleen door boeren maar later ook door winkeliers.

Sociaal-culturele opbouw[bewerken]

Na 1850 groeide er langzamerhand één dorp met twee kernen en enkele omringende 'uitburen'. Gemeenschapszin en onderlinge saamhorigheid speelden over de hele linie een grote rol bij de toenmalige ontwikkeling en vooruitgang. Er ontstonden sociale en culturele verenigingen, kerken en scholen die veel hebben bijgedragen aan het vormen van een dorpsgemeenschap, en ook van actieve sociale verbanden binnen het dorp.

De gereformeerden, de zogeheten 'finen', bouwden hun eerste kerkje in 1866. Toneel- en reciteervereniging 'Rjucht en Sljucht' werd al in 1872 opgericht, het centrale 'Plaatselijk Belang' in 1896. 'De Bazuin' bestond al een paar jaar, nota bene als harmoniekorps, voor het in 1905 officieel werd erkend. De gymnastiekvereniging is van 1910. In datzelfde jaar kregen de finen een dominee voor zichzelf en in 1912 richtten ze een 'School met den Bijbel' op aan de Riperwei.

Politiek[bewerken]

Het dorp is lang nogal 'rood' geweest, vooral onder invloed van de sociaaldemocraat Ferdinand Domela Nieuwenhuis, later ook van de in Tijnje geboren communist Gerrit Roorda. De socialen werden onder Pieter Jelles Troelstra SDAP-ers en na de oorlog stemden zij meestal op de PvdA. Veel communisten waren eigenlijk pacifisten en kwamen na de invallen van de Russen in Hongarije (1956) en Tsjecho-Slowakije (1962) terecht bij de PSP, nu opgegaan in GroenLinks.

Liberalen en turfgravers verdroegen elkaar eigenlijk niet. Toen de ergste strijd om rechten voor de arbeiders was gestreden, stemde er wel eens iemand op de VVD, bijvoorbeeld J. van der Leij die rond 1950 wethouder van Opsterland was.

Een danig actieve minderheid van gereformeerde anti-revolutionairen -de 'kleine luyden' van Abraham Kuyper- heeft gestalte gegeven aan de gedachtewisselingen en aan het karakter van het dorp. Er woonde ook een aantal orthodox-hervormden die meestal aangesloten waren bij de kleinere CHU. Uit deze partijen en de KVP is het CDA voortgekomen.

Het is vermeldenswaard dat Domela in 1888 in de Tweede Kamer kon komen dankzij een samenwerking van zijn SDB met de ARP in het kiesditrict Schoterland, waartoe Terwispel met Tijnje behoorde. Alle ARP-ers, ook de 'finen fan De Tynje', brachten hun stem uit op de rode Domela, die zo zijn liberale tegenkandidaat kon verslaan.

Bestuurlijk zelfstandig als 'Tijnje'?[bewerken]

Naar men zegt zou het dorp pas in 1910 erkend zijn als zelfstandig dorp, niet langer administratief en bestuurlijk onder de vleugels van moederdorp Terwispel. De rechtbank van Heerenveen had overigens al in 1875 'Tijnje' (zonder de toevoeging 'onder Terwispel') op de rol staan als woonplaats van twee (vrijgesproken) verdachten. Op de TMK van 1864 wordt het dorp zonder meer al aangeduid als 'Tijnje', op die van 1924 nota bene als 'Tynje' zoals het hoort, maar met het lidwoord 'De' ervoor.

Periode 1910-1940[bewerken]

Economisch gezien was de oprichting in 1916 van de coöperatieve zuivelfabriek 'Volharding II' van groot belang voor De Tynje. Dit feit kan beschouwd worden als het einde van de verveningsindustrie aldaar, met de bijbehorende armoede en ongemakken. Er ontwikkelde zich ook een gezonde middenstand met een brede scala van vaak eenmansbedrijven. Die varieerden van smid tot wagenmaker, van bakker tot slager, van caféhouder tot kruidenier, van schoenmaker tot fietsmaker, van huisschilder tot timmerman, van 'sutelder mei de lapekoer' (marskramer) tot gevestigd manufacturier annex winkel van Sinkel.

Tijdens de economische crisis van de jaren dertig kwamen de vroegere toestanden gedeeltelijk terug, vooral onder de arbeiders en de kleine middenstanders. Er heerste veel werkloosleid en als gevolg daarvan ook armoede. In 1940 kwam daaraan min of meer een einde, maar in plaats ervan voltrokken zich daarna ongedachte en uiterst zorgwekkende veranderingen.

Periode 1940-'50[bewerken]

In de Tweede Wereldoorlog was Tijnje een verzetshaard. Natuurgebied De Deelen was uitermate geschikt voor wapendroppings. Kopstukken van het verzet onder wie Douwe Symens Algra, onderwijzer van de christelijke school met schuilnaam 'Van der Velde', beraamden in deze omgeving veel van hun 'terroristische' plannen en acties. In 1940 waren twee jeugdige inwoners gesneuveld op de Grebbeberg. In de loop van 1944 werden drie mannen omgebracht door moorddadige acties van de bezetter. Op de allerlaatste dag voor de bevrijding werd bij de Warrebetten nog een Heerenveense verzetsstrijder neergeschoten door de beruchte SS. Een jonge ex-Tynjester sneuvelde in 1948 tijdens een zogeheten politionele actie in het toenmalige Nederlands-Indië. Een monument op het kerkhof en twee straatnamen brengen sommigen van hen in herinnering.

Na 1950[bewerken]

Na de oorlog kwam er geld vrij om het dorp te moderniseren. Omstreeks 1955 werden de rakken gedempt ten gunste van een rondweg. Zelfs de eeuwenoude Wispel werd gedicht. Een deel van het even oude Moerdiep werd versmald en rechtgetrokken. De Tynje heeft toen veel van zijn karakter verspeeld ten gerieve van ruilverkaveling, intensieve landbouw en werkverschaffing. Dankzij de 'Tynjefilm' die muziekkorps 'De Bazuin' in 1952 liet maken, is nu nog een en ander te zien van die tijd.

In dezelfde periode werd de A7 tussen Heerenveen en Drachten aangelegd als vlakke tweebaansweg. Ook dit kwam het behoud van de schoonheden van het dorp bepaald niet steeds ten goede. Het zorgde er wel voor dat Tijnje veel gemakkelijker bereikbaar werd, wat zeker in het voordeel is geweest van de economische groei en welstand. Die groei werd vooral bevorderd door de toenemende industrialisatie en werkgelegenheid. Veel Tynjesters gingen werken op het 'houtsjefabryk' van Halbertsma Deuren in Grou en op de in 1948 gevestigde Philips-fabriek in Drachten.

In Tijnje ziet men 1910 als bestuurlijke geboortedatum van het dorp. Dit wordt gevierd als een bijzonder lustrumfeest onder het motto 'De Tynje 100 - jong en brûzjend'.

Cultuur en sport[bewerken]

In het dorp zijn twee scholen: een christelijke en een openbare. Het aantal winkeliers is de laatste jaren langzamerhand afgenomen; toch heeft het dorp nog een echte dorpswinkel waar men naast etenswaren ook bijvoorbeeld klompen kan kopen. Het dorp heeft ook een eigen dorpshuis, een speeltuin en een natuurzwembad. Jaarlijks is er een zwemvierdaagse en een wandelvierdaagse.

Het dorp kent verschillende sportverenigingen. Voetbal, tennis, volleybal, gymnastiek zijn wel de belangrijkste. Ook is er een hondenclub en een oefenbaan voor paralympisch handboogschieter Jappie Walstra die hier zeer succesvol was.

Tijnje is een actief dorp dat verschillende feesten kent die uniek zijn voor deze plaats. Het meest bijzonder voor Friesland is dat het dorp een carnavalsvereniging heeft die al enige decennia bestaat. Er is een tweejaarlijks winterspektakel, hierbij vindt ook een braderie plaats.

Ook is er een trekkerbehendigheidsfeest met wedstrijden en er is een groep die zich bezighoudt met het combineracen en hiermee al tweemaal Nederlands kampioen werd en internationale overwinningen behaalde. De wedstrijden combineracen om het Nederlands Kampioenschap vinden plaats in St. Isidorushoeve, Yde de Punt, Mariënvelde en Emmeloord.

Tijnje is de geboorteplaats van voormalig SC Heerenveen-voetballer Piet Zwerver die onder andere met Abe Lenstra speelde.

Bezienswaardigheden[bewerken]

Klokkenstoel

Op de begraafplaats staat ook één van de klokkenstoelen in Friesland.

In het dorp zijn diverse oude huizen. De Breewei kent enkele van deze historische panden waarvan enkele gerenoveerd zijn of worden. De voormalige gereformeerde kerk uit 1921, nu de PKN-kerk aan de Rôlbrêgedyk is als betonnen gebouw uniek vanwege de architectuur en constructie. Het staat op de monumentenlijst.

Aan het begin van de Riperwei is nog het voormalige Nederlands-hervormde kerkgebouw te zien. Dit kerkje is omgebouwd tot woning en kreeg daarom destijds aandacht van de landelijke pers.

In het dorp staat ook het eerste (en enige) Opelmuseum van Nederland. In dit museum staat een variatie aan modellen en jaargangen van dit merk. Andere bezienswaardigheden zijn de oude zuivelfabriek van het dorp, de molen zonder wieken aan de Nije feart bij de Uilesprong. De vele boerderijen, de bruggetjes langs de bolder die naar de huizen en boerderijen aldaar leidden en de beeldentuinen alsmede een grote zwerfkei. De zwerfkei die gebruikt is voor het monument van de slag bij Warns komt tevens uit Tijnje en werd destijds door Gerrit Roorda opgegraven.

Van de vele watermolens langs de Nije Feart is alleen die bij de Uilesprong, aan het einde van de Riperwei nog over, echter zonder kap en wieken. Ten noordoosten van Tijnje staat in de polder De Dulf een kleine Amerikaanse windmotor.

Openbaar vervoer[bewerken]

Natuur[bewerken]

Rondom Tijnje zijn verschillende natuurgebieden en vogelgebieden te vinden. Het "Tynjester bos" met zijn betonnen fietspad is een drukke fietsroute. Ook de Deelen liggen in de buurt. Tijnje heeft een relatief grote oppervlakte aan land. Tijnje kent nu nog twee wateren: de Nije Feart die deel uitmaakt van de turfroute en het laatste restant van het eeuwenoude Mouwe- of Moediep. Van de net zo bejaarde Wijde Wispel is sinds de jaren vijftig niets meer over. Het vroegere Tynjerak en het aansluitende Schietersrak zijn eveneens ± 1955 gedempt ten gunste van de provinciale rondweg. Het Langerak is toen gereduceerd tot een afwateringskanaaltje.

Voormalige of schrijvende inwoners[bewerken]

Sagen[bewerken]

Omdat Tijnje een "jong" dorp is zijn er niet zoveel sagen te vertellen als in andere Friese dorpen. De sagen die genoemd worden gaan over een spookhuis en een spookkerkhof aan de Warrewei. Bij deze laatste zouden zwarte wijven zijn gezien die op de sloot aldaar liepen. De sagen zijn inmiddels al verdwenen uit de vertellingen binnen families.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen of referenties

  1. K.F. Gildemacher, Friese waternamen, Leeuwarden, 2007
  2. Kaart van Opsterland, 1718
  3. S.J. van der Molen, Opsterlân, Leeuwarden, 1977, herdruk van de uitgave van 1958.
  4. Abraham Jacob van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorinchem, 1846, deel VII blz. 492
  5. Deze herberg werd in 1845 te koop gezet, zie Leeuwarder Courant van 28 februari 1845. Online
  6. Kerst Huisman, Swarte wiven ferdwûnen op it plak dêr't it tsjerkhôf fan Ryp lei, Leeuwarder Courant, 3 april 1992, blz. 7 Online
  7. http://www.friesarchiefnet.nl/index.php?view=article&id=202&option=com_content
  8. Leeuwarder Courant van 14 oktober 1828; Online
Voor de geschiedenis van Tijnje
  • Christelijke Encyclopedie, 6 delen, Kampen 1956-1961
  • A.J. van der Aa - Het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorinchem 1844
  • H. Algra - Het volk wordt mondig, deel VIIIa (1955), van de 13-delige serie A. Algra en H. Algra - 'Dispereert niet’, Franeker 1946- ‘56
  • Henk Borger - Herinneringen aan de Plasse. Van Janssenstichting tot Brêgeleane. Grou 2007
  • Tjeerd Bottema - Mijn leven. Buitenpost 1976
  • Anne Dykstra - Joost Halbertsma's veldwerk voor het 'Lexicon Frisicum' (1872), in: 'Ontheven aan de tijd. Linguïstisch-historische studies voor Jan Noordegraf enz.’, Amsterdam 2008
  • Johan Frieswijk en Meindert Schroor - Geschiedenis in Zuidoost-Friesland, 7 aparte deeltjes in een karton, Drachten z.j. (± 2005)
  • David Hartsema - De meesterdief uit de Wouden. Verhalen uit het oude Friesland, kroniekverslagen over het Fryslân van de 18de en 19e ieu, Drachten/Leeuwarden 1990
  • Kerst Huisman - Opstand in de turf. Het harde leven in een veenderijgebied. Leeuwarden 1981
  • Kerst Huisman - Slits en roggeprip. Opsterland 1940-'45. Leeuwarden 1995
  • Andries Idzerda - Zowel nut als genoegen betreffende. Plaatselijk Belang Tijnje 1896-1996/met speciaal nummer van ‘De Tijnjebode’. De Tynje september 1996
  • Andries Idzerda - It muzyk giet troch De Tynje. De Bazuin 1905-2005’’. De Tynje 1 november 2005
  • H.G. de Jong - Ek al emansipearre?, in: De Pompeblêden, 30 maart 1981
  • H.G. de Jong - Ode aan de kunstenaars van 1944-1948, bijdrage aan het reünieboekje van de christelijke mulo/mavo in Heerenveen, mei 1987
  • H.G. de Jong - Klarinetten, wat binne dat, pake?, terublik op de mooie jaren 1947-’52 bij het harmoniekorps van De Tynje. Yn: 'Jubileumuitgave 1905-1995, Chr. muziekver. De Bazuin’, november 1995
  • H.G. de Jong - Doe’t Drachtsters noch gewoan dienen, biografisch relaas - grotendeels in het Fries en met een gespiegelde groepsfoto - over de jaren 1948-‘51. In: 'Lotgevallen klas 2 Koningin Juliana Kweekschool', reünieboekje, Drachten 5 september 1998
  • H.G. de Jong - Wie it net in soadsje, ju?, een herbeleven ten behoeve van de jongeren, vooral van de oorlogsjierren op De Tynje , juli 2003
  • Ben van Kaam ('Flex') - Parade der mannenbroeders. Protestants leven in Nederland 1918-1938, journalistieke verkenning, Wageningen 1964
  • Ben van Kaam ('Flex') - Opstand der gezagsgetrouwen. Mannenbroeders & zonen in de jaren 1938-1945, journalistieke verkenning, Wageningen 1966
  • J.Keizer - Het ontstaan van het Christelijk Onderwijs in de Friese z.o.hoek, Leeuwarden 1980
  • Imke Klaver - Oantinkens fan in Fryske lânarbeider - Herinneringen van een Friese landarbeider tot 1925, tweetalig, Nijmegen 1974
  • G. van Koeveringe - De Heren en hun veen. Het verhaal van de Dekema-, Cuyck- en Foeyts-veencompagnie en het ontstaan van Heerenveen in de periode 1551-1605, Doetinchem 2010
  • Jochem Kroes - De Gietersen in Friesland. De migratie van Noordwest-Overijsselse turfgravers naar het Friese laagveengebied in de tweede helft an de 18de eeuw, Fryske Akademy, Leeuwarden 1996
  • Thom Mercuur (samenst.), Rink van der Velde et al - De Deelen, Gersloot 2000
  • S.J. van der Molen - Opsterlân. Skiednis fan in Wâldgritenij’’, Leeuwarden 1977
  • Rimmer Mulder - Gereformeerd en uitverkoren en It Deiblêd en de Ljouwerter, in: 'Mijn Friesland', Amsterdam/Antwerpen 2007
  • S. Siebenga et al - Vier dorpen. Eén streek, Stichting werkgroep Aengwirden, november 2003
  • H.W. Steenstra - Geschiedenis van Friesland, Minnertsgea 1845. Reprint met een Woord vooraf van S.J. van der Molen, Leeuwarden z.j.
  • Arjen Versloot - Fryske wetternammen. In bestjoerlik proses en nammekundige tûkelteammen, in: De Pompeblêden, maart 2004