Deventer moordzaak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Graf van het echtpaar Wittenberg. Als overlijdensdatum van Jacqueline Wittenberg is hier de dag genomen dat ze vermoord werd aangetroffen.

De Deventer moordzaak is de naam die gegeven wordt aan de rechtszaak na de moord op de weduwe Wittenberg in september 1999 te Deventer. Deze zaak is verworden tot een van de langst lopende uit de geschiedenis van het Nederlands strafrecht en mogelijk de meest omstreden Nederlandse strafzaak ooit. De vraag die altijd centraal heeft gestaan is of hier sprake is geweest van een justitiële dwaling met betrekking tot het bewijsmateriaal op grond waarvan de veronderstelde dader, Ernest Louwes, is veroordeeld.

De zaak is vooral bekend geworden doordat de Hoge Raad in 2003 besliste dat er gronden waren voor revisie, nadat Louwes in eerste instantie was vrijgesproken en eind 2000 in hoger beroep alsnog veroordeeld. Zijn gevangenisstraf werd midden 2003 opgeschort, in afwachting van de revisie. De zaak nam vervolgens een onverwachte wending toen het gerechtshof te Den Bosch op grond van opgedoken DNA-materiaal begin 2004 toch weer tot een nieuwe veroordeling kwam wegens moord.

Begin 2006 besloot het Openbaar Ministerie (OM) tot nieuw onderzoek naar het bewijsmateriaal, nadat onder anderen ook Maurice de Hond zich met de zaak was gaan bemoeien en de aandacht had gevestigd op mogelijke fouten in het eerdere onderzoek. Dit leidde evenwel uiteindelijk niet tot andere conclusies dan die de rechters al eerder hadden getrokken. In 2013, toen Louwes inmiddels alweer op vrije voeten was, dienden zijn advocaten bij de Hoge Raad nogmaals een verzoek tot nader onderzoek in, dat deels werd toegewezen. De advocaten konden de resultaten van dit nadere onderzoek betrekken in een eventueel nieuw verzoek tot herziening aan de Hoge Raad.

De moord[bewerken]

De weduwe Jacqueline Wittenberg werd volgens justitie op de avond van 23 september 1999 in haar woning in Deventer vermoord.[1] Haar lichaam werd twee dagen later gevonden door de politie, die was gebeld door de kapster van de weduwe. Zij was ongerust omdat mevrouw Wittenberg niet bij haar op een afspraak was verschenen. Het lichaam van de weduwe werd aangetroffen in haar woonkamer. De technische recherche stelde vijf messteken in de borst vast en constateerde ook wurgsporen in de hals.[2]

Veroordelingen Louwes[bewerken]

Op 19 november werd de belastingadviseur van de weduwe, Ernest Louwes, gearresteerd. De verdenking jegens Louwes concentreerde zich in eerste instantie op twee aspecten. Uit telefoongegevens was gebleken dat Louwes in de avond van 23 september als laatste telefonisch contact had gehad met de weduwe en tevens dat hij op dat moment in Deventer zou zijn geweest. Bovendien zou uit een geurproef zijn gebleken dat er een verband bestond tussen Louwes en het veronderstelde moordwapen, een mes dat op 25 september op ongeveer een kilometer afstand van het huis van de weduwe Wittenberg was gevonden.[3] Louwes verklaarde tijdens zijn verdediging dat hij ten tijde van het telefoongesprek op de A28 was geweest, niet in Deventer.

Ondanks die aanwijzingen achtte de rechtbank te Zwolle niet wettig en overtuigend bewezen dat Louwes de moord had gepleegd en sprak hem in maart 2000 vrij. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof te Arnhem in december 2000 echter anders; Louwes werd wegens moord veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf.[4] Louwes stelde hiertegen cassatieberoep in. Dit werd verworpen, waarna bij de Hoge Raad een herzieningsverzoek ingediend werd door mr. Boksem, Louwes' toenmalige advocaat. In juli 2003 wees de Hoge Raad dit herzieningsverzoek toe, omdat inmiddels was gebleken dat de geurproeven onbetrouwbaar waren geweest en het veronderstelde moordwapen niet het echte kon zijn. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch diende de zaak dus opnieuw te beoordelen. Daarbij besliste de Hoge Raad tevens dat de gevangenisstraf van Louwes werd geschorst zoals de wet voorschrijft, waardoor hij op 1 juli 2003 voorlopig op vrije voeten was.

Tijdens de nieuwe behandeling ter terechtzitting bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch kwam het Openbaar Ministerie op 27 januari 2004 met nieuw DNA-bewijs gegenereerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) dat van de blouse van de weduwe Wittenberg afkomstig was. Op grond van dat nieuwe bewijs kwam het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 9 februari tot het oordeel dat Louwes terecht veroordeeld was, en werd de uitspraak van het Arnhemse gerechtshof gehandhaafd onder verbetering van gronden.[5] Daarmee kwam het mes als bewijs te vervallen en werden de conclusies die uit het DNA-onderzoek werden getrokken in plaats daarvan als bewijs opgenomen. Ook de gevangenisstraf van twaalf jaar werd door het hof in stand gelaten (eerder was er vijftien jaar geëist) en Louwes werd direct weer gevangengenomen.[6]

Het cassatieverzoek tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch werd op 22 februari 2005 door de Hoge Raad afgewezen, ook al had de advocaat-generaal mr. Vellinga geconcludeerd dat een herziening geboden was.[7] Verscheidene forensisch deskundigen waaronder Richard Eikelenboom − die eerder het mes dat vervolgens zou worden verworpen als bewijsmateriaal opnieuw had onderzocht − verklaarden dat het veel waarschijnlijker was dat het aangetroffen DNA door geweld was overgedragen dan door zakelijk contact.[8][9][10]

Nadat hij twee derde van zijn straf had uitgezeten, werd Louwes op 22 april 2009 vrijgelaten. Het Family7-programma CrimeDoc wijdde hier op 31 oktober 2009 een uitzending aan.[11]

Mogelijk motief[bewerken]

Als mogelijk motief voor de moord is aangevoerd dat Louwes uit zou zijn geweest op het geld van de weduwe. Op 13 september had de weduwe een nieuw testament opgesteld, waarin ze Louwes aanwees als de executeur-testamentair van een stichting die na haar dood moest worden opgericht. Louwes zou tevens voorzitter van deze stichting worden.[12][13]

Mogelijke fouten in het onderzoek, zoekgeraakt bewijsmateriaal[bewerken]

Het DNA-bewijs werd door het hof toegelaten nadat justitie kon verklaren dat de blouse waarop het DNA gevonden was altijd goed bewaard was gebleven. Dit proces-verbaal, chain of custody, werd ondertekend door twee rechercheurs die vanaf het begin bij de zaak betrokken waren. Een van hen had echter enige maanden ervoor aan de officier van justitie in een brief bekendgemaakt niet op de hoogte te zijn waar de blouse zich bevond ("er kan dus in de tussentijd van alles mee gebeurd zijn"), terwijl de ander later had aangegeven kort na de ontdekking van de moord niet meer betrokken te zijn geweest bij de zaak. Hoofdofficier Tomesen verklaarde aan de rechter "dat deze tweede rechercheur ten onrechte het PV heeft getekend, maar dat dat niets afdoet aan de inhoud ervan".[bron?] Een aangifte tegen deze rechercheurs is nooit in behandeling genomen door het OM. Verder had de weduwe toen ze werd vermoord nog een zwart vest aan over de witte blouse heen, dat ergens tijdens het onderzoek spoorloos is verdwenen.[14]

Publieke aandacht voor de zaak[bewerken]

Rondom Louwes ontstond gaandeweg een groep medestanders (zogenoemde 'burgerdeskundigen'), die van mening waren dat het dossier aantoonde dat hij onschuldig was. De Deventer moordzaak werd voor het eerst landelijk nieuws op 22 mei 2002, toen Netwerk er een uitzending aan wijdde.[15] De zaak is wel vergeleken met de Schiedammer parkmoord, hoewel daarin de eerder veroordeelde op grond van DNA-materiaal juist werd vrijgesproken.[10]

Tot degenen die zich bijna vanaf het begin hard maakten voor Louwes behoorde het echtpaar Waisvisz, beiden handschriftendeskundigen. Zij trokken in 2006 echter hun handen geheel van de zaak af, nadat er in het dossier nieuwe feiten aan het licht waren gekomen die zeer belastend voor Louwes leken.[16]

Herzieningsverzoeken in 2006 en 2007, inmenging van De Hond[bewerken]

Op 31 januari 2006 maakte het ministerie van Justitie bekend dat een nieuw oriënterend onderzoek zou worden gestart. Aanleiding daartoe was een verzoek van professor Peter van Koppen, aangevuld met gegevens die waren verzameld door Maurice de Hond c.s. die erop zouden wijzen dat er fouten in het strafrechtelijke onderzoek waren gemaakt. De Hond beoogde nader onderzoek naar mogelijk voor Louwes ontlastende feiten, en nader onderzoek naar de rol die iemand anders bij de moord gespeeld zou kunnen hebben, namelijk Michaël de Jong, die in het kader van de zaak vaak werd aangeduid als "de klusjesman" van de weduwe.

Op 31 maart 2006 werd DNA-bewijs waarop Louwes eerder werd veroordeeld opnieuw beoordeeld door dr. Kenny van de Britse Forensic Science Service (FSS). De rapportage van het FSS werd door de diverse partijen verschillend geïnterpreteerd. Zo stelde de advocaat van Louwes dat het FSS-onderzoek aangaf dat de gevonden sporen van Louwes geen zogenoemde dadersporen hoefden te zijn. Rechtspsycholoog Peter van Koppen was daarentegen van mening dat het FSS-onderzoek nog belastender was voor de veroordeelde dan de eerdere analyse van het NFI. Ook mr. Machielse, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, kwam op 20 maart 2007 tot die conclusie ook nadat het FLDO (Prof. De Knijff) de bewering van het FSS had onderzocht dat er mogelijk DNA van derden in het spel was. Deze stelling zou worden tegengesproken door zeer gevoelig Y-chromosomaal onderzoek dat geen DNA van anderen dan de verdachte had aangetoond, nu ook onder de nagels van het slachtoffer.[17] Van betrokkenheid van een ander dan Louwes bij de moord was dus niets gebleken. In juni 2006 besliste het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het eigen oriënterend onderzoek dat er geen aanwijzingen waren voor een gerechtelijke dwaling die een volledig nieuw onderzoek zouden rechtvaardigen. Het oriënterend vooronderzoek dat het college van procureurs-generaal liet uitvoeren, leidde volgens het OM niet tot andere conclusies dan die de strafrechter eerder al had getrokken. Daarbij werd collectief over het hoofd gezien − dus door OM, NFI, FLDO en de verdediging − dat hiermee de mogelijke aanwezigheid van een tweede vrouwelijke donor niet was uitgesloten. Het eindrapport van het OM werd eind 2007 openbaar gemaakt. Onduidelijk bleef waarom het OM een aantal getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd tegen de klusjesman opnieuw niet had willen horen.

Advocaat Geert-Jan Knoops diende in juli 2006 een nieuw herzieningsverzoek in bij de Hoge Raad der Nederlanden. Bij een procedure bij de Hoge Raad werd door een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie allereerst een zogenaamde "conclusie" (een afdoeningsadvies) ingediend. Op 20 maart 2007 concludeerde advocaat-generaal mr. Machielse dat het DNA-bewijs niet tot herziening kon leiden. Machielse achtte het echter wenselijk dat een raadsheer van de Hoge Raad als raadsheer-commissaris een aantal verbalisanten (politiemensen) nog nader zou horen, alvorens te beslissen op het herzieningsverzoek.

Opening graf slachtoffer[bewerken]

De begraafplaatsbeheerder verklaarde in 2006 ook nog dat hij "de klusjesman" met een etui had zien lopen in de buurt van het graf van de weduwe. Vervolgens zou hij hebben gezien dat de klusjesman de begraafplaats weer verliet zonder dit etui. De Hond hield er op basis van deze getuigenverklaring rekening mee dat het moordwapen in het graf verborgen lag. Tests met een metaaldetector wezen uit dat er inderdaad iets van metaal onder de steen lag.

Het Openbaar Ministerie weigerde aanvankelijk onderzoek te doen bij het graf, maar in een kort geding dwong De Hond verwijdering van de grafsteen af. Diezelfde dag nog, op 9 november 2006, werd de steen op het graf gelicht. Er werd geen mes gevonden, maar een stuk oud ijzer. Ook werd vastgesteld dat de grafrust niet eerder was geschonden.[18]

Tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen van andere betrokkenen[bewerken]

Op 5 juni 2007 besliste de Hoge Raad bij tussenarrest een raadsheer-commissaris uit eigen midden te benoemen om de door advocaat-generaal Machielse voorgestelde verbalisanten te horen. De beheerder van de begraafplaats werd ook gehoord. Deze verklaarde dat de “klusjesman” hem op 24 september 1999, een dag voor de ontdekking van het lijk van Wittenberg door de politie, al zou hebben gezegd dat de weduwe ‘gewurgd, haar botten gebroken en zeven keer met een mes gestoken’ was.[19] Bij een eerder verhoor in oktober 1999 had de begraafplaatsbeheerder een verklaring afgelegd die hierop leek, maar toen had hij de naam van De Jong − die hij wel kende − niet genoemd; hij had het volgens het politieverslag toen enkel over "een man" die verder geen bekende van hem zou zijn geweest. Nog belangrijker was dat de beheerder in dit verhoor zou hebben verklaard dat het op de donderdag na de begrafenis van de weduwe was geweest, en dus niet al op de eerste dag na de moord zoals hij in 2006 beweerde.[20]

Nog een ander punt van grote onduidelijkheid was het tijdstip waarop De Jong zijn toenmalige vriendin op de hoogte bracht van de moord. De Jong heeft zelf altijd volgehouden dat hij pas op 28 september 1999 van de politie voor het eerst over de moord hoorde. Deze verklaring stemde overeen met een in het tactisch journaal van de politie vastgelegde verklaring van de vriendin, waaruit bleek dat De Jong haar diezelfde dag telefonisch op de hoogte had gesteld van de moord op de weduwe en zijn eigen verhoor van die dag. Maar in een nieuwe verklaring in mei 2006 zei dezelfde vriendin nu zeker te weten dat De Jong haar al een dag na de moord op een terras over de moord had verteld.[21] Op 31 oktober 2007 maakte de Hoge Raad bekend ook De Jong als getuige te willen horen. Uiteindelijk wees de Hoge Raad op 18 maart 2008 ook dit herzieningsverzoek af.[22] Louwes kondigde direct na de uitspraak aan dat hij zou blijven strijden om zijn onschuld te bewijzen.

Ook hierna bleef er volgens Maurice de Hond c.s. twijfel over de schuld van Louwes. De Hond bleef Michaël de Jong aanwijzen als de echte dader (een door Maurice de Hond geschapen 'mythe', aldus De Jong zelf in een interview[23]), die samen met zijn vriendin zijn verklaringen omtrent zijn alibi tot tweemaal toe had veranderd. Het stemde echter nog steeds niet overeen met het telefoonverkeer van hem en zijn vriendin. Hier kwam bij dat De Jong volgens een aantal getuigen diezelfde avond met de weduwe een afspraak omtrent een regeling van financiële zaken had. De weduwe zou tegenover de beheerder van de Deventer begraafplaats hebben verklaard dat zij De Jong uit haar testament wilde schrappen, volgens een getuigenis die de begraafplaatsbeheerder in oktober 2006 aflegde.[6] Voor deze zaken bestaat echter geen sluitend bewijs en De Jong heeft dit zelf altijd ten stelligste ontkend.

Over de aanschaf van een mes drie dagen na de moord hadden De Jong en zijn vriendin aanvankelijk onjuiste verklaringen afgelegd. Hoewel zij eerst vertelden dat hij een magneetstrip had gekocht, zetten zij in 2007, nadat de betreffende winkel de verkoop van zo een magneetstrip had ontkend, die verklaring om in de aanschaf van een mes.[24]

Handschrifttest[bewerken]

Ook waren er burgers die zich bezighielden met het hierboven genoemde onderzoek door Justitie naar de bij de plaats van het misdrijf aangetroffen briefjes en het vergelijkend handschriftonderzoek dat in het kader van het oriënterend onderzoek is verricht. Dit handschriftonderzoek zou volgens deze groep zijn vervalst om te verhullen dat de vriendin van De Jong de twee anonieme briefjes heeft geschreven. De Rijksrecherche deed naar aanleiding van de aangiftes over deze kwestie een onderzoek naar de gang van zaken rond deze schrijfproeven. Zij vond in juli 2009 "geen aanwijzingen dat met de schrijfproeven in de Deventer moordzaak valsheid in geschrifte is gepleegd".

Veroordeling van De Hond wegens smaad[bewerken]

Het bij voortduring aanwijzen van De Jong als dader had desondanks uiteindelijk tot gevolg dat Maurice de Hond door de rechter werd veroordeeld zijn smaad te staken, op straffe van een dwangsom. In een door De Jong en zijn vriendin aangespannen civielrechtelijke zaak tegen De Hond veroordeelde de rechtbank te Amsterdam De Hond bovendien op 25 april 2007 wegens smaad tot het betalen van € 120.000 schadevergoeding. Het hoger beroep in deze zaak werd in oktober 2008 behandeld, en in april 2009 gelastte de rechter De Hond tot een schadevergoeding van € 45.000 aan De Jong en diens vriendin.

2010: Nieuw DNA-onderzoek[bewerken]

Louwes’ advocaat Knoops verkreeg in 2010, na met een kort geding te hebben gedreigd, gegevens van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) over de uitvoering van het DNA-onderzoek. Deze gegevens speelde hij door naar twee forensische experts in de Verenigde Staten. Knoops hoopte dat hun onderzoek een novum zou opleveren, op basis waarvan de Hoge Raad opnieuw herziening van de zaak zou kunnen bevelen.[25]

Verzoek nader onderzoek 2013 toegewezen[bewerken]

Onder het regiem van de Wet herziening ten voordele deed advocaat van Louwes en hoogleraar strafrecht Knoops op 20 maart 2013 een nieuwe poging de uitspraak van het Hof Den Bosch uit 2004 aan te vechten. Hij diende een verzoek in voor nader onderzoek, dit met het oog op het aanvragen van een nieuw herzieningsproces.[26] Een aanvraag in het kader van die wet komt eerst terecht bij een advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Deze stuurt de aanvraag door aan een hiervoor in het leven geroepen commissie, de AdviesCommissie Afgesloten Strafzaken (ACAS).[27] Het staat de advocaat-generaal vrij, daar onderwerpen aan toe te voegen en dat is in dit geval ook gebeurd. Met name betrof dat onderzoek gedaan door de landelijke recherche naar bepaalde forensische aspecten rond de bepaling van het moment van overlijden. De adviescommissie adviseerde op dit punt nader advies in te winnen van een patholoog-anatoom.[28]

Mogelijke nieuwe feiten[bewerken]

De commissie wees het verzoek tot nader onderzoek omtrent de mogelijkheid van een GSM-gesprek – dat zou zijn afgewikkeld vanaf de A28, door middel van een zendmast te Deventer – af als te veel een herhaling van wat al onderzocht was. Intussen werden door de advocaat-generaal na tussenkomst van de landelijke recherche nieuwe inzichten omtrent de afwikkeling van het GSM-verkeer toegevoegd. Zo bleek dat de verklaring van Louwes, dat hij belde 'op de A28, ter hoogte van Harderwijk' in het politieonderzoek abusievelijk was geïnterpreteerd als een telefoontje vanuit 't Harde. Voorts waren deskundigen in 2003 uitgegaan van een systeem van cell-selectie, dat destijds (1999) nog niet was geïmplementeerd. Geconfronteerd met deze nieuwe gegevens trok de getuige-deskundige van KPN Security zijn belastende verklaringen – die in 2000 hadden bijgedragen aan de veroordeling van Ernest Louwes – in.[29] Tevens riep hij de andere GSM-deskundigen op hetzelfde te doen.

Inmiddels kwamen er weer mogelijke nieuwe feiten naar boven die een ander licht op de zaak wierpen. Op grond van de positie van de lijkvlekken vermoedden deskundigen bovendien dat het lijk een aantal uur na de moord nog was verplaatst vanuit de gang naar de woonkamer.[30] Uit nieuwe analyses zou bovendien zijn gebleken dat er veel minder DNA van Louwes op de blouse van de weduwe zat dan waar de rechtbank van was uitgegaan bij de nieuwe veroordeling van Louwes.[31]

Daarop voegde de advocaat-generaal alsnog deze thema's toe aan de lijst met te onderzoeken onderwerpen in zijn beslissing van 4 juli 2014.[32] In april 2017 werd een rapport van technisch onderzoeksinstituut TNO gepubliceerd waarin werd geconcludeerd dat er contact kan zijn gelegd tussen Louwes' telefoon en een zendmast in Deventer, ook als hij zich niet in de nabijheid daarvan bevond.[noot 1] De bevinding van TNO werd als nieuw ontlastend bewijs gepresenteerd en als één van de mogelijke middelen om de Deventer moordzaak nogmaals te heropenen.[33]

Literatuur[bewerken]