Deventer moordzaak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deventer moordzaak
Graf van het echtpaar Wittenberg. Als overlijdensdatum van Jacqueline Wittenberg is hier de dag genomen dat ze vermoord werd aangetroffen.
Plaats Zwolseweg, Deventer, Nederland
Coördinaten 52° 16′ NB, 6° 9′ OL
Datum 23 september 1999
Tijd Na 20:36 uur
Wapen(s) Mes
Doden 1
Veroordeelde(n) Ernest Louwes
Slachtoffer(s) Jacqueline Wittenberg-Willemen
Deventer moordzaak (Nederland)
Deventer moordzaak

De Deventer moordzaak is de strafzaak en de daarmee verband houdende verwikkelingen na de moord op de weduwe Wittenberg in september 1999 te Deventer. In eerste instantie was er sprake van een justitiële dwaling toen Ernest Louwes met onjuist bewijs werd veroordeeld. Tijdens de herziening werd echter nieuw bewijs gevonden, waardoor Louwes opnieuw veroordeeld werd. Desalniettemin zijn veel mensen blijven geloven in Louwes' onschuld en werd tevens door opiniepeiler Maurice de Hond een andere schuldige aangewezen. Door talloze herzieningsverzoeken is het een van de langstlopende zaken in de geschiedenis van het Nederlandse strafrecht geworden.

Na vrijspraak in eerste aanleg, werd Ernest Louwes, fiscaal jurist[a] van Wittenberg, in december 2000 veroordeeld voor de moord tot een gevangenisstraf van twaalf jaar. In 2003 waren ontdekte fouten in het onderzoek reden om de uitspraak te herzien, waardoor Louwes tijdelijk vrij kwam. Hoewel het oorspronkelijke bewijs werd verworpen, leidde opgedoken DNA-materiaal in februari 2004 tot bekrachtiging van de eerdere uitspraak onder verbetering van gronden. Sindsdien zijn er nog meer onderzoeken uitgevoerd. Deze hebben echter tot op heden geen ontlastend bewijs opgeleverd voor de Hoge Raad om een nieuw herzieningsverzoek toe te wijzen.

In de publieke opinie bleef echter het vermoeden heersen dat er met Louwes' veroordeling sprake was van een justitiële dwaling. Voornamelijk opiniepeiler Maurice de Hond zette zich hiervoor in. Hij wees tevens de "klusjesman" van Wittenberg aan als schuldige, waarvoor De Hond veroordeeld werd wegens smaad.

De moord[bewerken | brontekst bewerken]

De weduwe Jacqueline Wittenberg-Willemen werd op 25 september 1999 dood aangetroffen in haar woning aan de Zwolseweg in Deventer.[1] De politie was haar huis binnengegaan na een melding van haar kapster, die ongerust was omdat Wittenberg niet op een afspraak was verschenen. De technische recherche stelde vijf messteken in de borst vast en constateerde ook wurgsporen in de hals.[2]

De precieze datum van overlijden, namelijk op de avond van 23 september 1999, werd achteraf in 2004 vastgesteld door het gerechtshof.[3] Dit werd bepaald door getuigenverklaringen, gemiste andere afspraken en andere aanwijzingen. De schouwarts, die normaal het exacte tijdstip probeert vast te stellen, werd na het vaststellen van de dood weggestuurd door de recherche waardoor deze het exacte tijdstip niet kon vaststellen.[4] Op grond van de positie van de lijkvlekken vermoedden deskundigen bovendien dat het lijk een aantal uur na de moord nog was verplaatst vanuit de gang naar de woonkamer.[5]

Op 19 november 1999 werd de belastingadviseur van de weduwe, Ernest Louwes, gearresteerd.

Bewijsvoering[bewerken | brontekst bewerken]

Motief[bewerken | brontekst bewerken]

Als mogelijk motief voor de moord werd aangevoerd dat Louwes uit zou zijn geweest op het geld van Wittenberg. Op 13 september 1999 had de weduwe een nieuw testament opgesteld, waarin ze Louwes aanwees als de executeur-testamentair. Hierbij werd ook gewezen op de foldertjes van vakantiehuizen en gesprekken hierover met collega's.[6][7] Bij de herziening wordt echter door de advocaat-generaal dit als bewijs weggelaten.[6]

Later werd bekend dat Louwes naast executeur-testamentair ook voorzitter van een nog op te richten stichting voor psychiatrische patiënten zou worden, waar een deel van de erfenis van de weduwe heen ging. Aanvankelijk had Louwes in het testament gezet dat hij de enige bestuurder van die stichting hoefde te zijn, maar dit werd tegengehouden door de notaris. De twee medebestuurders die Louwes na de moord uitkoos, zeiden tegen de politie dat hij ze lekker had gemaakt met gelden uit de stichting. Daarnaast had Louwes een deel van de erfenis ten behoeve van de stichting op een nieuwe persoonlijke rekening gezet. Volgens journalist Bas Haan was met deze nieuwe kennis financiën toch een mogelijk motief.[6]

Locatie[bewerken | brontekst bewerken]

Louwes heeft altijd beweerd dat hij rond het veronderstelde tijdstip van de moord op de A28 in de buurt van Harderwijk reed. Dit alibi werd niet geloofd, omdat hij vlak voor de moord belde met Wittenberg en zijn telefoon contact maakte met een zendmast in Deventer. Volgens onderzoekers destijds was het onmogelijk om daarmee contact te maken vanaf de door Louwes genoemde locatie.[8] Tijdens het onderzoek had echter de politie de locatie van Louwes geïnterpreteerd als 't Harde, achter kilometer verder dan Harderwijk. Toen dit nieuws in 2014 naar buiten kwam, nam een getuige-deskundige van KPN afstand van zijn eerder afgelegde belastende verklaring.[9] In 2017 concludeerde TNO dat de kans "klein is, maar niet onmogelijk" dat Louwes zich rond het tijdstip van de moord inderdaad op de A28 bevond. Volgens TNO zouden bijzondere condities in de atmosfeer het mogelijk maken om contact te maken met een verderop gelegen zendmast.[10] Volgens journalist Bas Haan was deze nuance ook al bekend in 1999 en was het dus geen nieuwe informatie.[6]

Mes[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de eerste veroordeling speelde het vermeende moordwapen, een mes, een grote rol. Dit werd twee dagen na de moord gevonden op een kilometer van de plaats delict.[11]

Het mes werd aanvankelijk gekoppeld aan Louwes op basis van een geurproef. Deze geurproef bleek later echter vervalst. Als bewijs kwam dit in latere rechtszaken daarom ook te vervallen. Twee rechercheurs werden daarvoor tot 240 uur dienstverlening veroordeeld. Later zou bekend worden dat deze problemen speelden in veel meer zaken bij het betreffende politiekorps. 2.685 geurproeven werden ongeldig verklaard en het leidde tot ongeveer honderd herzieningsverzoeken.[12] Later werd geconcludeerd dat dit mes ook geen lichaamssporen van het slachtoffer bevatte, waarna het mes buiten beschouwing werd gelaten in de rechtszaken.[13]

Kleding[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de herziening in 2004 ontdekte het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) DNA-materiaal op de blouse van Wittenberg. Het DNA werd vooral gevonden in roodroze vlekken op de blouse, die op make-upvlekken leken. Deze bevonden zich in de buurt van de gebroken ribben. Tevens werd er een bloedvlek in de kraag gevonden. Al deze DNA-sporen kwamen overeen met het DNA van Ernest Louwes. Op basis van de plekken van het DNA werd geconcludeerd dat dit niet kon zijn gekomen door "zakelijk contact".[6]

In 2006 werd het DNA-bewijs opnieuw onderzocht, ditmaal door de Britse Forensic Science Service (FSS), om te beoordelen of het door zakelijk of gewelddadig contact was overgedragen. Hieruit werd opnieuw geconcludeerd dat de overdracht zeer waarschijnlijk niet door zakelijk contact was gebeurd.

De blouse van Wittenberg was enige tijd zoek, in ieder geval administratief. Ook had het slachtoffer toen ze werd vermoord over de blouse heen nog een zwart vest aan, dat ergens tijdens het politieonderzoek is verdwenen. Op foto's van het plaats delict zijn minder bloedvlekken zichtbaar op de blouse dan op latere foto's van het NFI in 2004. Hiervoor is geen verklaring gevonden. Dit had echter geen invloed op het DNA-bewijs, omdat deze vlekken niet de plekken zijn waar het DNA van Louwes was gevonden.[6]

Nagelvuil[bewerken | brontekst bewerken]

In 2006 werd er een nieuwe DNA-techniek toegepast op het nagelvuil dat bewaard was gebleven. Dit Y-chromosomaal DNA-onderzoek is veel nauwkeuriger dan normaal DNA-onderzoek, maar tegelijkertijd hebben veel mannen hetzelfde Y-chromosomaal DNA-profiel. Het profiel wat uit dit onderzoek voortkwam, kwam overeen met dat van Louwes, waardoor hij niet uitgesloten kon worden. De klusjesman, die vrijwillig via advocaat en met notaris ook zo'n onderzoek liet uitvoeren, had dit profiel niet, waarmee uitgesloten was dat dit zijn DNA was. Het DNA onder de nagels werd als zeer belangrijk beschouwd door onder meer justitie. Bij het grove geweld dat bij de moord moest zijn toegepast, werd verwacht dat het DNA van de dader te vinden zou zijn in het nagelvuil.[6]

Verloop veroordelingen en media-aandacht[bewerken | brontekst bewerken]

Eerste veroordeling[bewerken | brontekst bewerken]

De rechtbank te Zwolle achtte niet wettig en overtuigend bewezen dat Louwes de moord had gepleegd en sprak hem in maart 2000 vrij. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof te Arnhem daarentegen in december 2000 dat Louwes wel de dader moest zijn en veroordeelde hem tot twaalf jaar gevangenisstraf.[14] Louwes stelde hiertegen cassatieberoep in, wat werd verworpen.

Herziening[bewerken | brontekst bewerken]

Rondom Louwes ontstond gaandeweg een groep medestanders, die van mening was dat uit het dossier niet bleek dat hij schuldig zou zijn. De Deventer moordzaak werd landelijk nieuws op 22 mei 2002, toen Bas Haan en Ronald Sistermans bij Netwerk er een uitzending aan wijdde.[15] Hierin werden met name de geurproeven en het moordwapen in twijfel getrokken. Louwes' advocaat diende vervolgens een herzieningsverzoek in bij de Hoge Raad. In juli 2003 wees de Hoge Raad dit herzieningsverzoek toe. In afwachting van deze herziening kwam Louwes per 1 juli 2003 op vrij voeten.

Tijdens de nieuwe behandeling bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch kwam het Openbaar Ministerie op 27 januari 2004 met nieuw DNA-bewijs. Dit DNA-bewijs was gevonden op de blouse van Wittenberg door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Op grond van dat nieuwe bewijs oordeelde het gerechtshof op 9 februari 2004 dat Louwes terecht veroordeeld was, en werd de uitspraak en de straf van het Arnhemse gerechtshof gehandhaafd onder verbetering van gronden.[16] Het mes was als bewijs komen te vervallen en vervangen door het DNA-onderzoek. Door deze uitspraak werd Louwes weer gevangengenomen.

De veroordeling van Louwes tijdens de herziening in 2003 leidde tot veel publieke aandacht voor de zaak. De emotionele reactie van Louwes in de rechtszaal op de uitspraak bracht veel mensen tot de mening dat hij het niet gedaan kon hebben. Ook kwam door Bas Haan rond diezelfde tijd naar buiten dat bij de Schiedammer parkmoord DNA-bewijs was achtergehouden. Dit voedde des te meer de theorieën dat er sprake kon zijn van een justitiële dwaling bij de Deventer moordzaak, hoewel juist DNA de oplossing was gebleken bij de Schiedammer parkmoord.[17]

Het cassatieberoep van Louwes tegen het arrest werd op 22 februari 2005 door de Hoge Raad afgewezen.[18] Verscheidene forensisch deskundigen verklaarden dat het veel waarschijnlijker was dat het aangetroffen DNA door geweld was overgedragen dan door zakelijk contact. Onder hen was Richard Eikelenboom, die heronderzoek had gedaan aan het mes dat later werd afgewezen als bewijsmateriaal.[19][20][17]

Oriënterend vooronderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

Eind 2005 begon ook opiniepeiler Maurice de Hond zich te bemoeien met de moordzaak.[6] Op 31 januari 2006 maakte het Openbaar Ministerie bekend dat er "na signalen uit de samenleving" een nieuw oriënterend onderzoek zou worden gestart.[21] Aanleiding daartoe was een verzoek van professor Peter van Koppen, aangevuld met gegevens die waren verzameld door Maurice de Hond die zouden wijzen op fouten in het strafrechtelijke onderzoek. De Hond beoogde nader onderzoek naar mogelijk voor Louwes ontlastende feiten, en nader onderzoek naar de rol van "de klusjesman", zoals hij in de media bekend is geworden, een man die af en toe werkte voor de weduwe.

Op 31 maart 2006 werd DNA-bewijs waarop Louwes eerder werd veroordeeld opnieuw beoordeeld door Dr. L.P. Kenny van de Britse Forensic Science Service (FSS). De rapportage van het FSS werd door de diverse partijen verschillend geïnterpreteerd.[22] Zo stelde de advocaat van Louwes dat het FSS-onderzoek aangaf dat de gevonden sporen van Louwes geen zogenoemde dadersporen hoefden te zijn. Rechtspsycholoog Peter van Koppen was daarentegen van mening dat het FSS-onderzoek nog belastender was voor de veroordeelde dan de eerdere analyse van het NFI. Ook mr. Machielse, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, kwam op 20 maart 2007 tot die conclusie ook nadat het FLDO (prof. De Knijff) de bewering van het FSS had onderzocht dat er mogelijk DNA van derden in het spel was. Deze stelling zou worden tegengesproken door zeer gevoelig Y-chromosomaal onderzoek dat geen DNA van anderen dan de verdachte had aangetoond, nu ook onder de nagels van het slachtoffer.[23] Van betrokkenheid van een ander dan Louwes bij de moord was dus niets gebleken.[24][25][26][27] Een verzoek om zijn vrijlating werd afgewezen.[28]

In juni 2006 besliste het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het eigen oriënterend onderzoek dat er geen aanwijzingen waren voor een gerechtelijke dwaling die een volledig nieuw onderzoek zouden rechtvaardigen.[29][30][31][32]

Het oriënterend vooronderzoek dat het college van procureurs-generaal liet uitvoeren, leidde volgens het OM niet tot andere conclusies dan die de strafrechter eerder al had getrokken. Het eindrapport van het OM werd eind 2007 openbaar gemaakt. Onduidelijk bleef waarom het OM een aantal getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd tegen de klusjesman opnieuw niet had willen horen. Inmiddels had De Hond gepleit voor een parlementair onderzoek naar de zaak.[33][34]

Advocaat Geert-Jan Knoops diende in juli 2006 een nieuw herzieningsverzoek in bij de Hoge Raad der Nederlanden. Bij een procedure bij de Hoge Raad werd door een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie allereerst een zogenaamde "conclusie" (een afdoeningsadvies) ingediend.[35][36] Op 20 maart 2007 concludeerde advocaat-generaal mr. Machielse dat het DNA-bewijs niet tot herziening kon leiden. Machielse achtte het echter wenselijk dat een raadsheer van de Hoge Raad als raadsheer-commissaris een aantal verbalisanten (politiemensen) nog nader zou horen, alvorens te beslissen op het herzieningsverzoek.[bron?]

Opening graf slachtoffer (2006)[bewerken | brontekst bewerken]

De begraafplaatsbeheerder verklaarde in 2006 ook nog dat hij "de klusjesman" met een etui had zien lopen in de buurt van het graf van de weduwe. Vervolgens zou hij hebben gezien dat de klusjesman de begraafplaats weer verliet zonder dit etui. De Hond hield er op basis van deze getuigenverklaring rekening mee dat het moordwapen in het graf verborgen lag. Tests met een metaaldetector wezen uit dat er inderdaad iets van metaal onder de steen lag.

Het Openbaar Ministerie weigerde aanvankelijk onderzoek te doen bij het graf,[37] maar in een kort geding dwong De Hond verwijdering van de grafsteen af.[38] Diezelfde dag nog, op 9 november 2006, werd de steen op het graf gelicht. Er werd geen mes gevonden, maar een stuk oud ijzer. Ook werd vastgesteld dat de grafrust niet eerder was geschonden.[39][40][41]

Op 5 juni 2007 besliste de Hoge Raad bij tussenarrest een raadsheer-commissaris uit eigen midden te benoemen om de door advocaat-generaal Machielse voorgestelde verbalisanten te horen. De beheerder van de begraafplaats werd ook gehoord. Deze verklaarde dat de 'klusjesman' hem op 24 september 1999, een dag voor de ontdekking van het stoffelijk overschot van Wittenberg door de politie, al zou hebben gezegd dat de weduwe 'gewurgd, haar botten gebroken en zeven keer met een mes gestoken' was.[42] Bij een eerder verhoor in oktober 1999 had de begraafplaatsbeheerder een verklaring afgelegd die hierop leek, maar toen had hij de naam van 'klusjesman' De Jong − die hij wel kende − niet genoemd; hij had het volgens het politieverslag toen enkel over "een man" die verder geen bekende van hem zou zijn geweest. Nog belangrijker was dat de beheerder in dit verhoor zou hebben verklaard dat het op de donderdag na de begrafenis van de weduwe was geweest, en dus niet al op de eerste dag na de moord zoals hij in 2006 beweerde.[43]

Nog een ander punt van grote onduidelijkheid was in verband met het het tijdstip waarop De Jong zijn ex-vriendin op de hoogte bracht van de moord. De Jong heeft zelf altijd volgehouden dat hij pas op 28 september 1999 van de politie voor het eerst over de moord hoorde. Deze verklaring stemde overeen met een in het tactisch journaal van de politie vastgelegde verklaring van de vriendin, waaruit bleek dat De Jong haar diezelfde dag telefonisch op de hoogte had gesteld van de moord op de weduwe en zijn eigen verhoor van die dag. Maar in een nieuwe verklaring in mei 2006 zei dezelfde vriendin nu zeker te weten dat De Jong haar al een dag na de moord op een terras over de moord had verteld.[44] Op 31 oktober 2007 maakte de Hoge Raad bekend ook De Jong als getuige te willen horen. Uiteindelijk wees de Hoge Raad op 18 maart 2008 ook dit herzieningsverzoek af.[45] Louwes kondigde direct na de uitspraak aan dat hij zou blijven strijden om zijn onschuld te bewijzen.

Ook hierna bleef er volgens Maurice de Hond twijfel over de schuld van Louwes. De Hond bleef De Jong aanwijzen als de dader die samen met zijn vriendin zijn verklaringen omtrent zijn alibi tot tweemaal toe had veranderd. Het stemde echter nog steeds niet overeen met het telefoonverkeer van hem en zijn vriendin. Hier kwam bij dat De Jong volgens een aantal getuigen diezelfde avond met de weduwe een afspraak omtrent een regeling van financiële zaken had. De weduwe zou tegenover de beheerder van de Deventer begraafplaats hebben verklaard dat zij De Jong uit haar testament wilde schrappen, volgens een getuigenis die de begraafplaatsbeheerder in oktober 2006 aflegde. Voor deze zaken bestaat echter geen sluitend bewijs en De Jong heeft dit zelf altijd ten stelligste ontkend.

Rechtszaken tegen De Hond[bewerken | brontekst bewerken]

Kort geding[bewerken | brontekst bewerken]

Op 11 juli 2006 publiceerde De Hond in een oplage van 500 exemplaren een tekst van zijn hand met de titel “Oordeel zelf”, dat hij toezond aan de Eerste Kamer, de Tweede Kamer, de koningin en tal van bestuurders, universiteiten en rechters. Talloze keren herhaalde De Hond zijn overtuiging in de media en op zijn eigen website dat De Jong de moordenaar was geweest.

Reeds in maart 2006 hadden De Jong en zijn vriendin via hun raadsman aangifte bij de politie gedaan wegens smaad, laster en belaging. Met het door hem ontketend media-offensief om de onschuld van Ernest Louwes aan te tonen, waarin hij De Jong ervan beschuldigde de moord te hebben gepleegd, zou De Hond op grove wijze inbreuk maken op diens persoonlijke levenssfeer en zich schuldig maken aan strafbare feiten. In december 2006 werd Maurice de Hond in een door De Jong tegen hem aangespannen kort geding door de rechter veroordeeld zijn uitlatingen te staken. Volgens de rechter wogen in deze omstandigheden de privacy en recht op bescherming van eer en goede naam van De Jong zwaarder dan het recht op vrijheid van meningsuiting van De Hond. Op straffe van dwangsommen werd De Hond daarom verboden De Jong op welke wijze dan ook in het openbaar als moordenaar of verdachte in de zaak aan te wijzen. Indien de omstandigheden zich echter zouden wijzigen en De Jong alsnog door het OM als verdachte zou worden aangeduid of indien hij zou worden veroordeeld voor de moord, diende deze uitspraak opnieuw te worden bezien.[46][47]

Bodemprocedure[bewerken | brontekst bewerken]

In de vervolgens door De Jong en zijn vriendin aangespannen bodemprocedure veroordeelde de rechtbank te Amsterdam De Hond op 25 april 2007 tot betaling van €120.000 schadevergoeding. De rechtbank verklaarde voor recht dat de verdachtmakingen van De Hond jegens De Jong en zijn vriendin onrechtmatig zijn. Ook verklaarde de rechtbank voor recht dat alle door De Hond na 24 januari 2006 in het openbaar gebrachte onderzoeksresultaten op de website www.geenonschuldigenvast.nl in de Deventer moordzaak en de publicatie “Oordeel zelf” onrechtmatig zijn. Ook werd De Hond opnieuw op straffe van dwangsommen verboden in het openbaar het tweetal in verband te brengen met de moord.[48][49][50]

Inmiddels was tegen De Hond door het OM vervolging ingesteld wegens smaad en smaadschrift op grond van de aangiften van De Jong en zijn vriendin. In november 2007 werd De Hond schuldig bevonden aan smaad en veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.[51]

Het hoger beroep tegen de uitspraak in de bodemprocedure werd in oktober 2008 behandeld, en in april 2009 gelastte de rechter De Hond tot een schadevergoeding van €45.000 aan De Jong en zijn vriendin.[52]

Handschrifttest[bewerken | brontekst bewerken]

Ook waren er burgers die zich bezighielden met het hierboven genoemde onderzoek door Justitie naar de bij de plaats van het misdrijf aangetroffen briefjes en het vergelijkend handschriftonderzoek dat in het kader van het oriënterend onderzoek is verricht. Dit handschriftonderzoek zou volgens deze groep zijn vervalst om te verhullen dat de vriendin van De Jong de twee anonieme briefjes heeft geschreven. De Rijksrecherche deed naar aanleiding van de aangiftes over deze kwestie een onderzoek naar de gang van zaken rond deze schrijfproeven. Zij vond in juli 2009 "geen aanwijzingen dat met de schrijfproeven in de Deventer moordzaak valsheid in geschrifte is gepleegd".

Vrijlating Louwes[bewerken | brontekst bewerken]

Nadat hij twee derde van zijn straf had uitgezeten, werd Louwes op 22 april 2009 vrijgelaten. Een dag na zijn vrijlating werd zijn autobiografie "Schuldig, mijn verhaal over de Deventer moordzaak" gepresenteerd. In een aantal van deze hoofdstukken wordt De Jong aangewezen als moordenaar. Het boek week echter af van het dagboek dat hij bijhield in de gevangenis.[53] Ook zei hij nog in 2008 tegen Haan dat hij niet geloofde dat De Jong de moordenaar was.[6] Later zou blijken dat het boek geschreven was door een ghostwriter, betaald door De Hond en Jan de Lange.[53]

Verzoek nader onderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

Louwes’ advocaat Knoops verkreeg in 2010, na met een kort geding te hebben gedreigd, gegevens van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) over de uitvoering van het DNA-onderzoek. Deze gegevens speelde hij door naar twee forensische experts in de Verenigde Staten.[54] Deze onderzoekers concludeerden in 2012 dat er minder DNA gevonden was dan waar de rechter vanuit ging in 2004 en dat de locaties van het DNA beter pasten bij zakelijk contact.[55]

In 2012 werden er onder de Wet herziening ten voordele ruimere mogelijkheden tot herziening van afgesloten strafzaken geïntroduceerd.[56] Advocaat Knoops deed daarom op 20 maart 2013 een nieuwe poging om de uitspraak uit 2004 aan te vechten. Hij diende een verzoek in voor nader onderzoek met oog op het aanvragen van een nieuw herzieningsproces. Een aanvraag in het kader van die wet komt eerst terecht bij een advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Deze stuurt de aanvraag door aan een hiervoor in het leven geroepen commissie, de Adviescommissie Afgesloten Strafzaken (ACAS).[57]

Het verzoek van Knoops richtte zich op twijfels rond het DNA-onderzoek, het tijdstip van overlijden en de kwestie van het gsm-verkeer. De commissie ontraadde het onderzoek naar het gsm-verkeer als teveel herhaling van wat al onderzocht was.[55] Advocaat-generaal Diederik Aben, die het onderzoek zou leiden, concludeerde echter dat alle drie de punten onderzocht moesten worden.[58] Dit onderzoek is tot op heden nog bezig.

2019-heden[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 2019 werd na Kamervragen bekend dat de onderzoeken van de Advocaat-generaal naar het telefoongesprek en tijdstip van overlijden 'enkele jaren geleden' waren afgerond. De conclusies worden pas openbaar bij het eindrapport, maar volgens Bas Haan betekent het uitblijven van een herzieningsverzoek dat deze resultaten niet ontlastend waren voor Louwes. Daarmee richt het onderzoek zich nog alleen op het DNA-bewijs.[6]

In augustus 2019 maakte de advocaat-generaal bekend dat een ingeschakelde Engelse DNA-deskundige de conclusie van het NFI onderschreef dat het "meest waarschijnlijke scenario" was dat het DNA van Louwes door geweld op de blouse moest zijn terechtgekomen. Volgens Knoops, die om dit onderzoek had gevraagd, vond dat de Engelse deskundige echter te weinig informatie had gekregen. Hierop werd besloten de zaak nogmaals te laten bestuderen door een cold case-team van de Amsterdamse recherche.[59][60]

De facto werd hiermee de scope van het feitenonderzoek uitgebreid; het coldcaseteam kreeg de opdracht te kijken naar "de objectieve informatie zoals foto’s en rapporten van de sporen van toen op de plaats delict en van de sectie", terwijl in 2014, aan de start van dit traject de Advocaat-generaal dit onderwerp nog nadrukkelijk had uitgesloten: "Ik zie die aanknopingspunten voor nader onderzoek op dit moment evenmin. In het licht van het advies van de ACAS zal ik deze kwestie [opm.: contaminatie] dan ook niet betrekken in het door mij te entameren nadere feitenonderzoek."[bron?]

Publiciteit omtrent cd-rom[bewerken | brontekst bewerken]

In groen alle zichtbare contaminaties, ontstaan na veiligstellen van dit bewijsmiddel. Op basis van de tekst en foto's in de cd-rom zijn deze vlekken reeds op de avond van de vondst achtergelaten.
Door de foto's plaats delict (links) en laboratorium NFI (rechts) te vergelijken, in combinatie met de op de cd-rom beschreven bevindingen, kon een reconstructie worden gemaakt van het ontstaan van nieuwe vlekken.

In januari 2019, toen de proeftijd van zijn voorwaardelijke veroordeling wegens smaad voorbij was, kondigde De Hond een "multimediaal project" aan over de zaak, met volgens hem overtuigende feiten waardoor de zaak in een ander daglicht zou komen te staan.[61][62]

Op 27 maart 2019 publiceerde de Volkskrant over een cd-rom met meer dan 150 foto's en verslagen politieonderzoek. Het artikel presenteerde het als nieuw bewijs, maar maakte al deel uit van het onderzoek van de Advocaat-generaal.[6] Volgens de krant waren vingerafdrukken gewist en is er een nieuwe foto van het slachtoffer met een mogelijk ontlastende bloedvlek. Verder waren cruciale passages uit het uiteindelijk opgemaakt proces-verbaal verbaal geschrapt. Details in het concept ervan die niet overeenkwamen met het veronderstelde moordwapen waren verwijderd. Op de opgedoken foto's was volgens de krant duidelijk te zien dat er op het mes meerdere vingerafdrukken zitten. Het onderzoeksrapport dat na de moord naar buiten kwam, vermeldde dat er geen vingerafdrukken op het moordwapen zaten.[63][64]

Volgens De Hond was dit 'ontlastend bewijs' en was Louwes geschaad in zijn verdediging.[65][66] Het vermeende ontlastende materiaal leverde volgens Bas Haan, Peter van Koppen, Peter R. de Vries en advocaat Jan Vlug op zichzelf geen enkel bewijs op dat Louwes onschuldig zou zijn. Het materiaal had namelijk betrekking op bewijs uit de eerste processen, wat bij herziening in 2004 was verworpen. Het zou daarom niks afdoen aan het bewijs waarmee Louwes in 2004 was veroordeeld.[67] Naar aanleiding van de publicaties over de cd-rom werden door Tweede Kamerlid Attje Kuiken (PvdA) vragen gesteld aan de Minister van Justitie.[68]

Beloning[bewerken | brontekst bewerken]

In september 2019, 20 jaar na de moord, loofde De Hond via de door hemzelf opgerichte en bestuurde stichting middels een advertentie in dagblad de Stentor evenals eerder in 2006 opnieuw een beloning uit voor de tip die zou leiden tot de aanhouding van wat hij noemde 'de echte moordenaar van weduwe Wittenberg'. In een interview in die krant had advocaat-generaal Mr.Diederik Aben inmiddels gesteld dat er tijdens het onderzoek blunders zijn gemaakt.[4] De Hond zag zich hierdoor gesterkt in zijn standpunt omtrent de onterechte veroordeling van Louwes.[69][70][71][72][73]

Aansprakelijkstelling[bewerken | brontekst bewerken]

Op 27 november 2019 maakte advocaat Knoops bekend dat zijn cliënt Louwes de Staat der Nederlanden aansprakelijk stelde voor de beweerdelijk door onrechtmatig handelen door opsporingsambtenaren bij het onderzoek tegen hem en de daaruit voortvloeiende veroordeling aan hem berokkende schade.[74] Bij het politie- en justitieonderzoek zouden vijf onregelmatigheden jegens hem zijn begaan. Het ging daarbij om de contaminatie van sporen en kleding: de blouse van de weduwe zou verkeerd bewaard zijn en daardoor zouden dna-sporen mogelijk ‘vervuild’ zijn geraakt.

Varia[bewerken | brontekst bewerken]

  • Op 2 september 2021 verscheen de speelfilm De veroordeling gebaseerd op het boek De Deventer moordzaak. Het complot ontrafeld uit 2009 van journalist Bas Haan. In het boek en de film wordt de stellige overtuiging uitgesproken dat Ernest Louwes de daadwerkelijke moordenaar is geweest en dat er niemand anders bij de moord betrokken was. De film behandelt tevens de manier waarop 'klusjesman' De Jong door Maurice de Hond in de media breeduit als verdachte werd aangemerkt en welke impact dit had voor de betrokkenen.

Bronvermelding[bewerken | brontekst bewerken]